Het doopformulier voor volwassenen: tekst en uitleg
In het kort
Het doopformulier voor volwassenen wordt gelezen bij de doop van iemand die niet als kind gedoopt is. Het opent met dezelfde leer van de doop als bij kinderen. Daarna legt het uit waarom een volwassene eerst belijdt, stelt het vijf vragen en dankt het God.
Wie als volwassene tot geloof komt en nooit gedoopt is, wordt in kerken met de klassieke formulieren gedoopt met een eigen tekst. Dat is het Formulier om den Heiligen Doop aan de volwassenen te bedienen. Volgens een noot in de uitgave van 1897 stelde de Synode van Dordrecht (1618-1619) zelf de eindtekst van dit formulier vast.
Het formulier heeft veel gemeen met het doopformulier voor de kinderdoop, dat ook op deze site staat. De leer van de doop, het gebed en de dankzegging zijn bijna gelijk. Het verschil zit in het middendeel. Daar legt het formulier uit waarom een volwassene eerst belijdenis moet doen. Daarna beantwoordt de dopeling zelf vijf vragen, waar bij de kinderdoop de ouders er drie beantwoorden. Het formulier spreekt van 'hij'; alles geldt evengoed voor een vrouw die gedoopt wordt.
Op deze pagina staat de volledige tekst in negen delen. Bij elk deel vindt u uitleg, de betekenis van oude woorden en Bijbelteksten uit de Statenvertaling. Onderaan leest u waar de tekst vandaan komt en hoe hij is nagelezen. Bereidt u zich voor op uw eigen doop, lees dan vooral deel 4 tot en met 7: daar staat wat er van u gevraagd wordt.
Deel 1
De hoofdsom en het eerste stuk: onze ellende
De hoofdsom van de leer des Heiligen Doops is in deze drie stukken begrepen:
Eerstelijk, dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns zijn, zodat wij in het Rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij vannieuws geboren worden. Dit leert ons de ondergang en besprenging met het water, waardoor ons de onreinigheid onzer zielen wordt aangewezen; opdat wij vermaand worden een mishagen aan onszelven te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelven te zoeken.
Uitleg
Het begin van dit formulier is bijna woordelijk gelijk aan het begin van het formulier voor de kinderdoop. Ook hier opent de predikant niet bij de persoon die gedoopt wordt, maar bij de leer van de doop. Een hoofdsom is de kern in het kort. Die kern heeft drie stukken: onze ellende, de afwassing van de zonden door de drieënige God, en de roeping tot een nieuwe gehoorzaamheid.
Voor een volwassene klinkt het eerste stuk heel persoonlijk. Hij hoort dat wij 'met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren' zijn. Dat geldt dus ook voor hem, op welke leeftijd hij ook tot de doop komt. Niemand kan in het Rijk Gods komen tenzij hij 'vannieuws geboren' wordt, dat is: opnieuw geboren door Gods Geest.
Het water spreekt dezelfde taal. De 'ondergang en besprenging met het water' laat 'de onreinigheid onzer zielen' zien. Ondergang is onderdompeling, besprenging is besprenkeling. Het doel staat er direct achter: dat wij 'een mishagen aan onszelven' hebben, ons voor God verootmoedigen en reiniging en zaligheid 'buiten onszelven' zoeken. Een mishagen aan onszelven hebben betekent: een afkeer hebben van onszelf om onze zonde.
Uit de Bijbel
“Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;”
Paulus rekent zichzelf mee: wij waren van nature kinderen des toorns, de uitdrukking die het formulier overneemt.
“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”
Christus zegt tegen Nicodemus, een volwassen leraar, dat niemand zonder wedergeboorte het Koninkrijk Gods kan zien.
“Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.”
De profeet belijdt dat wij allen als een onreine zijn, de onreinheid die het doopwater volgens het formulier aanwijst.
Deel 2
Het tweede stuk: de belofte van de drieënige God
Ten tweede betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de afwassing der zonden door Jezus Christus. Daarom worden wij gedoopt in den Naam Gods, des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Want als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, zo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed ons verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of ten onzen beste keren wil. En als wij in den Naam des Zoons gedoopt worden, zo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzo dat wij van onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing onzer zonden, en de dagelijkse vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.
Uitleg
Het tweede stuk zegt wat God door de doop belooft. De doop 'betuigt en verzegelt ons' de afwassing van de zonden door Jezus Christus. Betuigen is plechtig verklaren. Verzegelen is waarmerken, zoals een zegel een akte bekrachtigt en voor echt verklaart. Het water reinigt dus niet uit zichzelf. Het bevestigt een belofte die God in Christus geeft.
