Ga naar hoofdinhoud

Bevestiging van ouderlingen en diakenen: het formulier met uitleg

In het kort

Dit formulier wordt gelezen wanneer nieuwe ouderlingen en diakenen in hun ambt worden bevestigd. Het legt uit wat beide ambten inhouden, stelt de broeders drie vragen, vermaant hen en de gemeente, en sluit af met een gebed.

In kerken die de klassieke formulieren gebruiken, worden nieuwe ouderlingen en diakenen in een kerkdienst in hun ambt bevestigd. De predikant leest daarbij een vaste tekst voor: het formulier van bevestiging der ouderlingen en diakenen. Het legt uit waar beide ambten in de Bijbel vandaan komen en wat ouderlingen en diakenen moeten doen. Daarna beantwoorden de broeders drie vragen met 'Ja wij'.

Bent u gekozen tot ouderling of diaken? Of wilt u weten wat u als gemeente van uw ambtsdragers mag verwachten? Dan leest u hier wat er bij de bevestiging gezegd en gevraagd wordt.

Op deze pagina staat de volledige tekst, opgedeeld in negen delen. Bij elk deel vindt u een korte uitleg, de betekenis van oude woorden en Bijbelteksten uit de Statenvertaling. Onderaan leest u waar de tekst vandaan komt en hoe hij is nagelezen.

Deel 1

De opening: niemand bracht een wettig bezwaar in

Geliefde Christenen, gijlieden weet hoe wij nu tot onderscheiden reizen u voorgedragen hebben de namen van onze tegenwoordige medebroeders die tot den dienst van het ouderlingschap en van het diakenschap dezer gemeente verkoren zijn, om te vernemen of iemand wat had waarom zij in hun ambt niet zouden behoren bevestigd te worden. Het is nu alzo, dat voor ons niemand is verschenen die iets wettigs tegen hen voorgebracht heeft; waarom wij thans in den Naam des Heeren tot de bevestiging zullen voortvaren.

Om hiertoe te komen, zult gij, broeders die men bevestigen zal, en voorts allen die hier tegenwoordig zijt, vooreerst aanhoren, uit den Woorde Gods, een korte verklaring van de instelling en het ambt der ouderlingen en diakenen.

Uitleg

Het formulier begint met een terugblik. De namen van de nieuwe ouderlingen en diakenen zijn 'tot onderscheiden reizen' aan de gemeente voorgedragen, dat wil zeggen: op verschillende keren afgekondigd. Zo kon ieder lid een bezwaar inbrengen. Er is echter niemand verschenen 'die iets wettigs tegen hen voorgebracht heeft'. Wettig betekent hier: een bezwaar dat op goede gronden rust.

Daarom gaat de kerk verder 'in den Naam des Heeren'. De broeders zijn verkoren, maar de bevestiging gebeurt niet op eigen gezag van de kerkenraad. In de eerste vraag komt dat terug: wie door de gemeente wettig geroepen is, is door God Zelf geroepen.

Daarna kondigt het formulier aan wat volgt: eerst een korte verklaring 'van de instelling en het ambt der ouderlingen en diakenen'. Die is bedoeld voor de nieuwe ambtsdragers en ook voor 'allen die hier tegenwoordig zijt'. De gemeente moet dus weten wat zij van haar ouderlingen en diakenen mag verwachten. In de uitgave van 1897 zegt de titel dat het formulier dient voor beide ambten tegelijk of voor elk afzonderlijk, naar gelegenheid.

Uit de Bijbel

  • Handelingen 14:23

    “En als zij in elke Gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden.”

    Paulus en Barnabas laten in elke gemeente ouderlingen verkiezen en bevelen hen met gebed de Heere aan, zoals ook hier verkiezing en bevestiging samengaan.

  • 1 Timotheüs 3:10

    “En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn.”

    Paulus wil dat diakenen eerst beproefd worden; daarbij past dat de gemeente vooraf bezwaar kan inbrengen tegen de afgekondigde namen.

Deel 2

Twee soorten ouderlingen en de raad der kerk

Belangende de ouderlingen is aan te merken, dat het woord ouderling of oudste (hetwelk uit het Oude Testament is genomen, en een persoon betekent die in een aanzienlijk ambt van regering over anderen gesteld is) toegeschreven wordt aan tweeërlei personen die in de Kerk van Jezus Christus dienen; want de apostel zegt: De ouderlingen die wel regeren, zullen dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Daar ziet men dat in de apostolische Kerk twee soorten van ouderlingen zijn geweest, waarvan de eersten hebben gearbeid in het Woord en de leer, en de anderen niet. De eersten waren de dienaren des Woords en herders, die het Evangelie verkondigden en de sacramenten bedienden; maar de anderen, die niet in het Woord arbeidden, en nochtans mede in de gemeente dienden, droegen een bijzonder ambt; dat zij namelijk over de Kerk opzicht hadden, en die regeerden, met de dienaren des Woords; want Paulus, Rom. 12:8, gesproken hebbende van het leerambt, en ook van het ambt der uitdeling of diakenschap, spreekt daarna van dezen dienst afzonderlijk, zeggende: Die een voorstander is, dat hij zulks doe in naarstigheid. Insgelijks op een andere plaats vermeldt hij onder de gaven en ambten die God in de gemeente gesteld heeft: de regering.

