Wie in een reformatorische gemeente opgroeit, is meestal als baby gedoopt. Wie een baptistengemeente of evangelische gemeente bezoekt, hoort dat de doop pas volgt op een persoonlijke geloofsbelijdenis. Dat verschil raakt families. Hier leest u de bijbelse argumenten voor de kinderdoop, de argumenten voor de volwassenendoop (ook wel volwassendoop of geloofsdoop genoemd), wat alle christenen hierin delen en wat de belijdenisgeschriften zeggen.
Kinderdoop of volwassenendoop: wat is het verschil?
Beide stromingen dopen volwassenen. Komt iemand van buiten de kerk tot geloof, dan wordt hij ook in een reformatorische kerk gedoopt nadat hij zijn geloof beleden heeft, zoals de kamerling (Handelingen 8:38). De eigenlijke vraag is smaller: mogen ook de kinderen van gelovigen gedoopt worden, voordat zij zelf kunnen geloven?
- Kinderdoop: de kinderen van gelovige ouders worden gedoopt als teken dat Gods verbond en belofte ook hun gelden.
- Volwassenendoop of geloofsdoop: alleen wie zelf het geloof belijdt, wordt gedoopt. Kinderen worden in veel evangelische gemeenten opgedragen of gezegend.
Dat de doop door Christus is ingesteld (Mattheüs 28:19), staat voor beide vast. Een overzicht vindt u bij de bijbelteksten over de doop.
Waarom kinderdoop? Het verbond met Abraham
Het belangrijkste argument voor de kinderdoop is het verbond. God sloot met Abraham een verbond dat ook zijn nakomelingen omvatte: 'om u te zijn tot een God, en uw zaad na u' (Genesis 17:7). Het teken van dat verbond, de besnijdenis, ontving een jongen al op de achtste dag (Genesis 17:12).
Paulus noemt die besnijdenis bij Abraham 'een zegel der rechtvaardigheid des geloofs' (Romeinen 4:11). Abraham ontving het teken als gelovige volwassene, Izak als kind van acht dagen (Genesis 21:4). Hetzelfde zegel werd dus ook gegeven aan een kind dat nog niet kon geloven: het teken ging aan het geloof vooraf en riep ertoe op.
Het Nieuwe Testament legt de brug tussen besnijdenis en doop. Paulus schrijft: 'In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt' (Kolossenzen 2:11), en in het volgende vers spreekt hij over het begraven worden met Christus in de doop. Het verband leest u in de uitleg van Kolossenzen 2.
Op de Pinksterdag riep Petrus zijn hoorders op tot bekering en doop, en voegde eraan toe: 'Want u komt de belofte toe, en uw kinderen' (Handelingen 2:39). De belofte aan Abraham en zijn zaad loopt door in het nieuwe verbond, en de kinderen worden er uitdrukkelijk bij genoemd. Paulus noemt de kinderen van een gelovige ouder zelfs heilig (1 Korinthe 7:14).
Staat de kinderdoop in de Bijbel?
Het Nieuwe Testament heeft geen tekst die met zoveel woorden zegt dat een baby gedoopt werd; voorstanders van de kinderdoop geven dat eerlijk toe. Er staat evenmin dat een kind van gelovige ouders pas later gedoopt werd.
Wel spreekt Handelingen meermalen over de doop van een heel huis. Lydia werd gedoopt met haar huis (Handelingen 16:15). Over de stokbewaarder in Filippi staat: 'en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen' (Handelingen 16:33). Paulus doopte ook het huisgezin van Stefanus (1 Korinthe 1:16). Of daar jonge kinderen bij waren, zegt de tekst niet, maar voorstanders van de kinderdoop zien dezelfde lijn als bij Abraham: God handelt met de gelovige en met zijn huis.
Ook de vroege kerk doopte al kleine kinderen. Tertullianus raadde rond het jaar 200 aan hun doop uit te stellen (Over de doop, hoofdstuk 18), wat veronderstelt dat die gebeurde; Cyprianus van Carthago verdedigde een halve eeuw later de kinderdoop in zijn brief aan Fidus.
Waarom kiezen baptisten voor de geloofsdoop?
Baptisten en veel evangelische christenen lezen dezelfde Bijbel en komen tot een andere conclusie. Hun belangrijkste argumenten zijn deze.
- Het geloof gaat aan de doop vooraf. 'Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden' (Markus 16:16). Op de Pinksterdag werden zij gedoopt die het woord van Petrus aannamen (Handelingen 2:41).