Daarna loopt het stuk de drie Personen na, in wier Naam gedoopt wordt. De Vader neemt ons aan 'tot Zijn kinderen en erfgenamen'. Hij wil alle kwaad van ons weren 'of ten onzen beste keren'. Dat laatste is een troostrijke zin voor wie bewust tot de doop komt. Ook wat zwaar is in het leven, wil de Vader ten goede keren.
De Zoon wast ons 'in Zijn bloed van al onze zonden' en lijft ons in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding in. Daardoor worden wij 'rechtvaardig voor God gerekend'. De Heilige Geest wil in ons wonen en ons heiligen. Hij eigent ons toe wat wij in Christus hebben; dat wil zeggen dat Hij het werkelijk het onze maakt.
Het stuk eindigt bij het einddoel: de dag waarop Gods kinderen 'onder de gemeente der uitverkorenen' onbevlekt in het eeuwige leven zullen staan. De doop wijst daarheen; wat hij belooft, wordt door het geloof ontvangen.
Uit de Bijbel
“Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.”
Johannes zegt dat het bloed van Jezus Christus van alle zonde reinigt, waarop de afwassing in de doop wijst.
“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.”
Paulus noemt de kinderen van God ook erfgenamen, de twee woorden die het formulier bij de Vader gebruikt.
“Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.”
Christus reinigt Zijn gemeente met het bad des waters, opdat zij zonder vlek voor Hem zal staan, zoals het slot van dit stuk zegt.
Deel 3
Het derde stuk: de roeping tot nieuwe gehoorzaamheid
Ten derde, overmits in alle verbonden twee delen begrepen zijn, zo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen enigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur doden, en in een nieuw, godzalig leven wandelen. En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonden blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond met God hebben.
Uitleg
In elk verbond zijn 'twee delen begrepen', zegt het formulier. Daarmee worden de beide kanten bedoeld: wat God belooft en waartoe Hij roept. Overmits betekent: omdat. Wie gedoopt wordt, ontvangt dus een belofte en tegelijk een opdracht, namelijk 'een nieuwe gehoorzaamheid'.
Die gehoorzaamheid wordt met drie werkwoorden beschreven: God aanhangen, betrouwen en liefhebben. Dat gebeurt met heel het hart, de ziel, het gemoed en alle krachten. Daarbij hoort een breuk met het oude leven: 'de wereld verlaten, onze oude natuur doden'. Het formulier ziet dit als een weg die een leven lang duurt, niet als één stap op de doopdag.
Dan volgt troost. Wie 'uit zwakheid in zonden' valt, mag niet aan Gods genade vertwijfelen. Vertwijfelen is: de hoop opgeven. Dat geldt ook voor wie na zijn doop opnieuw struikelt. Tegelijk mag niemand in de zonde blijven liggen. De doop is 'een zegel en ontwijfelbaar getuigenis', zegt het formulier, 'dat wij een eeuwig verbond met God hebben'.
Uit de Bijbel
“En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.”
God liefhebben uit geheel het hart, de ziel, het verstand en de kracht: vier leden, zoals het formulier ze bij de nieuwe gehoorzaamheid noemt.
“Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.”
Paulus spreekt over het afleggen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe, wat het formulier de oude natuur doden noemt.
“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.”
Wie zijn zonden belijdt, mag op Gods trouw rekenen, de troost voor wie uit zwakheid valt.
Deel 4
Waarom een volwassene eerst belijdenis doet
En hoewel de kinderen der Christenen, niettegenstaande zij deze dingen niet verstaan, uit kracht des verbonds moeten gedoopt worden, zo is het nochtans niet geoorloofd de volwassenen te dopen, tenzij die tevoren, hun zonden gevoelende, belijdenis doen van hun boetvaardigheid en van hun geloof in Christus. Want om deze oorzaak heeft niet alleen Johannes de Doper, predikende naar het gebod Gods den doop der bekering tot vergeving der zonden, diegenen die hun zonden beleden, gedoopt (Mark. 1:4, 5, en Luk. 3:3), maar heeft ook onze Heere Jezus Christus Zijn apostelen bevolen alle volkeren te onderwijzen en hen te dopen in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes (Matth. 28:19), deze belofte daarbij voegende, dat die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Mark. 16:16); gelijk ook de apostelen (zoals blijkt uit de Handelingen der Apostelen kap. 2:38, en 8:36, 37, en 10:47, 48, en 16:14, 15, 31, 32, 33), volgens dezen regel, geen andere volwassenen gedoopt hebben, dan die belijdenis deden van hun boetvaardigheid en geloof. Daarom is het ook heden ten dage niet geoorloofd enige andere volwassenen te dopen, dan die de verborgenheden des Heiligen Doops uit de prediking van het Heilig Evangelie geleerd hebben en verstaan, en daarvan, mitsgaders van hun geloof, door belijdenis des monds weten rekenschap te geven.