Zo is dan deze soort van dienaren den anderen, die het Evangelie prediken, tot hulp en bijstand, gelijk in het Oude Testament de gemene Levieten in den dienst des tabernakels den priesters bijgevoegd waren, als medehelpers in hetgeen de priesters alleen niet hadden kunnen doen; blijvende nochtans die ambten altijd onderscheiden. Bovendien is het goed dat bij de dienaren des Woords zodanigen mannen tot mederegeerders gevoegd worden, teneinde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worde alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken wanneer bij één alleen, of bij zeer weinigen, de regering staat. En alzo maken de dienaren des Woords en de ouderlingen tezamen een college of gezelschap, zijnde als een raad der Kerk en vertonende de gehele gemeente; waarop de Heere Christus ziet wanneer Hij zegt: Zeg het der gemeente; hetwelk geenszins verstaan kan worden van alle lidmaten der gemeente ieder in het bijzonder, maar zeer bekwamelijk van degenen die de gemeente waarvan zij verkoren zijn, regeren.

Uitleg

Het formulier legt eerst het woord ouderling uit. Het komt uit het Oude Testament en wijst op iemand die 'in een aanzienlijk ambt van regering over anderen gesteld is'. Denk aan de oudsten van Israël. Het gaat dus niet in de eerste plaats om leeftijd, maar om een taak van leiding.

Met 1 Timotheüs 5:17 laat het formulier zien dat er in de apostolische kerk twee soorten ouderlingen waren. Sommigen arbeidden 'in het Woord en de leer': dat zijn de dienaren des Woords, de predikanten. Anderen preekten niet, maar hadden opzicht over de kerk en regeerden haar samen met de predikanten. Paulus noemt die dienst afzonderlijk in Romeinen 12:8, bij wie een voorstander is.

Deze ouderlingen staan de predikanten bij, zoals 'de gemene Levieten', de gewone Levieten, de priesters hielpen in de tabernakel. De ambten blijven wel onderscheiden. Er is nog een reden voor dit ambt. Als de regering bij één of bij zeer weinigen ligt, kan er gemakkelijker 'tirannie en heerschappij' insluipen. Het bestuur wordt daarom gedeeld.

Predikanten en ouderlingen vormen samen 'een college of gezelschap', een raad die de gemeente vertegenwoordigt. Het oude woord vertonen betekent hier: vertegenwoordigen. Daarom past het formulier het woord van Christus 'Zeg het der gemeente' toe op deze raad, en niet op elk lid afzonderlijk. Bekwamelijk betekent: passend. Zo ontstaat wat wij de kerkenraad noemen. Het formulier noemt hier alleen predikanten en ouderlingen, omdat het over de regering gaat. De Nederlandse Geloofsbelijdenis rekent in artikel 30 ook de diakenen tot de raad der kerk.

Uit de Bijbel

  • 1 Timotheüs 5:17

    “Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.”

    Dit is de tekst die het formulier aanhaalt om twee soorten ouderlingen te onderscheiden: die regeren en die ook arbeiden in het Woord.

  • Romeinen 12:8

    “Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.”

    Paulus noemt hier zowel wie uitdeelt als wie een voorstander is, en het formulier beroept zich erop voor beide ambten.

  • Numeri 18:2

    “En ook zult gij uw broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar gij, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent der getuigenis.”

    De stam van Levi werd de priesters bijgevoegd om hen te dienen, het beeld dat het formulier gebruikt voor de ouderlingen naast de predikanten.

  • Mattheüs 18:17

    “En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.”

    Christus zegt dat een onboetvaardige broeder aan de gemeente gemeld moet worden, wat het formulier betrekt op de raad der kerk.

Deel 3

Het ambt van de ouderlingen: opzicht, orde en toezicht

Zo is dan ten eerste het ambt der ouderlingen, met de dienaren des Woords, opzicht te hebben over de gemeente die hun bevolen is; naarstiglijk toe te zien of een iegelijk zich behoorlijk gedraagt in belijdenis en in wandel; die zich onstichtelijk gedragen, te vermanen, en te verhoeden dat de sacramenten niet ontheiligd worden, zoveel mogelijk is; ook mede tegen de onboetvaardigen, volgens de Christelijke discipline of kerkelijke tucht, te handelen, en de boetvaardigen weder in den schoot der Kerk te ontvangen; gelijk niet alleen blijkt uit de voormelde uitspraak van Christus, maar ook uit meer andere uitspraken der Schrift, dat deze dingen niet staan bij één of twee personen alleen, maar bij velen die daartoe gesteld zijn.

Ten tweede, naardien de apostel beveelt dat onder de Christenen alles betamelijk en ordelijk zal toegaan, en niemand anders dan door wettige beroeping in de Kerk van Christus behoort te dienen, volgens de Christelijke ordinantie daarvan zijnde; zo is mede het werk der ouderlingen daarop acht te nemen, en in alle voorvallende zaken die den welstand en de goede orde der Kerk betreffen, met goeden raad den dienaren des Woords behulpzaam te zijn; ja, ook met raad en troost alle gemene Christenen te dienen.

