Artikel 15 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Van de erfzonde
In het kort
Artikel 15 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de erfzonde door de ongehoorzaamheid van Adam over alle mensen is gekomen. Zij is een bederf van de hele natuur, dat ook kleine kinderen raakt en door de doop niet wordt uitgeroeid. Toch rekent God haar Zijn kinderen niet tot verdoemenis toe, maar vergeeft Hij haar uit genade.
De tekst van NGB 15
Wij geloven, dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht; welke is een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in den mens allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan; en zij is daarom zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen.
Zij is ook zelfs door den doop niet ganselijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein; hoewel zij nochtans den kinderen Gods tot verdoemenis niet toegerekend, maar door Zijn genade en barmhartigheid vergeven wordt; niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat 't gevoelen van deze verdorvenheid de gelovigen dikwijls zou doen zuchten, verlangende om van dit lichaam des doods verlost te worden.
En hierin verwerpen wij de dwaling der Pelagianen, die zeggen, dat deze zonde niet anders is dan uit navolging.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Wat is de erfzonde? Het is de zonde die wij van Adam erven. Artikel 15 zegt dat zij door de ongehoorzaamheid van Adam 'uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht'. Uitgebreid betekent hier: verspreid. Niemand staat erbuiten. Paulus schrijft hetzelfde in Romeinen 5: "door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood".
De erfzonde is dus geen zonde die wij zelf hebben uitgekozen. Zij is ons deel vanaf het begin van ons bestaan. De Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 3 hetzelfde. Door de val van Adam en Eva is onze natuur zo verdorven, dat wij allen "in zonden ontvangen en geboren worden".
Een bederf van de hele natuur
Wat is de erfzonde precies? Het artikel noemt haar 'een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek'. Verdorvenheid betekent bederf. Het gaat dus niet om één slechte gewoonte of één zwakke plek. De hele mens is erdoor aangetast, en dat gebrek wordt van ouders op kinderen doorgegeven.
Daarom zegt het artikel dat 'de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam'. Met het lichaam van de moeder is de moederschoot bedoeld. David belijdt dat in Psalm 51: "in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen". Een kind heeft nog niets verkeerds gedaan en is toch niet rein. Job vraagt: "Wie zal een reine geven uit den onreine", en hij antwoordt zelf dat niemand dat kan.
Een wortel van allerlei zonden
Daarna gebruikt het artikel een beeld. De erfzonde brengt 'in den mens allerlei zonden' voort, omdat zij in hem is 'als een wortel daarvan'. Een boze daad is als een vrucht, de erfzonde is de wortel eronder. Wat wij zeggen en doen, groeit uit wat wij zijn. Paulus zegt het van zichzelf: "in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont".
Het artikel spreekt hier ernstig. De erfzonde is 'zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen'. Genoegzaam betekent: genoeg. De erfzonde alleen maakt ons al schuldig voor God, nog voordat wij één eigen zonde doen. Paulus noemt ons daarom "van nature kinderen des toorns".
Ook na de doop
Het tweede deel van het artikel zegt dat de erfzonde 'ook zelfs door den doop niet ganselijk te niet gedaan' is. Ganselijk te niet gedaan betekent: helemaal weggenomen. Wie gedoopt is, heeft nog steeds een zondige natuur. Het artikel zegt daarmee niet dat de doop weinig betekent. Het zegt alleen dat de wortel van de zonde in dit leven niet uit ons verdwijnt.
Het artikel gebruikt hiervoor een tweede beeld. De zonde springt er 'altijd als opwellend water' uit, 'gelijk uit een onzalige fontein'. Een fontein is hier een bron. Onzalig betekent: rampzalig, onheilbrengend. Zoals een bron steeds nieuw water geeft, zo komt uit ons hart steeds nieuwe zonde voort. Ook een gelovige merkt dat elke dag.
Vergeven aan de kinderen Gods
Toch eindigt het artikel niet in somberheid. De erfzonde wordt de kinderen Gods 'tot verdoemenis niet toegerekend'. Toerekenen betekent: op iemands rekening zetten. God schrijft deze schuld niet op hun naam, maar vergeeft haar 'door Zijn genade en barmhartigheid'. Dat is geen verdienste van henzelf, maar een gave van Hem.
Het artikel voegt er direct een waarschuwing aan toe. Deze vergeving is er 'niet om in de zonde gerust te slapen'. Wie de zonde licht neemt omdat zij toch vergeven wordt, misbruikt de genade. Het besef van eigen verdorvenheid moet de gelovigen juist doen zuchten. Zij verlangen ernaar verlost te worden 'van dit lichaam des doods'. Ook Paulus roept: "Ik ellendig mens", en dankt daarna God door Jezus Christus.
Meer dan nadoen
Tot slot verwerpt het artikel 'de dwaling der Pelagianen'. Zij zeiden dat deze zonde 'niet anders is dan uit navolging'. Navolging betekent hier nadoen. Volgens hen wordt een mens zondaar doordat hij het slechte voorbeeld van anderen volgt. Het artikel wijst dat af. Dan zou een goed voorbeeld genoeg zijn. Maar volgens zondag 3 is er meer nodig: dat wij "door den Geest Gods wedergeboren worden".
Bijbelse onderbouwing
“Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”
Paulus leert dat de zonde door één mens in de wereld kwam, zoals het artikel zegt dat de erfzonde over het hele menselijk geslacht is uitgebreid.
“Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.”
David belijdt dat hij al bij zijn ontvangenis zondig was, zoals het artikel zegt dat kinderen al in de moederschoot besmet zijn.
“Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;”
Paulus noemt alle mensen van nature kinderen des toorns, omdat de erfzonde genoeg is om onder Gods oordeel te staan.
“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.”
Paulus erkent als gelovige dat in zijn vlees geen goed woont, zodat de zonde ook na de bekering blijft opwellen.
“Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.”
Job stelt dat uit een onreine geen reine voortkomt, zodat de zonde met de menselijke natuur wordt doorgegeven.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In de zestiende eeuw werd volop gesproken over de vraag wat de doop met de erfzonde doet. Het Concilie van Trente leerde dat de doop alles wegneemt wat werkelijk zonde is. De begeerte die bij de gedoopte overblijft, noemde Rome geen eigenlijke zonde. Artikel 15 zegt het anders. Wat na de doop overblijft, is nog steeds zonde en blijft opwellen, al wordt het de gelovigen niet tot verdoemenis toegerekend.
De verwerping van de Pelagianen gaat over een veel oudere dwaling. De Dordtse Leerregels komen er later op terug, in hoofdstuk III/IV, artikel 2. Daar staat ook dat de verdorvenheid van Adam op zijn nakomelingen is overgegaan. Dat gebeurde niet door navolging, maar door voortplanting van de verdorven natuur.
Om over door te praten
- Waarom gebruikt het artikel het beeld van een wortel, en wat zegt dat over het verschil tussen de zonde en onze zonden?
- Hoe verstaat u dat kleine kinderen volgens het artikel al besmet zijn, terwijl zij nog niets verkeerds hebben gedaan?
- Wat betekent het voor de manier waarop u naar uw doop kijkt, dat de doop de erfzonde niet geheel uitroeit?
- Waar merkt u in uw eigen leven dat de zonde opwelt als water uit een bron, en waar zoekt u dan hulp?
- Hoe kunnen het zuchten over de zonde en de troost van Gods vergeving in het leven van een gelovige samengaan?