Uitleg
Dit deel is het hart van het formulier voor volwassenen. Het begint met een vergelijking. Kinderen van christenen worden gedoopt 'uit kracht des verbonds', ook al verstaan zij er nog niets van. Bij volwassenen ligt het anders. Zij mogen pas gedoopt worden als zij 'hun zonden gevoelende' belijdenis doen van hun boetvaardigheid en van hun geloof in Christus.
Het formulier onderbouwt dit met verschillende Bijbelplaatsen. Johannes de Doper doopte wie hun zonden beleden. Christus gaf Zijn apostelen opdracht om 'alle volkeren te onderwijzen' en hen te dopen. Het formulier citeert hier vrij; de Statenvertaling, die later verscheen, zegt "al de volken". Hij voegde de belofte toe dat wie gelooft en gedoopt is, zalig zal worden. Volgens het formulier doopten de apostelen in het boek Handelingen geen andere volwassenen dan wie hun boetvaardigheid en geloof beleden.
Boetvaardigheid is hier hetzelfde als bekering: oprecht berouw over de zonde en de omkeer tot God. Volgens een noot in de uitgave van 1897 heeft de Latijnse tekst hier hetzelfde woord als bij 'den doop der bekering'. Het slot zegt wat er nu van een volwassene gevraagd wordt. Hij moet 'de verborgenheden des Heiligen Doops' uit de prediking geleerd hebben en verstaan. Daarvan en van zijn geloof moet hij 'door belijdenis des monds' rekenschap kunnen geven. Mitsgaders betekent: en ook.
Zo bezien zet het formulier kinderdoop en volwassenendoop niet tegenover elkaar. Het verschil zit in de weg naar de doop: het kind wordt gedoopt op grond van het verbond waarin het geboren is, de volwassene na eigen belijdenis. Bij een kind volgt het onderwijs na de doop, bij een volwassene gaan onderwijs en belijdenis eraan vooraf.
Uit de Bijbel
“Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden. En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.”
Het formulier verwijst zelf naar deze plaats: wie door Johannes in de Jordaan gedoopt werden, beleden hun zonden.
“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.”
Het doopbevel, dat het formulier aanhaalt, verbindt het onderwijzen van de volken met het dopen in de Naam van de drieënige God.
“Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.”
Deze belofte over geloven, gedoopt worden en zalig worden neemt het formulier bijna woordelijk over.
“En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.”
De kamerling belijdt dat Jezus Christus de Zoon van God is en wordt daarna gedoopt, een van de plaatsen die het formulier noemt.
Deel 5
Het gebed vóór de doop
Opdat wij dan deze heilige ordening Gods, tot Zijn eer, tot onzen troost, en tot stichting der gemeente uitrichten mogen, zo laat ons Zijn heiligen Naam aldus aanroepen:
O almachtige, eeuwige God; Gij Die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestraft hebt, en den gelovigen Noach zijn acht zielen uit Uw grote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij Die den verstokten Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd; wij bidden U, bij Uw grondeloze barmhartigheid, dat Gij dezen persoon genadiglijk wilt aanzien, en door Uw Heiligen Geest Uw Zoon Jezus Christus inlijven; opdat hij met Hem in Zijn dood begraven worde, en met Hem moge opstaan in een nieuw leven; opdat hij zijn kruis, Hem dagelijks navolgende, vrolijk dragen moge, Hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; opdat hij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om Uwentwil getroost verlate, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, Uw Zoon, zonder verschrikken moge verschijnen, door Hem, onzen Heere Jezus Christus, Uw Zoon, Die met U en den Heiligen Geest, één enig God, leeft en regeert in eeuwigheid.
Amen.
Uitleg
Na de leer roept de gemeente God aan. De korte overgang zegt waarom: om 'deze heilige ordening Gods' uit te voeren. Dat gebeurt tot Gods eer, tot troost van de gelovigen en tot stichting van de gemeente. Een ordening is hier een instelling van God. Uitrichten betekent: uitvoeren.