Ten derde is hun ambt, inzonderheid mede toezicht te nemen op de lering en den wandel der dienaren des Woords, teneinde alles tot stichting der Kerk gericht moge worden, en dat geen vreemde leer worde voorgesteld, volgens hetgeen wij lezen Hand. 20:28, waar de apostel vermaant naarstige wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus mochten komen. Om hetwelk te doen, de ouderlingen schuldig zijn Gods Woord naarstig te doorzoeken, en zichzelven geduriglijk te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs.

Uitleg

Het formulier noemt drie taken. De eerste is opzicht over de gemeente, samen met de predikant. De ouderlingen zien toe of ieder zich 'behoorlijk gedraagt in belijdenis en in wandel', dus in wat hij gelooft en hoe hij leeft. Wie zich onstichtelijk gedraagt en anderen ergernis geeft, moeten zij vermanen.

Bij die eerste taak hoort ook de zorg voor de sacramenten. Er staat 'te verhoeden dat de sacramenten niet ontheiligd worden'. Dat laatste niet lijkt overbodig, maar staat in beide oude drukken; het oude Nederlands gebruikte een dergelijke extra ontkenning vaker. Bedoeld is: voorkomen dat doop en avondmaal ontheiligd worden. Tegen onboetvaardigen handelen de ouderlingen naar de kerkelijke tucht. Wie zich bekeert, ontvangen zij weer 'in den schoot der Kerk'.

De tweede taak gaat over orde. De apostel wil dat alles 'betamelijk en ordelijk' toegaat en dat niemand zonder wettige roeping in de kerk dient. Naardien betekent: aangezien. De ouderlingen letten op die orde en helpen de predikant met goede raad in alles wat de kerk aangaat. Zij dienen ook 'alle gemene Christenen', alle gewone gemeenteleden, met raad en troost.

De derde taak valt op. De ouderlingen houden ook toezicht op 'de lering en den wandel der dienaren des Woords'. De predikant staat dus niet buiten het opzicht. Met Handelingen 20:28 waarschuwt het formulier voor wolven in de schaapskooi, dat zijn dwaalleraars. Daarom moeten ouderlingen zelf de Schrift naarstig onderzoeken. Zij moeten zich oefenen in de overlegging, dat is de overdenking, van 'de verborgenheden des geloofs'.

Uit de Bijbel

  • Handelingen 20:28-29

    “Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.”

    Paulus zegt de opzieners van Efeze acht te hebben op de kudde, want er zullen zware wolven inkomen: de plaats die het formulier noemt.

  • 1 Korinthe 14:40

    “Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.”

    Paulus wil dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden, de grond onder de tweede taak van de ouderlingen.

  • Titus 1:9

    “Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.”

    Een opziener moet vasthouden aan het getrouwe woord en tegensprekers kunnen weerleggen, zoals de ouderlingen vreemde leer moeten weren.

Deel 4

Het ambt van de diakenen: verzamelen en uitdelen

Aangaande de diakenen kunnen wij van hun oorsprong en instelling lezen in de Handelingen der Apostelen. Aldaar vinden wij dat in het begin de apostelen zelven de bediening der armen gehad hebben; aan wier voeten gelegd werd de prijs der verkochte goederen; en aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had. Maar alzo daarna een murmurering ontstond, omdat de weduwen der Grieken in de dagelijkse bediening overgeslagen werden; zo zijn door de vermaning der apostelen mannen gekoren geworden die eigenlijk hun werk van de bediening der armen maken zouden, opdat de apostelen in het gebed en in de bediening des Woords te beter mochten volharden. En dit is van dien tijd af onderhouden geweest in de Kerk, gelijk blijkt uit Rom. 12:8, alwaar de apostel, van dezen dienst sprekende, zegt dat degenen die uitdelen, zulks doen zullen in eenvoudigheid. En elders sprekende van de behulpsels, bedoelt hij degenen die in de gemeente gesteld zijn om de armen en ellendigen te helpen in den nood.

Uit welke plaatsen genoeg te zien is welk het ambt is der diakenen; namelijk, ten eerste, dat zij in alle getrouwigheid en naarstigheid de aalmoezen en goederen, die den armen gegeven worden, verzamelen en bewaren; ja, ook vlijtig zijn, om te helpen toezien dat tot hulp der armen vele goede middelen gevonden mogen worden. Het tweede deel van hun ambt bestaat in de uitdeling, waartoe vereist wordt, niet alleen gave van onderscheiding en voorzichtigheid, om de aalmoezen niet te besteden dan waar het nodig is, maar ook blijmoedigheid en eenvoudigheid om met een bewogen hart en toegenegen gemoed de armen te helpen, gelijk de apostel eist, Rom. 12:8 en 2 Kor. 9:7. Waartoe zeer goed is, dat zij niet alleen met de uiterlijke gift, maar ook met troostelijke redenen uit het Woord Gods, aan de armen en ellendigen hulp bewijzen.

Uitleg

Voor de diakenen begint het formulier bij het boek Handelingen. Eerst deden de apostelen zelf het werk voor de armen. De opbrengst van verkochte goederen werd aan hun voeten gelegd, en ieder kreeg 'naar dat elk van node had', naar wat hij nodig had. Toen ontstond er murmurering, dat is gemor, omdat de weduwen van de Grieken bij de dagelijkse uitdeling werden overgeslagen. Volgens de kanttekening bij Handelingen 6:1 waren dat Joden die in Griekse landen geboren waren en Grieks spraken.

