Het woord tucht klinkt voor veel mensen hard. Wie in een reformatorische gemeente opgroeit, heeft misschien een afkondiging van de kansel gehoord. Wie van buiten komt, denkt eerder aan controle of uitsluiting. En sommigen hebben er pijnlijke herinneringen aan, omdat tucht bij hen hard of onrechtvaardig werd gebruikt. Hieronder leest u wat de Bijbel en de belijdenis erover zeggen.
Wat zegt de Bijbel over kerkelijke tucht?
De basis ligt in de woorden van de Heere Jezus in Mattheüs 18. Hij zegt: 'Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen' (Mattheüs 18:15). Luistert hij niet, dan gaat men terug met een of twee anderen als getuigen (vers 16). Pas daarna komt de gemeente in beeld: 'zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar' (Mattheüs 18:17). Direct daarop geeft Christus Zijn gemeente de volmacht om te binden en te ontbinden (vers 18), zoals Hij eerder tot Petrus over de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen sprak (Mattheüs 16:19).
De volgorde zegt veel. Tucht begint bij één broeder of zuster die de moeite neemt om te gaan, en de kring blijft zo klein als het kan. Het doel staat in het eerste vers: uw broeder winnen. Wie het hele hoofdstuk leest in de uitleg van Mattheüs 18, ziet dat deze woorden staan tussen de gelijkenis van het afgedwaalde schaap (vers 12-14) en het gebod om tot zeventigmaal zevenmaal te vergeven (vers 21-22). Dat kader bepaalt de toon van alle tucht.
Waarom oefent de kerk tucht uit?
In Korinthe leefde een gemeentelid openlijk met de vrouw van zijn vader, en de gemeente liet het gebeuren (1 Korinthe 5:1-2). Paulus schrijft dat zo iemand uit de gemeente moet worden weggedaan: 'En doet gij deze boze uit ulieden weg' (1 Korinthe 5:13). Die harde maatregel heeft een reddend doel. De man wordt aan de satan overgegeven, 'opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus' (1 Korinthe 5:5). Ook de gemeente zelf staat op het spel, want een weinig zuurdesem maakt het gehele deeg zuur (1 Korinthe 5:6-7).
Johannes Calvijn vat het in zijn Institutie (boek IV, hoofdstuk 12) samen in drie doelen: dat Gods Naam niet onteerd wordt, dat de gemeente niet door het kwaad wordt aangestoken, en dat de zondaar door beschaming tot bekering komt. Het laatste doel klinkt in de Schrift telkens door. Paulus schrijft over wie zich niet aan zijn woord stoort dat de gemeente zich niet met hem moet vermengen, opdat hij beschaamd wordt, maar ook dat zij hem als een broeder moet blijven vermanen (2 Thessalonicenzen 3:14-15). Wie een ander terechtwijst, doet dat volgens Galaten 6:1 'met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt'.
En als de zondaar terugkeert, moet de gemeente niet blijven straffen. Paulus vraagt de Korinthiërs over iemand die door velen bestraft was: 'Alzo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden' (2 Korinthe 2:7). Of het om dezelfde man gaat als in 1 Korinthe 5, is onder uitleggers niet zeker.
Wat betekent onder censuur staan?
Het woord censuur komt van het Latijnse censura, beoordeling. In reformatorische kerken heet de kerkelijke tucht vaak censuur, en wie onder censuur staat, is door de kerkenraad onder tucht gesteld. De stappen volgen in grote lijnen de Dordtse Kerkorde van 1618-1619:
- Vermaning: de meeste zaken blijven bij een gesprek, persoonlijk of met de ouderling op huisbezoek, en eindigen met belijdenis en vergeving.
- Stille censuur: wie in zonde blijft leven, wordt door de kerkenraad van het Heilig Avondmaal afgehouden. De gemeente hoort de naam niet. Paulus waarschuwt tegen het onwaardig eten (1 Korinthe 11:29), en volgens de Heidelbergse Catechismus (vraag 82) is de kerk geroepen wie goddeloos leeft van het Avondmaal af te houden. Zie ook de vraag wie aan het Avondmaal mag.
- Openbare censuur: blijft iemand weigeren, dan maakt de kerkenraad het in fasen aan de gemeente bekend, eerst zonder en later met naam, zodat de gemeente voor hem bidt en hem vermaant.
- Afsnijding: als laatste stap wordt iemand met een formulier uit de gemeente uitgesloten, wat de belijdenis de christelijke ban noemt.
- Wederopneming: wie zich bekeert, wordt met een eigen formulier weer opgenomen. Dan is er blijdschap in de hemel (Lukas 15:7) en in de gemeente.
Ook ambtsdragers vallen onder de tucht, met de zorgvuldigheid die Paulus vraagt: geen beschuldiging zonder twee of drie getuigen (1 Timotheüs 5:19). De uitvoering verschilt per kerkverband en soms per gemeente.
