Wie in een reformatorische gemeente opgroeit, kent de ouderlingen: de mannen die met de predikant uit de consistoriekamer komen en geregeld op huisbezoek gaan. Wie van buiten komt, vraagt zich af wat zo iemand eigenlijk doet. Op deze pagina leest u wat de Bijbel over ouderlingen zegt, welke taken zij in reformatorische kerken hebben, wat een diaken doet en hoe de belijdenis dit samenvat.
Wat is een ouderling?
Het woord ouderling geeft in de Statenvertaling het Griekse presbuteros weer: een oudere, een oudste. Al in Israël hadden de oudsten een leidende plaats onder het volk (Exodus 3:16, Numeri 11:16). In de gemeenten van het Nieuwe Testament stelden de apostelen in elke plaats ouderlingen aan. Paulus en Barnabas deden dat met gebed en vasten (Handelingen 14:23), en Paulus liet Titus op Kreta achter, 'opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen' (Titus 1:5).
Naast ouderling gebruikt het Nieuwe Testament het woord opziener (episkopos). Dat zijn in het Nieuwe Testament geen twee verschillende ambten. In Handelingen 20 ontbiedt Paulus de ouderlingen van Efeze (vers 17) en noemt dezelfde mannen even later opzieners (vers 28). Ook in Titus 1 wisselen beide woorden elkaar af (vers 5 en 7). Ouderling zegt iets over de rijpheid van de man, opziener over zijn taak.
Wat doet een ouderling in de gemeente?
De kern van het werk staat in de afscheidsrede van Paulus in Milete: 'Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden' (Handelingen 20:28). Een ouderling is dus een herder onder de grote Herder, aangesteld voor de gemeente als kudde van Christus. Petrus schrijft het zijn medeouderlingen zo: 'Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover' (1 Petrus 5:2). En de Hebreeënbrief zegt van de voorgangers: 'want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen' (Hebreeën 13:17).
In reformatorische kerken krijgt dat herderswerk een vaste vorm:
- Huisbezoek: de ouderling bezoekt de gezinnen van zijn wijk, vaak samen met een tweede ambtsdrager. Het gesprek gaat over het geestelijk leven: de kerkgang, het gebed, de opvoeding en de vraag of men de Heere kent.
- Ziekenbezoek en pastoraat: bij ziekte, rouw en zorgen komt hij met Gods Woord en gebed. Jakobus schrijft: 'Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden' (Jakobus 5:14).
- Opzicht over leer en leven: wie afdwaalt, zoekt hij op en brengt hij met zachtmoedigheid terecht (Galaten 6:1).
- Kerkelijke tucht: als een broederlijke vermaning geen gehoor vindt, komt de zaak bij de kerkenraad (Mattheüs 18:15-17), met de terugkeer van de zondaar als doel.
- Het Avondmaal: de kerkenraad ziet erop toe dat het Avondmaal niet ontheiligd wordt (1 Korinthe 11:27-29; Heidelbergse Catechismus, vraag 82). Vóór de viering oefenen de ambtsdragers vaak onderling de censura morum, het opzicht over elkaars leer en leven, en ouderlingen spreken met wie voor het eerst aan het Avondmaal wil gaan.
- Kerkenraad en eredienst: ouderlingen besturen met de predikant de gemeente, zien toe op de prediking en leiden in een vacante gemeente het beroepingswerk. In een leesdienst leest een ouderling een preek voor.
Aan welke eisen moet een ouderling voldoen?
Paulus noemt het ambt iets begerenswaardigs: 'zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk' (1 Timotheüs 3:1). Daarna volgt een lijst van eisen (1 Timotheüs 3:2-7): onberispelijk, de man van één vrouw, wakker en matig, gastvrij, bekwaam om te leren, geen vechter en niet geldgierig. Hij moet zijn eigen huis wel regeren (1 Timotheüs 3:4-5) en vasthouden aan het getrouwe woord (Titus 1:9). In de uitleg van 1 Timotheüs 3 leest u het hele hoofdstuk.
Opvallend is hoe weinig deze lijst over gaven en opleiding zegt en hoeveel over het leven. Een ouderling hoeft geen theoloog te zijn; wel moet hij voor de kudde een voorbeeld zijn (1 Petrus 5:3). In reformatorische kerken wordt een ouderling door de gemeente gekozen, vaak uit een dubbeltal (twee kandidaten voor één plaats) dat de kerkenraad opstelt, en daarna in de eredienst bevestigd met het Formulier om te bevestigen de ouderlingen en diakenen. Hij dient meestal een aantal jaren en treedt dan af.
