Wie de Bijbel leest, ziet dat geloof en doop vaak samen genoemd worden. Daarom vragen veel mensen zich af of iemand die nooit gedoopt is, wel zalig kan worden. De vraag leeft bij volwassenen die laat tot geloof kwamen, bij ouders van een kind dat stierf voordat het gedoopt kon worden, en in gesprekken met rooms-katholieke familie.
Wat zegt de Bijbel over doop en redding?
De tekst die het vaakst genoemd wordt, staat aan het slot van het Markusevangelie. Daar zegt de Heere Jezus: 'Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden' (Markus 16:16). Let op de opbouw. In het eerste deel staan geloof en doop naast elkaar, omdat wie tot geloof komt, ook gedoopt wordt. In het tweede deel noemt de Heere alleen het ongeloof als grond van de verdoemenis. Hij zegt nergens dat wie niet gedoopt is, verdoemd wordt. Meer over het verband leest u in de uitleg van Markus 16.
Elders zegt de Heere Jezus hetzelfde zonder de doop te noemen: wie in de Zoon gelooft, wordt niet veroordeeld (Johannes 3:18). Paulus legt de redding helemaal bij Gods genade: 'Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave' (Efeze 2:8). De doop is geen tweede voorwaarde die daar nog bij moet komen. Onbelangrijk is hij daarmee niet: Christus heeft de doop Zelf ingesteld en er een rijke belofte aan verbonden. Op de pagina over de doop in de Bijbel vindt u de teksten op een rij.
Wordt een mens gered door het doopwater?
Sommige teksten lijken aan de doop zelf een reddende kracht toe te kennen. Petrus schrijft dat de doop 'ons nu ook behoudt' (1 Petrus 3:21). In dezelfde zin zegt hij welke doop hij bedoelt: geen afwassing van het vuil van het lichaam, wel een vraag van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus. Het water als zodanig redt dus niet. Wat redt, is waar de doop naar wijst: de gemeenschap met de opgestane Christus.
Zo noemt Paulus de doop 'het bad der wedergeboorte' (Titus 3:5), terwijl hij in hetzelfde vers zegt dat God ons zalig maakte naar Zijn barmhartigheid en door de vernieuwing van de Heilige Geest. De Bijbel noemt het teken hier met de naam van wat het betekent, zoals de Heere Jezus bij het Avondmaal van het brood zei: dat is Mijn lichaam (1 Korinthe 11:24).
Het duidelijkste voorbeeld is Abraham. Hij was al gerechtvaardigd door het geloof voordat hij besneden werd, en ontving de besnijdenis 'tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs' (Romeinen 4:11). Een zegel maakt een belofte niet waar; het bevestigt een belofte die al geldt. Zo is het ook met de doop, die Paulus met de besnijdenis verbindt (Kolossenzen 2:11-12). Cornelius en zijn huisgenoten ontvingen de Heilige Geest nog voordat zij gedoopt werden (Handelingen 10:44-48).
Wat leert de moordenaar aan het kruis?
Naast de Heere Jezus hing een misdadiger die in zijn laatste uren vroeg of Jezus aan hem wilde denken als Hij in Zijn Koninkrijk gekomen zou zijn (Lukas 23:42). Het antwoord kwam zonder voorwaarde: 'Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn' (Lukas 23:43). Van een doop lezen we bij deze man niets, en hij had geen gelegenheid meer om gedoopt te worden of enig goed werk te doen. Toch was hij diezelfde dag bij Christus.
Er wordt wel tegengeworpen dat de christelijke doop toen nog niet was ingesteld; dat gebeurde na de opstanding (Mattheüs 28:19). Dat klopt, maar de grond waarop deze man behouden werd, is dezelfde als voor ieder die na Pinksteren gelooft: het werk van Christus, aangenomen door het geloof. Ook de apostelen wezen geen andere weg. Paulus en Silas zeiden tegen de stokbewaarder in Filippi dat hij in de Heere Jezus moest geloven om zalig te worden; daarna werd hij in dezelfde nacht gedoopt (Handelingen 16:31-33). Bij hem kwam eerst het geloof en daarna het teken.
Hoe moet Handelingen 2:38 gelezen worden?
Op de Pinksterdag riep Petrus de menigte op: 'Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden' (Handelingen 2:38). Wie de doop als voorwaarde voor redding ziet, wijst graag op deze woorden. Toch verbindt Petrus in zijn volgende preek de vergeving alleen met bekering (Handelingen 3:19), en tegen Cornelius zegt hij dat ieder die in Christus gelooft, vergeving der zonden ontvangt door Zijn Naam (Handelingen 10:43).