Daarop werden mannen gekozen die 'eigenlijk', dat is speciaal, het werk van de armenzorg op zich namen. Zo konden de apostelen zich wijden aan het gebed en de bediening van het Woord. Volgens het formulier is dit sinds die tijd in de kerk onderhouden. Het formulier zegt dat de apostel 'elders' van de behulpsels spreekt; het kerkboek van 1774 noemt hier 1 Korinthe 12:28. Het formulier verstaat daaronder helpers voor armen en ellendigen.

Het ambt heeft twee delen. Het eerste is verzamelen en bewaren 'in alle getrouwigheid en naarstigheid', met trouw en ijver. Diakenen denken ook mee over 'vele goede middelen' om de armen te helpen. Het tweede deel is uitdelen. Daarvoor is onderscheiding nodig, zodat de gaven gaan waar het nodig is. Er is ook blijmoedigheid en eenvoudigheid nodig, met een 'bewogen hart en toegenegen gemoed'. Volgens de kanttekening bij Romeinen 12:8 betekent eenvoudigheid hier: met een medelijdend hart, niet hoogmoedig tegen de armen en niet uit gunst of nijd gevend.

Het slot laat zien dat het diakenambt meer is dan geld geven. Diakenen helpen de armen ook 'met troostelijke redenen uit het Woord Gods'. Redenen betekent hier: woorden.

Uit de Bijbel

  • Handelingen 4:34-35

    “Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen. En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had.”

    De prijs van de verkochte goederen werd aan de voeten van de apostelen gelegd en uitgedeeld naar ieders nood, zoals het formulier navertelt.

  • Handelingen 6:1-2

    “En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden. En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen.”

    Het gemor over de verzuimde weduwen leidde tot de keuze van mannen voor de armenzorg, de oorsprong die het formulier noemt.

  • 1 Korinthe 12:28

    “En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.”

    Onder de gaven die God in de gemeente stelde, noemt Paulus behulpsels en regeringen, woorden die het formulier voor beide ambten gebruikt.

  • 2 Korinthe 9:7

    “Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.”

    God heeft een blijmoedigen gever lief, en het formulier vraagt diezelfde blijmoedigheid van de diakenen bij het uitdelen.

Deel 5

De drie vragen en het ja-woord

Teneinde dan, geliefde broeders N. N., een iegelijk moge horen dat gij gezind zijt den voorzeiden dienst (of: de voorzeide diensten, elk in het zijne) aan te nemen, zo zult gij antwoorden op hetgeen u voorgehouden zal worden.

En eerstelijk vraag ik u, ouderlingen en diakenen, of gij niet gevoelt in uw harten dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God Zelven, tot dezen heiligen dienst (of: tot deze heilige diensten, elk in het zijne) beroepen zijt?

Ten tweede, of gij de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments houdt voor het enige Woord Gods en de volkomen leer der zaligheid, en alle leringen verwerpt die daartegen strijden?

Ten derde, of gij belooft uw ambt, gelijk dit hiervoor beschreven is, volgens deze leer getrouwelijk naar uw vermogen te bedienen; gij ouderlingen N. N., in de Kerkregering nevens de dienaren des Woords, en gij diakenen N. N., in de bediening der armen; en ook gezamenlijk belooft u in alle godzaligheid te gedragen; mede u onderwerpende aan de kerkelijke vermaningen, indien gij u kwaamt te ontgaan?

Hierop zullen zij antwoorden:

Ja wij.

En daarop zal de dienaar zeggen:

De almogende God en Vader geve u allen tezamen Zijn genade, dat gij in dezen uw dienst (of: in deze uw diensten) getrouwelijk en vruchtbaar moogt verkeren.

Amen.

Uitleg

Nu worden de nieuwe ambtsdragers bij naam genoemd; daarvoor staat N. N. in de tekst. Tussen haakjes staan de woorden voor het geval ouderlingen en diakenen samen bevestigd worden: dan aanvaardt ieder 'elk in het zijne', zijn eigen ambt. De broeders moeten hardop antwoorden, zodat 'een iegelijk', ieder in de kerk, hoort dat zij het ambt willen aannemen.

De eerste vraag gaat over de roeping. Voelen zij in hun hart dat zij 'wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God Zelven' geroepen zijn? Mitsdien betekent: daarom. De vraag is dus niet of iemand zich geschikt voelt. Gevraagd wordt of hij in zijn hart erkent dat de wettige roeping door de gemeente de roeping van God is. Wie tegen het ambt opziet, mag weten dat het formulier zelf zegt: 'wij van onszelven hiertoe onbekwaam zijn'. Daarom volgt er een gebed om de gaven die nodig zijn.

De tweede vraag gaat over de leer. Houden zij de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament voor 'het enige Woord Gods en de volkomen leer der zaligheid'? En verwerpen zij wat daartegen ingaat? De derde vraag is een belofte. Zij beloven hun ambt 'volgens deze leer' trouw te bedienen naar hun vermogen: de ouderlingen in de kerkregering, de diakenen in de bediening der armen.