Wat als tucht hard of verkeerd gebruikt wordt?
Eerlijk is ook dat tucht in de kerkgeschiedenis lang niet altijd herderlijk was. Er was tucht die meer op controle leek dan op zorg, en afkondigingen die mensen beschaamden terwijl niemand hen nog opzocht. Gods oordeel over zulke herders in Ezechiël 34 is scherp: 'het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardigheid' (Ezechiël 34:4). Petrus waarschuwt ouderlingen om geen heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren (1 Petrus 5:3).
Bij misbruik geldt dit met nog meer nadruk. Tucht is nooit een middel om te zwijgen. Mattheüs 18:15 vraagt van een slachtoffer van misbruik niet om eerst alleen naar de dader te gaan. Melden bij de politie of bij Veilig Thuis is geen kwaadspreken en gaat niet tegen Mattheüs 18 in, want de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs (Romeinen 13:4). Kerkelijke tucht over een dader vervangt geen aangifte, en van een slachtoffer mag nooit geëist worden dat het vergeeft en vergeet.
Waar christenen verschillen
Alle christenen die de Schrift volgen, erkennen dat de gemeente geroepen is om elkaar in liefde te vermanen (Galaten 6:1). Over de vorm verschillen kerken.
- Reformatorische kerken zien tucht als een kenmerk van de ware kerk en kennen de stappen van stille censuur, openbare censuur en afsnijding.
- Veel protestantse en evangelische gemeenten passen formele tucht zelden toe en houden het bij het pastorale gesprek. Zij wijzen erop dat tucht snel liefdeloos wordt en dat ieder eerst de balk uit het eigen oog moet doen (Mattheüs 7:5).
- In de doperse traditie kende de ban vaak ook de mijding: het vermijden van de omgang met wie gebannen was, met een beroep op 1 Korinthe 5:11.
Binnen de reformatorische kerken lopen de wegen vooral uiteen in de toepassing. Gaat de tucht ook over doopleden die geen belijdenis deden? Hoe vaak en hoe uitgebreid wordt er afgekondigd? Welke zonden komen bij de kerkenraad en welke blijven in het persoonlijke gesprek? Hoe uw eigen kerk hierin staat, kan uw predikant of kerkenraad u uitleggen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus noemt de prediking van het Evangelie en de christelijke ban samen de sleutelen des hemelrijks (vraag 83). Vraag 85 beschrijft de weg van de ban: wie onchristelijke leer of leven voert en na herhaalde broederlijke vermaning niet wil afstaan, wordt bij de gemeente aangebracht en kan worden uitgesloten. Het antwoord eindigt met de terugweg: zij worden 'wederom, als lidmaten van Christus en der gemeente, aangenomen, zo wanneer zij ware betering beloven en bewijzen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 31, vraag 85).
Artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de kerkelijke tucht, naast de zuivere prediking en de zuivere bediening van de sacramenten, een kenmerk van de ware kerk. Artikel 32 belijdt dat de ban gebruikt wordt naar Gods Woord, en verwerpt tegelijk menselijke regels die de gewetens binden. Zo houdt de belijdenis twee dingen bij elkaar: de kerk heeft van Christus de volmacht om te binden en te ontbinden (Mattheüs 18:18), en zij mag niet meer eisen dan Hij vraagt.
Als deze vraag u persoonlijk raakt
Staat u zelf onder censuur, of vreest u dat het zover komt? Dan bent u niet afgeschreven. Het doel van alle tucht is uw terugkeer, en de Heere Jezus is de Herder Die het afgedwaalde zoekt (Mattheüs 18:12). Van Hem staat geschreven: 'Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen' (Jesaja 42:3). Zoek het gesprek met uw ouderling of predikant, ook als dat moeite kost. Staat uw kind of iemand die u liefhebt onder tucht? Blijf hem of haar opzoeken en voor hem of haar bidden; ook u mag daarover met een ambtsdrager spreken.
Bent u gekwetst door tucht die hard of onrechtvaardig was? Dan is uw pijn echt, en hoeft u die niet weg te praten. De Heere belooft in hetzelfde hoofdstuk waarin Hij de harde herders bestraft, het gebrokene zelf te verbinden (Ezechiël 34:16). Praat erover met een ambtsdrager of gemeentelid die u vertrouwt, of met een predikant buiten uw eigen gemeente.
Gaat het om geweld of misbruik in een gezin, of om een kind? Bel Veilig Thuis via 0800-2000 (gratis, dag en nacht). In Vlaanderen: 1712. Wilt u aangifte doen of advies van de politie, bel dan 0900-8844. Na seksueel geweld kunt u gratis terecht bij het Centrum Seksueel Geweld via 0800-0188, ook als het langer geleden is. Bij direct gevaar: 112.
'En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder' (2 Thessalonicenzen 3:15)