Het gebed is vrijwel hetzelfde als bij de kinderdoop, maar nu voor 'dezen persoon'. Volgens de uitgave van 1897 staat daar in de officiële tekst in de kantlijn: of personen. Worden er meer volwassenen tegelijk gedoopt, dan wordt het meervoud gelezen. Het begint met twee geschiedenissen. God strafte de onboetvaardige wereld met de zondvloed en behield Noach met de zijnen. Hij liet Farao in de Rode Zee verdrinken en leidde Israël er droogvoets door. In beide is volgens het gebed de doop beduid, dat is: afgebeeld.
Daarna volgen de beden. De dopeling mag in Christus ingelijfd worden, met Hem begraven worden en opstaan in een nieuw leven. Hij mag zijn kruis vrolijk dragen en Christus aanhangen 'met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde'. Vrolijk betekent hier: blijmoedig, gewillig. Het gebed vraagt zelfs dat hij dit leven eens getroost mag verlaten, dat is: met troost, in vrede. Het noemt het aardse leven 'een gestadige dood', een voortdurend sterven.
Het einddoel is de rechterstoel van Christus. Daar mag de gedoopte zonder verschrikken verschijnen. Het gebed sluit met de belijdenis van de drieënige God, Die leeft en regeert in eeuwigheid.
Uit de Bijbel
“Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;”
Petrus ziet in de acht zielen die door het water behouden werden een tegenbeeld van de doop, zoals het gebed doet.
“Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.”
Met Christus begraven worden door de doop en wandelen in nieuwigheid des levens is de bede die het gebed overneemt.
“En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;”
De vaderen zijn allen in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee, de tweede geschiedenis waarin het gebed de doop afgebeeld ziet.
“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”
Paulus zegt dat wij allen geopenbaard moeten worden voor den rechterstoel van Christus, het einddoel waarmee het gebed sluit.
Deel 6
De aanspraak en de vragen over God en de zonde
Aanspraak tot den volwassene die gedoopt zal worden
Aangezien gij, N., dan ook begeert met het Heilig Doopsel gedoopt te worden, teneinde het u zij een zegel uwer inlijving in de Kerke Gods, opdat blijke dat gij niet alleen de Christelijke religie aanneemt, waarin gij privatelijk door ons zijt onderwezen, en waarvan gij voor ons belijdenis gedaan hebt, maar ook uw leven daarnaar door Gods genade wilt aanstellen; zo zult gij voor God en Zijn gemeente hierop ongeveinsdelijk antwoorden:
Ten eerste, of gij gelooft in den enigen waarachtigen God, onderscheiden in drie Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, Die hemel, en aarde, en alles wat daarin is, uit niet geschapen heeft, en nog onderhoudt en regeert, alzo dat er niets geschiedt, noch in den hemel, noch op de aarde, zonder Zijn Goddelijken wil?
Antwoord: Ja.
Ten tweede, of gij gelooft dat gij in zonden ontvangen en geboren zijt, en daarom een kind des toorns zijt, van nature ten goede gans onbekwaam en geneigd tot alle kwaad; en dat gij met gedachten, woorden en werken de geboden des Heeren menigmaal hebt overtreden; en of deze uw zonden u van harte leed zijn?
Antwoord: Ja.
Uitleg
Nu spreekt de predikant de dopeling persoonlijk aan, met zijn naam op de plaats van de N. Hij zegt waarom de doop gevraagd wordt: als 'een zegel uwer inlijving in de Kerke Gods'. De dopeling neemt de christelijke religie aan, waarin hij 'privatelijk' onderwezen is. Privatelijk betekent: persoonlijk, buiten de openbare dienst. Hij heeft daarvan 'voor ons' belijdenis gedaan, dat wil zeggen: vooraf, voor de kerkenraad of wie daartoe is aangewezen. Nu antwoordt hij 'voor God en Zijn gemeente'.
Nu belooft hij ook zijn leven daarnaar in te richten, 'door Gods genade'. Daarom moet hij ongeveinsdelijk antwoorden, dat is: oprecht, zonder iets voor te wenden. Er volgen vijf vragen; bij de kinderdoop zijn het er drie.
De eerste vraag gaat over God. Gelooft de dopeling in de ene ware God, onderscheiden in drie Personen? Deze God heeft hemel en aarde 'uit niet geschapen' en onderhoudt en regeert alles nog. Er geschiedt niets 'zonder Zijn Goddelijken wil'.
De tweede vraag gaat over de zonde. De dopeling erkent dat hij 'in zonden ontvangen en geboren' is. Hij is van nature 'ten goede gans onbekwaam', dat is: geheel onbekwaam tot het goede, en geneigd tot alle kwaad. In veel oude kerkboeken staat 'een kind des toorns' van nature. Volgens de uitgave van 1897 hoort van nature naar de Latijnse tekst bij het vervolg.