In Handelingen 2 staat de doop dus naast de bekering als het zichtbare teken dat bij de vergeving hoort. Wie zich bekeerde, liet zich dopen en werd zo openlijk bij de gemeente gevoegd (Handelingen 2:41). Teken en zaak horen bij elkaar, ook al vallen ze niet samen.
Moet een christen gedoopt zijn?
Ja, wie tot geloof komt en nog niet gedoopt is, hoort zich te laten dopen. Christus gaf Zijn discipelen de opdracht alle volken te onderwijzen en hen te dopen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Mattheüs 28:19). Wie de doop bewust afwijst, gaat in tegen het gebod van Christus.
Er is dus verschil tussen de doop verachten en de doop missen. Wie gelooft en sterft voordat hij gedoopt kan worden, is niet verloren. Ook de hoop voor jonge kinderen van gelovige ouders hangt niet aan het doopwater; daarover gaat de vraag of baby's die sterven naar de hemel gaan. Wie zo'n verlies meedraagt, mag daarover ook in gesprek gaan met de predikant of ouderling. Waarom de ene kerk kinderen doopt en de andere alleen gelovigen, leest u bij kinderdoop of volwassendoop. Wie als volwassene gedoopt wil worden, kan het beste in gesprek gaan met de predikant of de kerkenraad.
Waar christenen verschillen
Vrijwel alle kerken belijden dat Christus de doop heeft ingesteld en dat een gelovige gedoopt hoort te worden. Het verschil gaat over wat de doop uitwerkt.
- Rooms-katholiek: de doop is noodzakelijk tot heil voor wie het evangelie gehoord heeft en gedoopt kon worden. De Catechismus van de Katholieke Kerk (nummer 1257) beroept zich op Johannes 3:5, en zegt tegelijk dat God Zelf niet aan Zijn sacramenten gebonden is. Wie sterft om het geloof of oprecht naar de doop verlangde, ontvangt volgens die leer de doop van bloed of van verlangen (nummers 1258-1260).
- Luthers: de Augsburgse Confessie (artikel 9) noemt de doop noodzakelijk tot zaligheid.
- Restauratiebeweging: sommige gemeenten uit deze beweging zien de doop van gelovigen als het moment waarop de zonden vergeven worden (Handelingen 2:38).
- Baptisten en evangelischen: de doop is een gehoorzame belijdenis na de bekering; hij redt niet, maar is wel geboden.
- Reformatorisch: de doop is een teken en zegel van Gods belofte, noodzakelijk omdat Christus het beveelt; God bindt Zijn genade echter niet aan het water.
Johannes 3:5 wordt daarbij verschillend gelezen. De Heere Jezus zegt daar dat niemand in het Koninkrijk Gods kan ingaan, 'zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest' (Johannes 3:5). Rooms-katholieken en lutheranen zien hier de doop. Calvijn verstond water en Geest in zijn commentaar op Johannes 3 als één werk: de Geest, Die reinigt zoals water reinigt. Vergelijk de belofte van rein water en een nieuwe Geest in Ezechiël 36:25-27. Een verschil over de doop maakt iemand nog geen ongelovige. Toch raakt de vraag het hart van het evangelie: redt Christus alleen, of Christus samen met een handeling?
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus noemt de sacramenten in Zondag 25 (vraag 66) heilige, zichtbare tekenen en zegels, door God ingesteld om ons de belofte van het evangelie beter te laten verstaan en die te verzegelen. In Zondag 26 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 71) wordt Markus 16:16 aangehaald als de belofte die Christus aan de doop verbonden heeft.
In Zondag 27 vraagt de catechismus of het uitwendige waterbad de afwassing van de zonden zelf is. Het antwoord is helder: 'Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 27, vraag 72). Waarom de Schrift de doop dan toch het bad der wedergeboorte noemt, legt vraag 73 uit: God wil ons door dit teken verzekeren dat wij net zo werkelijk van onze zonden gewassen zijn als ons lichaam met water gewassen wordt.
Artikel 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt hetzelfde: het water doet dit niet; de besprenging met het bloed van de Zoon van God reinigt ons van de zonden. Door de doop worden wij in de kerk van God ontvangen.
'Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus' (Romeinen 5:1)