Bij de derde vraag hoort ook een belofte over henzelf. Zij zullen zich godzalig gedragen en zich onderwerpen aan kerkelijke vermaning 'indien gij u kwaamt te ontgaan', dat is: als zij zich zouden misgaan. Ook ambtsdragers staan dus onder opzicht. Zij antwoorden samen met 'Ja wij'. Daarna spreekt de predikant de zegenwens uit dat de almogende, dat is almachtige, God hun Zijn genade geve. Zo mogen zij in hun dienst 'getrouwelijk en vruchtbaar' verkeren, dat wil zeggen: werkzaam zijn.

Uit de Bijbel

  • Hebreeën 5:4

    “En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron.”

    Niemand neemt zichzelf die eer aan, maar wie van God geroepen wordt, en daarover gaat de eerste vraag.

  • 2 Timotheüs 3:16

    “Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;”

    Al de Schrift is van God ingegeven, wat de tweede vraag belijdt met de woorden het enige Woord Gods.

  • 1 Korinthe 4:2

    “En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.”

    Van uitdelers wordt vereist dat zij getrouw bevonden worden, de trouw die de derde vraag van de ambtsdragers vraagt.

Deel 6

De vermaning aan ouderlingen en diakenen

En voorts zal hij hen vermanen (mitsgaders ook de gehele gemeente) op de volgende wijze:

Zo weest dan, gij ouderlingen, naarstig in de regering der Kerk, die u nevens de dienaren des Woords bevolen is. Zijt mede als wachters over het huis en de stad Gods, om eenieder getrouwelijk te vermanen, en te waarschuwen voor zijn verderf. Hebt acht op de onderhouding van de zuiverheid der leer en de vroomheid des levens in de gemeente des Heeren.

En gij diakenen, zijt vlijtig in de verzameling der aalmoezen, voorzichtig en blijmoedig in het uitreiken daarvan. Komt den bedrukten te hulp; verzorgt de rechte weduwen en wezen; bewijst weldadigheid aan alle mensen, maar inzonderheid aan de huisgenoten des geloofs.

Zijt allen gezamenlijk in uw dienst getrouw, en behoudt de verborgenheid des geloofs in een reine consciëntie, goede voorgangers zijnde voor geheel het volk. Alzo zult gij uzelven een goeden opgang verkrijgen en veel vrijmoedigheid in het geloof hetwelk is in Christus Jezus, en hiernamaals ingaan in de vreugde uws Heeren.

Uitleg

Na het ja-woord volgt een vermaning. Zij is voor de nieuwe ambtsdragers, maar 'mitsgaders', dat is: en ook, voor de hele gemeente. Eerst de ouderlingen. Zij moeten naarstig zijn in de regering van de kerk. Zij zijn 'als wachters over het huis en de stad Gods'. Dat beeld komt uit de profeten: een wachter ziet het gevaar komen en waarschuwt op tijd.

De ouderlingen letten daarom op twee dingen: 'de zuiverheid der leer en de vroomheid des levens'. Het formulier noemt leer en leven in één adem. Een ouderling waakt dus niet alleen over wat er gepreekt wordt, maar ook over hoe de gemeente leeft.

Daarna de diakenen. Zij moeten vlijtig zijn in het verzamelen en 'voorzichtig en blijmoedig' in het uitreiken. Zij verzorgen 'de rechte weduwen en wezen', dat zijn weduwen en wezen die werkelijk hulp nodig hebben. Hun weldadigheid geldt alle mensen, maar het meest de huisgenoten des geloofs.

Tot slot klinkt een woord voor allen samen. Zij moeten trouw zijn en 'de verborgenheid des geloofs in een reine consciëntie' bewaren, dus het geloof vasthouden met een zuiver geweten. Die woorden komen uit 1 Timotheüs 3:9, waar Paulus over de diakenen schrijft; de Statenvertaling heeft daar rein geweten. Wie zo dient, krijgt 'een goeden opgang' en vrijmoedigheid in het geloof. Opgang betekent hier zoiets als een goede trede of plaats. Het einddoel is 'ingaan in de vreugde uws Heeren'.

Uit de Bijbel

  • Ezechiël 3:17

    “Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.”

    God stelt de profeet tot wachter over het huis Israëls om te waarschuwen, het beeld dat het formulier op de ouderlingen toepast.

  • 1 Timotheüs 5:3

    “Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn.”

    Paulus spreekt over weduwen die waarlijk weduwen zijn, wat het formulier de rechte weduwen noemt.

  • 1 Timotheüs 3:13

    “Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelven een goeden opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus.”

    Wie wel gediend heeft, verkrijgt een goeden opgang en vrijmoedigheid in het geloof, woorden die het formulier bijna letterlijk aanhaalt.

  • Mattheüs 25:21

    “En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.”

    De goede en getrouwe dienstknecht mag ingaan in de vreugde van zijn heer, de belofte waarmee de vermaning eindigt.