Hij belijdt dat hij Gods geboden menigmaal heeft overtreden met gedachten, woorden en werken. Daarna komt een persoonlijke vraag: zijn deze zonden hem 'van harte leed'? Het formulier vraagt dus kennis en ook berouw.
Op elke vraag antwoordt de dopeling met Ja. Volgens een noot in de uitgave van 1897 staat dat antwoord in alle uitgaven na iedere vraag. In de praktijk werden de vragen toen doorgaans samen aan het einde beantwoord.
Uit de Bijbel
“Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.”
Met het hart geloven en met de mond belijden: zo geeft de dopeling zijn antwoord op de vragen.
“Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.”
Geen musje valt op de aarde zonder de Vader, de Bijbelse grond onder de woorden dat niets geschiedt zonder Gods wil.
“Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.”
David belijdt dat hij in zonde ontvangen en geboren is, de woorden die de tweede vraag overneemt.
“Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.”
De droefheid naar God werkt bekering tot zaligheid, het berouw waarnaar de tweede vraag zoekt.
Deel 7
De vragen over Christus, de leer en het leven
Ten derde, of gij gelooft dat Jezus Christus, Die tegelijk waarachtig en eeuwig God is en waarachtig mens, Die Zijn menselijke natuur uit het vlees en bloed der maagd Maria heeft aangenomen, u tot een Zaligmaker van God geschonken is; en dat gij door dit geloof ontvangt vergeving der zonden in Zijn bloed, en dat gij een lidmaat van Jezus Christus en van Zijn Kerk door de kracht des Heiligen Geestes zijt geworden?
Antwoord: Ja.
Ten vierde, of gij verder al de artikelen der Christelijke religie, gelijk die hier in de Christelijke Kerk uit den Woorde Gods geleerd worden, toestemt; en van voornemen zijt, in dezelve leer tot het einde uws levens standvastelijk te volharden; en tevens verzaakt alle ketterijen en dwalingen, met deze leer strijdende; en belooft dat gij in de gemeenschap dezer Christelijke Kerk, niet alleen in het gehoor des Goddelijken Woords, maar ook in het gebruik des Heiligen Avondmaals, zult volharden?
Antwoord: Ja.
Ten vijfde, of gij u van harte voorgenomen hebt, altijd christelijk te wandelen, en de wereld en haar kwade begeerlijkheden te verzaken, gelijk het lidmaten van Christus en van Zijn gemeente betaamt; en of gij u aan alle christelijke vermaningen gaarne wilt onderwerpen?
Antwoord: Ja.
Uitleg
De derde vraag gaat over Christus. Hij is 'waarachtig en eeuwig God' en tegelijk waarachtig mens, Die Zijn menselijke natuur uit de maagd Maria aannam. Hij is de dopeling 'tot een Zaligmaker van God geschonken'. De dopeling belijdt te geloven dat hij door dit geloof vergeving van zijn zonden ontvangt in Christus' bloed. Ook belijdt hij te geloven dat hij door de kracht van de Heilige Geest een lidmaat, dat is een lid, van Christus en Zijn Kerk geworden is.
De vierde vraag gaat over de leer en de kerk. De dopeling stemt in met 'al de artikelen der Christelijke religie' zoals die uit Gods Woord geleerd worden. Hij neemt zich voor daarin tot het einde te volharden en verzaakt, dat is: zweert af, alle ketterijen en dwalingen. Hij belooft ook trouw te blijven 'in het gehoor des Goddelijken Woords' en in het gebruik van het avondmaal.
Dat laatste valt op. Met de doop belooft een volwassene ook de gang naar het avondmaal. Bij wie als kind gedoopt is, geeft de latere openbare belijdenis van het geloof toegang tot het avondmaal.
De vijfde vraag gaat over het leven. De dopeling heeft zich 'van harte voorgenomen' christelijk te wandelen en de wereld met 'haar kwade begeerlijkheden' te verzaken. Hij belooft zich gewillig te onderwerpen aan 'alle christelijke vermaningen'. Daarmee aanvaardt hij dat de kerk hem mag aanspreken op zijn leer en leven.
Uit de Bijbel
“En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”
Het Heilige dat uit de maagd Maria geboren werd, is Gods Zoon: waarachtig God en waarachtig mens, zoals de derde vraag belijdt.
“In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade,”
In Christus is de verlossing door Zijn bloed en de vergeving der misdaden, wat de derde vraag belijdt.
“En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.”
De eerste gemeente volhardde in de leer der apostelen en de breking des broods, de volharding die de vierde vraag vraagt.