En wat doet een diaken?
Het diakenambt heeft zijn eigen terrein: de dienst van de barmhartigheid. Toen in Jeruzalem weduwen bij de dagelijkse verzorging vergeten werden, lieten de apostelen zeven mannen voor die taak kiezen en zeiden: 'Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening des Woords' (Handelingen 6:4). De kerk ziet daarin van oudsher het begin van het diakenambt, al noemt Lukas hen daar nog geen diakenen; hij spreekt wel van het dienen van de tafelen (Handelingen 6:2). Paulus noemt de diakenen wel uitdrukkelijk naast de opzieners (Filippenzen 1:1) en geeft voor hen eigen eisen (1 Timotheüs 3:8-13).
Een diaken beheert de collecten, helpt wie in nood zit en zorgt dat niemand in de gemeente gebrek lijdt. Zo laat de diaconie iets zien van Christus, Die kwam om te dienen (Markus 10:45).
De predikant is in deze verdeling de dienaar des Woords: hij is geroepen om te preken, de sacramenten te bedienen en te onderwijzen. Paulus noemt ouderlingen die arbeiden 'in het Woord en de leer' (1 Timotheüs 5:17). Het verschil tussen predikant, dominee en pastoor leest u in de vraag wat het verschil is tussen een dominee, predikant en pastoor.
Waar christenen verschillen
Alle christenen die de Schrift volgen, belijden dat Christus het Hoofd van Zijn gemeente is en dat het Nieuwe Testament opzieners en diakenen kent (Filippenzen 1:1). Over de vorm van het ambt lopen de wegen uiteen.
- Drie ambten: de gereformeerde kerken op het vasteland van Europa onderscheiden predikant, ouderling en diaken als drie ambten, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat doet.
- Lerende en regerende ouderlingen: in presbyteriaanse kerken in de Engelstalige wereld heet de predikant vaak een lerende ouderling, naast de regerende ouderlingen, met een beroep op 1 Timotheüs 5:17.
- Bisschoppelijk: de Rooms-Katholieke Kerk, de oosters-orthodoxe kerken en de anglicaanse kerk kennen een bisschop boven de priesters. Zij beroepen zich op de apostolische opvolging en op Timotheüs en Titus, die ouderlingen aanstelden en opzicht hadden over meer gemeenten (Titus 1:5). De Reformatie wees erop dat ouderling en opziener in Handelingen 20 dezelfde mannen zijn.
Ook de ambtstermijn verschilt: waar Nederlandse reformatorische kerken met aftreden werken, kennen presbyteriaanse kerken, zoals in Schotland, vaak ouderlingen voor het leven. Over de vraag of vrouwen ouderling kunnen zijn, verschillen kerken eveneens; reformatorische kerken verbinden het ambt aan mannen, onder meer op grond van 1 Timotheüs 2:12 en 3:2. Kerken die vrouwen tot het ambt toelaten, wijzen op Febe, een dienares der gemeente (Romeinen 16:1), en op Galaten 3:28. De argumenten leest u in het artikel over vrouwen in het ambt. Hoe uw eigen kerk hierin staat, kan uw predikant of kerkenraad u uitleggen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de kerk geregeerd wordt naar de geestelijke orde die Christus in Zijn Woord heeft gegeven. Er zijn dienaren of herders om het Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, en opzieners en diakenen die met de herders de raad van de kerk vormen. Zo blijft de ware leer bewaard, worden overtreders op geestelijke wijze gestraft en in toom gehouden, en worden armen en bedrukten geholpen en getroost. Artikel 31 voegt eraan toe dat dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen door een wettige verkiezing van de gemeente gekozen worden, met aanroeping van Gods Naam, en dat de gemeente de dienaren des Woords en de ouderlingen om hun werk in ere moet houden.
Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus spreekt over de christelijke ban. Wie na herhaalde broederlijke vermaning niet van zijn dwaling of boosheid wil afstaan, wordt 'der gemeente, of dengenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn' aangebracht (vraag 85). Daarmee zijn de ambtsdragers bedoeld, in de praktijk de kerkenraad.
Al dit werk staat in dienst van één Herder. Petrus noemt Christus de overste Herder, Die bij Zijn verschijning de getrouwe dienaren de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid geeft (1 Petrus 5:4). Een ouderling voert geen heerschappij over het erfdeel des Heeren (1 Petrus 5:3); hij wijst de gemeente naar Christus.
'Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen' (1 Petrus 2:25)