Deel 7

De vermaning aan de gemeente

Aan de andere zijde, geliefde Christenen, ontvangt deze mannen als dienstknechten Gods. Wilt de ouderlingen die wel regeren, dubbele eer waardig achten; begeeft u gewilliglijk onder hun opzicht en regering. Voorziet de diakenen met goede middelen tot hulp der armen. Zijt weldadig, gij rijken, geeft mildelijk, en deelt gaarne mede. En gij armen, zijt arm van geest, en gedraagt u jegens uw verzorgers in allen eerbied; weest dankbaar jegens hen, en murmureert niet. Volgt Christus om de spijze der ziel, en niet om het brood. Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene die nood heeft. Dit doende, elk in het zijne, zult gij van den Heere ontvangen het loon der gerechtigheid.

Uitleg

Nu keert het formulier zich tot de gemeente. Zij moet de nieuwe ambtsdragers ontvangen 'als dienstknechten Gods'. Ouderlingen die goed regeren, verdienen dubbele eer, met de woorden van 1 Timotheüs 5:17. De gemeente stelt zich 'gewilliglijk', dat is van harte, onder hun opzicht en regering.

Aan de diakenen moet de gemeente middelen geven voor de armen. Deze zinnen over diakenen, rijken en armen horen bij wat alleen de diakenen betreft. De rijken worden opgeroepen weldadig te zijn en 'mildelijk', ruimhartig, te geven. Ook de armen krijgen een opdracht. Zij moeten arm van geest zijn, nederig voor God, en eerbiedig en dankbaar tegenover wie hen verzorgt. Zij mogen niet murmureren, niet morren.

Een scherpe zin is dat de armen Christus moeten volgen 'om de spijze der ziel, en niet om het brood'. Dat herinnert aan de schare die Jezus zocht omdat zij van de broden had gegeten. Daarna haalt het formulier Efeze 4:28 aan, hier tot de armen gericht. Ook wie hulp ontvangt, moet zo veel hij kan zelf werken met zijn handen, zodat hij iets heeft om te delen.

Wie zo zijn plaats inneemt, 'elk in het zijne', ontvangt van de Heere het loon der gerechtigheid. Dat loon is uit genade en geen verdienste, zoals de Heidelbergse Catechismus in Zondag 24 leert.

Uit de Bijbel

  • Hebreeën 13:17

    “Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.”

    De gemeente moet haar voorgangers gehoorzaam zijn, omdat zij waken voor de zielen, en zo vraagt het formulier onderwerping aan het opzicht.

  • 1 Timotheüs 6:17-18

    “Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten; Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;”

    De rijken moeten weldadig zijn en gaarne mededelen, de opdracht die het formulier aan de rijken in de gemeente geeft.

  • Johannes 6:26

    “Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt.”

    Jezus zegt tegen de schare dat zij Hem zoekt om de broden, de achtergrond van de waarschuwing aan de armen.

  • Efeze 4:28

    “Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft.”

    Het formulier neemt deze woorden over: wie gestolen heeft, moet werken om te kunnen delen met wie nood heeft.

Deel 8

Het gebed voor de ambtsdragers en de gemeente

Doch alzo wij van onszelven hiertoe onbekwaam zijn, zo laat ons den almachtigen God aldus aanroepen:

Heere God, hemelse Vader, wij danken U dat het U beliefd heeft, tot meerderen wasdom Uwer Kerk, daarin te verordenen, nevens de dienaren des Woords, regeerders en helpers, waardoor Uw gemeente in goeden vrede en welstand zou kunnen bewaard worden, en de arme mensen onderhouden; en dat Gij ons thans in deze plaats verleend hebt mannen van goede getuigenis, en die begaafd zijn met Uw Geest.

Wij bidden U, verleen hun meer en meer zodanigen gaven als hun in hun bediening nodig zijn: de gave der wijsheid, der kloekheid, der onderscheiding en der weldadigheid; teneinde eenieder zich behoorlijk kwijte in zijn ambt: de ouderlingen, in vlijtig opzicht te nemen op de leer en den wandel, in het weren der wolven uit de schaapskooi van Uw lieven Zoon, en in het vermanen en bestraffen der ongeregelde mensen; insgelijks de diakenen, in het naarstig ontvangen en mild en voorzichtig uitdelen der aalmoezen aan de armen, ook mede in het lieflijk vertroosten van dezen met Uw heilig Woord.

Schenk aan beiden, de ouderlingen en de diakenen, Uw genade, dat zij in hun getrouwen arbeid volstandiglijk voortgaan, zonder door enige moeite, verdriet, of vervolging der wereld, immermeer te vertragen. Verleen ook inzonderheid Uw Goddelijken zegen aan dit volk, waarover zij gesteld zijn, opdat zij zichzelven aan de goede vermaning der ouderlingen gaarne onderwerpen, hen in eer houdende om huns ambts wil; geef den rijken milde harten tot de armen, en den armen een dankbaar gemoed jegens degenen die hen helpen en bedienen; teneinde alzo een iegelijk zich kwijtende in zijn ambt, Uw heilige Naam daardoor grootgemaakt, en het Rijk Uws Zoons Christus bevorderd moge worden; in Wiens Naam wij ons gebed besluiten, zeggende:

Uitleg

Het formulier erkent dat niemand dit uit eigen kracht kan, omdat 'wij van onszelven hiertoe onbekwaam zijn'. Daarom volgt een gebed. Het begint met dank dat God in Zijn kerk 'regeerders en helpers' heeft ingesteld naast de dienaren des Woords. Wasdom betekent groei. Het doel is dat de gemeente in vrede bewaard wordt en de armen onderhouden worden.