“En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;”
De genade leert de wereldse begeerlijkheden te verzaken en godzalig te leven, de inhoud van de vijfde vraag.
Deel 8
De zegenbede en de bediening van de doop
De goede en grote God verlene goedertierenlijk tot dit uw heilig voornemen Zijn Goddelijke genade en zegen, door onzen Heere Jezus Christus.
Amen.
Daarna bij het dopen spreekt de dienaar des Goddelijken Woords aldus:
N., ik doop u in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.
Uitleg
Na de vijf antwoorden spreekt de predikant een korte zegenbede uit. Hij bidt dat God goedertierenlijk, dat is: vol goedheid, Zijn genade en zegen geeft 'tot dit uw heilig voornemen'. Dat is veelzeggend. Wat de dopeling zojuist beloofd heeft, kan hij niet uit eigen kracht. Hij heeft er Gods genade voor nodig, door Christus.
Dan volgt de doop. De aanwijzing zegt dat nu de 'dienaar des Goddelijken Woords' spreekt. Hij noemt de dopeling bij zijn naam en doopt hem in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dat zijn dezelfde woorden als bij de kinderdoop, naar het doopbevel van Christus.
Over de manier van dopen zegt deze aanwijzing niets. In het eerste deel noemde het formulier al zowel onderdompeling als besprenkeling.
Uit de Bijbel
“Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.”
Wie in Christus gedoopt is, heeft Christus aangedaan; zo ver reikt wat de doop aan de volwassene betekent.
“Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.”
Op de Pinksterdag werden zij gedoopt die het woord gaarne aannamen, een voorbeeld van de doop na geloof.
“Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”
God werkt het willen en het werken, de grond onder de bede om genade bij het heilig voornemen van de dopeling.
Deel 9
De dankzegging
Dankzegging
Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U dat Gij ons en onzen kinderen, door het bloed van Uw lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uw Heiligen Geest tot lidmaten van Uw eniggeboren Zoon, en alzo tot Uw kinderen aangenomen hebt, en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt. Wij bidden U ook, door Hem, Uw lieven Zoon, dat Gij dezen persoon met Uw Heiligen Geest altijd wilt regeren, opdat hij christelijk en godzaliglijk wandele, en in den Heere Jezus Christus wasse en toeneme, opdat hij Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hem en ons allen bewezen hebt, moge bekennen, en in alle gerechtigheid, onder onzen enigen Leraar, Koning en Hogepriester, Jezus Christus, leve, en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen moge, om U en Uw Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den enigen en waarachtigen God, eeuwiglijk te loven en te prijzen.
Amen.
Uitleg
Het formulier sluit met een dankgebed. Opvallend is dat hier ook 'ons en onzen kinderen' staat, net als bij de kinderdoop. De gemeente dankt dus niet alleen voor deze ene dopeling, maar noemt ook haar kinderen, zoals in het formulier voor de kinderdoop. Hoe ver die woorden over de kinderen reiken, wordt in de gereformeerde kerken niet overal gelijk uitgelegd. Het formulier zelf spreekt als gebed van de gelovige gemeente.
Daarna wordt er gebeden voor de gedoopte. Het gebed vraagt dat hij 'christelijk en godzaliglijk wandele' en in Christus mag wassen en toenemen, dat is: groeien. Hij mag Gods Vaderlijke goedheid erkennen en leven onder Christus als 'onzen enigen Leraar, Koning en Hogepriester'. Bij een kind vraagt het gebed om een goede opvoeding; hier gaat het om de eigen wandel van de dopeling. Ook bij dit gebed staat volgens de uitgave van 1897 in de officiële tekst een kantnoot dat het enkelvoud in het meervoud kan veranderen.
Het christelijk leven wordt een strijd genoemd. De gedoopte moet vromelijk, dat is moedig, strijden tegen de zonde, de duivel en zijn hele rijk, en overwinnen. Het einddoel is lofprijzing: de drieënige God 'eeuwiglijk te loven en te prijzen'.
Uit de Bijbel
“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!”
De Geest der aanneming tot kinderen is de gave waarvoor de dankzegging God looft.
“Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid. Amen.”
Petrus roept op te wassen in de genade en kennis van Christus, het woord dat het gebed voor de gedoopte gebruikt.
“Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.”
Het geloof overwint de wereld, de overwinning waarom het gebed aan het slot vraagt.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen het doopformulier voor kinderen en voor volwassenen?