- De kamerling vroeg om de doop, en Filippus antwoordde: 'Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd' (Handelingen 8:37).
- De doop beeldt het sterven en opstaan met Christus uit (Romeinen 6:4), en volgens Kolossenzen 2:12 gebeurt dat door het geloof, dat een zuigeling nog niet kan belijden.
- Het nieuwe verbond is anders dan het oude. Van het nieuwe verbond zegt God dat zij Hem allen zullen kennen (Jeremia 31:34, aangehaald in Hebreeën 8:11). Het teken hoort daarom bij wie Hem werkelijk kent.
- Er is geen bevel om kinderen te dopen, en geen voorbeeld waarin het zeker gebeurt.
Daarom volgt de doop bij hen op een persoonlijke belijdenis, meestal door onderdompeling. Wie als kind gedoopt is en lid wordt van een baptistengemeente, wordt daar in de regel alsnog gedoopt. Reformatorische kerken spreken dan van overdoop; daarover gaat de vraag of een christen zich opnieuw mag laten dopen.
Reformatorische uitleggers antwoorden dat Markus 16 en Handelingen 8 gaan over volwassenen die het evangelie voor het eerst horen. Voor hen gaat het geloof inderdaad voorop; over hun kinderen spreken die teksten niet. En ook in het oude verbond was niet iedere besnedene een ware gelovige (Romeinen 2:28-29): het teken was belofte en roeping, geen garantie.
Waar christenen verschillen
Wat vaststaat: alle bijbelgetrouwe christenen belijden één Heere en één doop (Efeze 4:5), dopen in de Naam van de Drie-enige God en roepen gedoopten op tot geloof en bekering. Het verschil gaat over de vraag wie gedoopt mag worden en wat de doop betekent.
- Reformatorisch en gereformeerd: de kinderen van gelovigen worden gedoopt op grond van het ene genadeverbond. De doop is teken en zegel van Gods belofte, die in geloof aangenomen moet worden.
- Rooms-katholiek en luthers: ook zij dopen kinderen, met de overtuiging dat God door de doop zelf de wedergeboorte schenkt. Die doopleer delen reformatorische kerken niet.
- Baptisten, veel evangelische gemeenten en pinkstergemeenten: alleen de geloofsdoop, meestal door onderdompeling.
De reformatorische kerken kiezen met de Drie Formulieren van Enigheid voor de kinderdoop, omdat zij in het Oude en Nieuwe Testament één verbond van genade zien, met één belofte voor gelovigen en hun kinderen. Toch maakt dit verschil niemand tot een ongelovige: aan beide kanten staan christenen die alleen op Christus vertrouwen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
In Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 74) is het antwoord op de vraag of men ook de jonge kinderen zal dopen een duidelijk ja. Zij zijn net als de volwassenen in Gods verbond en gemeente begrepen, en de verlossing door het bloed van Christus en de Heilige Geest wordt hun niet minder toegezegd. Daarom moeten zij 'door den Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden', zoals in het oude verbond door de besnijdenis. Vraag 72 voegt eraan toe dat het water zelf de zonden niet afwast; dat doen alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest.
Artikel 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is. De kinderen van gelovigen behoren gedoopt en met het teken van het verbond verzegeld te worden, zoals de kinderen in Israël besneden werden op dezelfde beloften (Genesis 17:12). Christus heeft Zijn bloed niet minder vergoten om de kinderen van gelovigen te wassen dan om de volwassenen. Het artikel verwerpt de dwaling van de wederdopers uit de zestiende eeuw, die niet tevreden zijn met de ene doop en de doop van de kinderen van gelovigen veroordelen.
Wat betekent de kinderdoop voor ouders en gedoopten?
De kinderdoop is geen garantie dat een kind zalig wordt, en geen bewijs dat het al wedergeboren is. De doop betekent Gods belofte, die voorafgaat aan ons antwoord, en roept het kind om zelf in Christus te geloven (Handelingen 2:38-39) en later belijdenis van het geloof te doen.
Voor ouders is de doop troost en opdracht: zij mogen hun kind aan Gods belofte toevertrouwen en het in de vreze des Heeren opvoeden. Ook als een gedoopt kind later eigen wegen gaat, mogen ouders zich in hun gebed op die belofte beroepen. Passende teksten staan bij de bijbelteksten voor de doop van een kind. Wie twijfelt, of in de familie met dit verschil leeft, kan erover spreken met de eigen predikant of ouderling.
'Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen' (Psalm 103:17)