God wordt ook gedankt voor de mannen zelf, 'van goede getuigenis, en die begaafd zijn met Uw Geest'. Dat herinnert aan de eis bij de eerste diakenen in Handelingen 6:3. Daarna vraagt het gebed om 'de gave der wijsheid, der kloekheid, der onderscheiding en der weldadigheid'. Kloek betekent in het oude Nederlands moedig en bekwaam; het kerkboek van 1774 heeft hier dapperheid. In Exodus 18:21 krijgt Mozes de raad om naar kloeke mannen om te zien.

Voor beide ambten wordt concreet gebeden. Voor de ouderlingen om opzicht op leer en wandel, om 'het weren der wolven uit de schaapskooi' en om het vermanen van ongeregelde mensen. Voor de diakenen om het mild en voorzichtig uitdelen en om het vertroosten van de armen met Gods Woord. Daarna vraagt het gebed om volharding. Zij mogen niet vertragen, dat is verslappen, door moeite, verdriet of vervolging.

Het gebed eindigt bij de gemeente. Zij moet zich graag onderwerpen aan de vermaning van de ouderlingen en hen eren 'om huns ambts wil'. Voor de rijken wordt om milde harten gebeden, voor de armen om een dankbaar gemoed. Het doel is groter dan de plaatselijke kerk: dat Gods Naam wordt grootgemaakt en het Rijk van Christus wordt bevorderd.

Uit de Bijbel

  • Handelingen 6:3

    “Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.”

    De eerste diakenen moesten goede getuigenis hebben en vol zijn van de Heilige Geest en wijsheid, waarvoor het gebed God dankt.

  • Exodus 18:21

    “Doch zie gij om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, oversten der tienen.”

    Mozes moest kloeke, godvrezende mannen over het volk stellen, wat licht werpt op de gave der kloekheid in het gebed.

  • 1 Thessalonicenzen 5:12-13

    “En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in den Heere, en u vermanen; En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.”

    Paulus vraagt de gemeente haar voorstanders zeer te achten om hun werk, zoals het gebed vraagt hen te eren om hun ambt.

  • 1 Korinthe 15:58

    “Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.”

    Paulus roept op standvastig te zijn in het werk des Heeren, de volharding waarom het gebed vraagt.

Deel 9

Het Onze Vader

Onze Vader, Die in de hemelen zijt,

Uw Naam worde geheiligd.

Uw Koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.

Amen.

Uitleg

Het gebed sluit 'in Wiens Naam' af met het gebed dat Christus Zelf Zijn discipelen leerde. Zo eindigen meer formuliergebeden. Het Onze Vader vat samen waar het in deze dienst om gaat. Gods Naam moet geheiligd worden, Zijn Koninkrijk moet komen en Zijn wil moet gebeuren, ook door het werk van ouderlingen en diakenen.

Wie het Onze Vader hier bidt, kan bij de bede om het dagelijks brood denken aan het werk van de diakenen voor de armen. Het gebed vroeg net dat de ambtsdragers niet zouden vertragen door moeite, verdriet of vervolging der wereld. Daar sluit de bede om verlossing van den boze bij aan. De Heidelbergse Catechismus legt het Onze Vader uit in de zondagen 45 tot en met 52.

Uit de Bijbel

  • Mattheüs 6:9-13

    “Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.”

    Het gebed des Heeren, waarmee het formulier besluit, zoals Christus het Zijn discipelen leerde.

Veelgestelde vragen

Wat zegt het bevestigingsformulier over de taak van een ouderling?

Het formulier noemt drie taken. Ouderlingen hebben samen met de predikant opzicht over de gemeente: zij letten op belijdenis en wandel, vermanen en oefenen de kerkelijke tucht. Zij zorgen voor goede orde en helpen de predikant met raad. En zij houden toezicht op de leer en het leven van de predikanten, zodat er geen vreemde leer gebracht wordt. Daarvoor moeten zij zelf de Schrift goed onderzoeken.

Wat is volgens het formulier de taak van een diaken?

De diaken verzamelt en bewaart trouw de gaven voor de armen en denkt mee over goede middelen om hen te helpen. Daarna deelt hij uit, met onderscheiding, zodat de hulp terechtkomt waar zij nodig is. Het formulier vraagt daarbij blijmoedigheid en een bewogen hart. Ook troost de diaken de armen met het Woord van God. Het ambt gaat terug op de mannen die in Handelingen 6 voor de weduwen gingen zorgen.

Welke vragen krijgen ouderlingen en diakenen bij hun bevestiging?

Er zijn drie vragen. De eerste is of zij in hun hart voelen dat zij wettig door de gemeente en daarom door God Zelf geroepen zijn. De tweede is of zij de Schriften houden voor het enige Woord Gods en de volkomen leer der zaligheid. De derde is of zij beloven hun ambt trouw te bedienen, godzalig te leven en zich aan kerkelijke vermaning te onderwerpen. Zij antwoorden samen: Ja wij.

Waarom spreekt het formulier over twee soorten ouderlingen?

