Artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Dat een iegelijk schuldig is zich bij de ware Kerk te voegen
In het kort
Artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis leert dat iedere gelovige lid van de kerk behoort te zijn. Niemand mag op zichzelf blijven staan. Wie bij Christus hoort, voegt zich bij Zijn gemeente en bewaart daar de eenheid. Zo iemand buigt zich onder het juk van Christus en dient anderen met zijn gaven, ook als dat iets kost.
De tekst van NGB 28
Wij geloven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling dergenen, die zalig worden, en dat buiten haar geen zaligheid is, dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelf te houden, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn, zichzelf daarbij te voegen en daarmede te verenigen; onderhoudende de enigheid der Kerk, zich onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, de hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwing der broederen, naar de gaven, die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams.
En opdat dit te beter onderhouden zou kunnen worden, zo is het ambt aller gelovigen, volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, het zij op wat plaats dat God ze gesteld heeft; ook ofschoon het zo ware, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren, en dat de dood of enige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen, die zich van haar afscheiden of niet daar bijvoegen, die doen tegen de ordinantie Gods.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Kan een christen geloven zonder lid van de kerk te zijn? Artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft daarop een duidelijk antwoord. Wie gelooft, hoort zich bij de gemeente te voegen. Het oude woord iegelijk in de titel betekent: ieder. Niemand valt erbuiten, 'van wat staat of kwaliteit hij zij'. Staat en kwaliteit betekenen hier rang en positie. Een edelman heeft dus dezelfde roeping als een dagloner.
Geen zaligheid buiten de gemeente
Het artikel begint met een reden. De kerk is 'een verzameling dergenen, die zalig worden'. Artikel 27 noemde haar al de vergadering van de ware gelovigen. Daarom zegt artikel 28 dat 'buiten haar geen zaligheid is'. Dat betekent niet dat de kerk zelf zalig maakt. Christus maakt zalig, en wie Hij redt, brengt Hij bij Zijn gemeente. Lukas schrijft over de eerste christenen: "de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden".
Daarom past het een gelovige niet om 'op zijn eigen persoon te staan'. Zo iemand wil wel geloven, maar zonder broeders en zusters. Het artikel ziet dat niet als een vrije keuze, maar als een tekort aan gehoorzaamheid.
Zich voegen en de eenheid bewaren
Het artikel zegt dat zij allen schuldig zijn, 'zichzelf daarbij te voegen en daarmede te verenigen'. Schuldig betekent hier: verplicht. Het gaat om meer dan een naam in een ledenlijst. Wie zich voegt, gaat werkelijk deel uitmaken van de gemeente. De Hebreeënbrief waarschuwt: "laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben".
Daarna noemt het artikel vier dingen die bij het lidmaatschap horen. Het eerste is 'onderhoudende de enigheid der Kerk'. Onderhouden betekent hier: bewaren, en enigheid is eenheid. Paulus vraagt de gemeente zich in te spannen, "te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes". Eenheid gaat dus niet vanzelf. Zij vraagt geduld, vergeving en liefde.
Onder onderwijzing, tucht en juk
Het tweede is 'zich onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht'. In de gemeente laat de gelovige zich onderwijzen uit Gods Woord. Tucht is het toezicht van de kerk op leer en leven. Wie lid wordt, aanvaardt dus ook dat anderen hem mogen vermanen. Artikel 32 komt daarop terug.
Het derde is 'de hals buigende onder het juk van Jezus Christus'. Een juk is een houten balk waarmee dieren samen een last trekken. De gelovige buigt zich onder het gezag van Christus, niet onder de wil van mensen. De Heere Jezus zegt Zelf: "Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij". Hij voegt eraan toe: "Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht".
Elkaar dienen met Gods gaven
Het vierde is 'dienende de opbouwing der broederen'. Opbouwing betekent: geestelijke groei. Dat gebeurt 'naar de gaven, die hun God verleend heeft'. Niet iedereen heeft dezelfde gaven, maar niemand is zonder. Petrus schrijft: "Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen". Zondag 21 van de catechismus zegt dat ieder zijn gaven voor de anderen moet gebruiken, "gewilliglijk en met vreugde".