Beide formulieren beginnen met dezelfde leer van de doop in drie stukken en hebben bijna hetzelfde gebed en dankgebed. Het formulier voor volwassenen voegt een deel toe over de reden waarom een volwassene eerst zijn boetvaardigheid en geloof moet belijden. Bij de kinderdoop beantwoorden de ouders drie vragen. Bij de volwassenendoop beantwoordt de dopeling zelf vijf vragen: over God, de zonde, Christus, de leer en de kerk, en zijn eigen leven.
Wat zijn de vijf doopvragen voor volwassenen?
De eerste vraag is of hij gelooft in de ene ware God, Vader, Zoon en Heilige Geest, Die alles geschapen heeft en regeert. De tweede is of hij erkent dat hij in zonde geboren is en Gods geboden overtrad, en of hem dat van harte leed is. De derde gaat over het geloof in Christus als Zaligmaker. De vierde over de leer en de trouw aan kerk en avondmaal. De vijfde over een christelijk leven en het aanvaarden van vermaning.
Moet een volwassene belijdenis doen voordat hij gedoopt wordt?
Volgens dit formulier wel. Kinderen van christenen worden gedoopt uit kracht van het verbond, ook als zij er nog niets van verstaan. Volwassenen mogen alleen gedoopt worden als zij eerst belijdenis doen van hun boetvaardigheid en hun geloof in Christus. Het formulier wijst op Johannes de Doper, het doopbevel en Handelingen. Volgens de aanwijzing in de uitgave van 1897 gebeurt die belijdenis in de kerkenraad, voor afgevaardigden daarvan of openlijk, naar wat elke kerk het stichtelijkst vindt. Hoe het in uw gemeente gaat, hoort u van uw predikant.
Wat zegt het doopformulier voor volwassenen over de kinderdoop?
Het formulier noemt de kinderdoop juist in het deel over volwassenen. Kinderen van christenen moeten gedoopt worden uit kracht des verbonds, ook al verstaan zij het nog niet. Bij volwassenen gaat de belijdenis aan de doop vooraf. Het verschil zit dus in de weg naar de doop: het kind op grond van het verbond waarin het geboren is, de volwassene na eigen belijdenis. Bij een kind komt het onderwijs na de doop, bij een volwassene ervoor.
Waarom is het doopformulier voor volwassenen in oude kerkboeken korter?
Volgens een noot in de uitgave van 1897 stelde de Synode van Dordrecht de eindtekst van dit formulier zelf vast. Zij gaf de vierde alinea en de vragen een nieuwe redactie in het formulier dat de Zeeuwse kerken sinds 1611 gebruikten. Daarna namen volgens die noot alle drukkers door een misverstand alleen dat herziene deel op. Het begin daarvan, dat zonder de leer geen zin had, werd door sommigen aangepast. Zo ontbraken in alle oude uitgaven de leer van de doop en de gebeden. Deze pagina geeft het volledige formulier.
Welke tekst van het doopformulier voor volwassenen staat op deze pagina?
Het is de klassieke tekst in de kerkboekspelling, zoals de Gereformeerde Bijbelstichting die uitgeeft. Het hele formulier is nagelezen tegen de officiële tekst in de uitgave van 1897. Het kerkboek uit 1774 heeft alleen het middendeel, van de vierde alinea tot en met de vragen; de leer staat daar in het formulier voor de kinderdoop. Waar de uitgave van de GBS woorden heeft die in geen van die drukken staan, volgen wij de oude lezing. De aanwijzing waarmee de uitgave van 1897 opent, staat hier niet.
Hoe bereidt een volwassene zich voor op de doop?
Het formulier noemt de weg zelf. De dopeling is 'privatelijk' onderwezen en moet de leer van de doop 'uit de prediking van het Heilig Evangelie geleerd hebben en verstaan'. Volgens de aanwijzing in de uitgave van 1897 wordt wie in de jeugd niet gedoopt is, eerst goed onderwezen in de gronden van de christelijke religie. Na een goede belijdenis wordt hij tot de doop toegelaten. In de dienst beantwoordt hij dan de vijf vragen. Vraag uw predikant hoe het in uw gemeente gaat.
Waarom staat er in oude kerkboeken bejaarden in plaats van volwassenen?
Volgens een noot in de uitgave van 1897 gebruikte de redactie die toen ruim tweeënhalve eeuw gangbaar was, het woord bejaarden, zoals het kerkboek van 1774. De officiële tekst heeft volwassenen. Bejaard betekende toen: tot zijn jaren gekomen, volgens de oude kerkelijke regel al vanaf het zestiende jaar. De noot zegt ook dat de Latijnse grondtekst eigenlijk de meer opgewassenen, de ouderen bedoelt.