Het formulier leest in 1 Timotheüs 5:17 dat sommige ouderlingen goed regeren en anderen daarnaast arbeiden in het Woord en de leer. De laatsten zijn de predikanten. De eersten preken niet, maar regeren de kerk samen met de predikanten. Zo wordt de regering niet aan één persoon overgelaten, wat volgens het formulier tirannie helpt voorkomen. Samen vormen zij de raad van de kerk.

Kunnen ouderlingen en diakenen ook apart bevestigd worden?

Ja. In de uitgave van 1897 zegt de titel dat het formulier dient voor beide ambten tegelijk of voor elk afzonderlijk, naar gelegenheid. Volgens een noot in die uitgave is daar, in overeenstemming met de officiële tekst, cursief gedrukt wat alleen de diakenen betreft; dat wordt weggelaten als alleen ouderlingen bevestigd worden. Op deze pagina zijn alleen de hele alinea's over de diakenen schuin gezet. Ook in de vragen, de vermaning aan de gemeente en het gebed staan woorden over de diakenen. De noot zegt ook dat de officiële tekst niet aangeeft wat er verandert bij een aparte bevestiging van diakenen, of als er maar één broeder bevestigd wordt.

Wat betekent dubbele eer in het bevestigingsformulier?

Het formulier neemt de woorden over uit 1 Timotheüs 5:17: ouderlingen die wel regeren, zijn dubbele eer waardig. De gemeente moet hen dus met respect ontvangen en zich onder hun opzicht stellen. Wat dubbel hier precies inhoudt, daarover verschillen uitleggers. Sommigen denken ook aan levensonderhoud, omdat Paulus in het volgende vers over het loon van de arbeider spreekt. Het formulier zelf legt het niet verder uit.

Welke tekst van het bevestigingsformulier staat op deze pagina?

Het is de klassieke tekst in de spelling van het kerkboek, zoals de Gereformeerde Bijbelstichting die uitgeeft. Wij hebben hem vergeleken met twee oude drukken: de uitgave van 1897 met de officiële tekst en een kerkboek uit 1774. Op enkele plaatsen volgen wij een lezing uit die drukken, bijvoorbeeld dienaren in plaats van dienaars des Woords, en niet ontheiligd met de oude dubbele ontkenning. Die plaatsen staan hieronder bij de verantwoording.

Wat betekent 'gevoelt in uw harten' bij de bevestiging van ambtsdragers?

In de eerste vraag wordt gevraagd of de broeders 'niet gevoelt in uw harten' dat zij wettig van Gods gemeente, en daarom van God Zelf, geroepen zijn. Het gaat niet om een gevoel van geschiktheid. Gevraagd wordt of zij in hun hart erkennen dat de wettige roeping door de gemeente de roeping van God is. Het formulier zegt zelf dat 'wij van onszelven hiertoe onbekwaam zijn', en laat daarom een gebed om de nodige gaven volgen. Zo spreekt ook de Bijbel: niemand neemt zichzelf die eer aan, maar wie van God geroepen wordt.

Over deze tekst

Woordelijk: de klassieke tekst zoals vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619); elke lezing bezegeld door de uitgave 1897 (officiële tekst) of de gangbare redactie (1774). Spelling: de kerkboekspelling van de GBS-uitgave.

Bronnen

Waar wij afwijken van de kopieerbron

Elke lezing op deze pagina staat in minstens één druk van vóór 1900. Op deze plaatsen volgen wij daarom een oude druk.

  • Inleiding. Hier: ‘aanhoren, uit den Woorde Gods, een korte verklaring’. Kopieerbron: ‘aanhoren, uit het Woord Gods, een korte verklaring’. Beide getuigen.
  • Uitleg van de ambten (10x). Hier: ‘dienaren des Woords’. Kopieerbron: ‘dienaars des Woords’. Beide getuigen: "dienaren".
  • Uitleg van het ouderlingenambt. Hier: ‘deze soort van dienaren den anderen’. Kopieerbron: ‘deze soort van dienaars den anderen’. Beide getuigen.
  • Ambt der ouderlingen. Hier: ‘verhoeden dat de sacramenten niet ontheiligd worden’. Kopieerbron: ‘verhoeden dat de sacramenten ontheiligd worden’. Beide getuigen hebben de oude dubbele ontkenning.
  • Ambt der diakenen. Hier: ‘mannen gekoren geworden’. Kopieerbron: ‘mannen gekozen geworden’. Beide getuigen: "gekoren".
  • Ambt der diakenen. Hier: ‘in alle getrouwigheid en naarstigheid’. Kopieerbron: ‘in alle getrouwheid en naarstigheid’. Beide getuigen.
  • Gebed. Hier: ‘die begaafd zijn met Uw Geest’. Kopieerbron: ‘die begiftigd zijn met Uw Geest’. Beide getuigen.
  • Eerste vraag. Hier: ‘beroepen zijt?’. Kopieerbron: ‘beroepen zijt.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).
  • Tweede vraag. Hier: ‘die daartegen strijden?’. Kopieerbron: ‘die daartegen strijden.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).
  • Derde vraag. Hier: ‘kwaamt te ontgaan?’. Kopieerbron: ‘kwaamt te ontgaan.’. Een vraag: de uitgave 1897 sluit af met een vraagteken (B4).