Het artikel noemt de gelovigen 'onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams'. Eenszelfden betekent: van hetzelfde. Een lid dat zich van het lichaam losmaakt, kan de andere leden niet dienen. Zo ziet het artikel de gemeente: geen losse personen naast elkaar, maar leden van één lichaam.
Ook als het iets kost
De tweede alinea spreekt over het 'ambt aller gelovigen'. Ambt betekent hier: plicht of roeping. Die roeping heeft twee kanten. De gelovige moet zich afscheiden 'van degenen die niet van de Kerk zijn' en zich voegen bij de ware gemeente. Welke kerk de ware is, legt artikel 29 uit aan de hand van kenmerken. Het artikel noemt er ook het doel bij: 'opdat dit te beter onderhouden zou kunnen worden'. Het afscheiden staat dus in dienst van het zich voegen bij de gemeente die God vergadert.
Die roeping geldt 'op wat plaats dat God ze gesteld heeft'. Zij geldt zelfs als 'de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren'. Magistraten zijn overheden, en plakkaten zijn hun bevelen. Ook 'de dood of enige lichamelijke straf' mag de gelovige niet van de gemeente weghouden. De apostelen zeiden voor de raad in Jeruzalem: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen".
Het artikel sluit ernstig af. Wie zich van de ware kerk afscheidt of zich er niet bij voegt, handelt 'tegen de ordinantie Gods'. Ordinantie betekent: instelling of bevel. De kerk is dus geen vereniging die mensen zelf bedenken, maar Gods eigen werk. Daarin ligt ook troost. Wie zich bij de gemeente voegt, komt waar God Zijn volk vergadert. In Psalm 22 klinkt het: "in het midden der gemeente zal ik U prijzen".
Bijbelse onderbouwing
“En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.”
Wie de samenkomsten van de gemeente nalaat, blijft op zichzelf staan, en juist dat wijst het artikel af.
“Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.”
In deze psalm, die de Hebreeënbrief op Christus toepast, klinkt Gods lof in de gemeente waarbij het artikel iedere gelovige roept zich te voegen.
“En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.”
Lukas vertelt dat de Heere dagelijks wie zalig werden aan de gemeente toevoegde, zodat zaligheid en gemeente bij elkaar horen.
“U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.”
Paulus roept op de eenheid van de Geest te bewaren, en dat is het eerste wat het artikel noemt: de enigheid van de kerk onderhouden.
“Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.”
De Heere Jezus nodigt uit om Zijn juk op te nemen, het beeld dat het artikel gebruikt voor de onderwerping aan Zijn gezag.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Onder Karel V en Filips II verboden plakkaten het bijwonen van gereformeerde samenkomsten. Wie toch ging, riskeerde zware straffen, tot de doodstraf toe. Daarom noemt het artikel zo nadrukkelijk de overheden, hun bevelen en de dood.
Veel mensen die de leer van de Reformatie innerlijk aanvaardden, bleven uit angst toch naar de mis gaan en hielden hun geloof verborgen. Calvijn schreef in de jaren veertig van de zestiende eeuw tegen deze houding. Hij noemde zulke gelovigen nicodemieten, naar Nicodemus die bij nacht tot Jezus kwam. Artikel 28 spreekt in dezelfde lijn: een gelovige blijft niet in het verborgen, maar voegt zich bij de gemeente.
Om over door te praten
- Wat bedoelt het artikel met de zin dat er buiten de kerk geen zaligheid is, en wat bedoelt het daar juist niet mee?
- Welke vier dingen noemt het artikel die bij het lidmaatschap van de gemeente horen, en welke daarvan vindt u het moeilijkst?
- Hoe kunt u in uw eigen gemeente bijdragen aan het bewaren van de eenheid?
- Welke gaven heeft God u gegeven, en hoe zou u die kunnen gebruiken voor de opbouw van anderen?
- Waarom noemt het artikel de dood en lichamelijke straf, en wat zegt dat over de waarde van de gemeente?