Verder lezen
Over deze tekst
Woordelijk: de klassieke tekst zoals vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619); elke lezing bezegeld door de uitgave 1897 (officiële tekst) of de gangbare redactie (1774). Spelling: de kerkboekspelling van de GBS-uitgave.
Bronnen
- GBS Bijbel Online, De formulieren voor kerkelijke handelingen / Christelijke gebeden (Gereformeerde Bijbelstichting) (kopieerbron (spelling en tekst))
- De berijmde Psalmen (...) in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Nederland; alsmede hare Formulieren van Eenigheid (...) en hare Liturgie, naar den door die kerken vastgestelden tekst, onder medewerking van H. Bavinck en A. Kuyper, Middelharnis: Flakkeesche Boekdrukkerij, 1897 (scan Princeton Theological Seminary, archive.org) (controle, publiek domein (officiële Dordtse tekst))
- Het boek der psalmen, nevens de gezangen bij de Hervormde Kerk van Nederland in gebruik (...) mitsgaders de christelijke catechismus, formulieren en gebeden der Gereformeerde Kerken, Haarlem: Joh. Enschedé en Zonen, 1774 (DBNL, digitale uitgave van de vier kerkboeken) (controle, publiek domein (gangbare redactie, oude spelling))
- liturgie.nu, klassieke versie (Effusion, naar de uitgave Jongbloed) (extra vergelijking (gangbare redactie in nieuwe spelling))
Waar wij afwijken van de kopieerbron
Elke lezing op deze pagina staat in minstens één druk van vóór 1900. Op deze plaatsen volgen wij daarom een oude druk.
- Eerste stuk van de leer. Hier: ‘de onreinigheid onzer zielen’. Kopieerbron: ‘de onreinheid onzer zielen’. Zoals bij de kinderdoop (de gangbare redactie geeft dit deel alleen in het kinderdoopformulier): "onreinheid" staat in geen getuige.
- Inleiding volwassenendoop. Hier: ‘Zijn apostelen bevolen alle volkeren te onderwijzen’. Kopieerbron: ‘Zijn apostelen bevolen al de volken te onderwijzen’. Beide getuigen hebben "alle volkeren"; "al de volken" staat in geen van beide.
- Inleiding volwassenendoop. Hier: ‘Handelingen der Apostelen kap. 2:38’. Kopieerbron: ‘Handelingen der Apostelen hfdst. 2:38’. Verwijzingsnotatie: "hfdst." staat in geen getuige; 1897 heeft "Kap.".
- Vierde vraag. Hier: ‘uit den Woorde Gods geleerd worden’. Kopieerbron: ‘uit het Woord Gods geleerd worden’. Beide getuigen: "uit den Woorde Gods".
- Vierde vraag. Hier: ‘maar ook in het gebruik des Heiligen Avondmaals, zult volharden?’. Kopieerbron: ‘maar ook in het gebruik van het Heilig Avondmaal, zult volharden.’. Beide getuigen hebben de genitief en het vraagteken.
- Aanwijzing bij de doop. Hier: ‘Daarna bij het dopen spreekt de dienaar des Goddelijken Woords aldus:’. Kopieerbron: ‘Daarna bij het dopen spreekt de dienaar des Woords aldus:’. Zoals bij de kinderdoop.
- Eerste vraag. Hier: ‘zonder Zijn Goddelijken wil?’. Kopieerbron: ‘zonder Zijn Goddelijken wil.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).
- Tweede vraag. Hier: ‘u van harte leed zijn?’. Kopieerbron: ‘u van harte leed zijn.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).
- Derde vraag. Hier: ‘zijt geworden?’. Kopieerbron: ‘zijt geworden.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).
- Vijfde vraag. Hier: ‘gaarne wilt onderwerpen?’. Kopieerbron: ‘gaarne wilt onderwerpen.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).
Kantnoten en opmerkingen
- De uitgave 1897 begint met een aanwijzing: wie in de jeugd niet gedoopt is en als volwassene de doop begeert, wordt eerst onderwezen en na een goede belijdenis tot de doop toegelaten. De kopieerbron en de gangbare redactie (1774) hebben die aanwijzing niet; ze staat hier ook niet.
- Volgens een noot in de uitgave 1897 stelde de Synode van Dordrecht zelf de eindtekst van dit formulier vast; de vierde alinea en de vragen kregen toen een nieuwe redactie. Latere drukkers namen volgens die noot alleen dat herziene deel op, waardoor in de gangbare redactie (1774) de leer van de doop en de gebeden ontbreken. De kopieerbron heeft het volledige formulier, zoals 1897.