Wie over de kerk praat, gebruikt drie woorden door elkaar: dominee, predikant en pastoor. Soms komen daar pastor en voorganger nog bij. Het gaat telkens om iemand die in een gemeente voorgaat, en toch zit er een wezenlijk verschil achter dat teruggaat op de Reformatie. Op deze pagina leest u waar de woorden vandaan komen, in welke kerk ze gebruikt worden en wat de Bijbel zegt over het ambt van wie het Woord brengt.
Wat is het verschil tussen een dominee en een pastoor?
Het verschil tussen een dominee en een pastoor gaat dieper dan een titel. Een dominee is een protestantse predikant. Zijn eerste taak is de prediking: hij legt in de kerkdienst de Schrift uit. Daarnaast bedient hij de doop en het avondmaal, bezoekt hij de gemeente en geeft hij catechisatie. Paulus vat die opdracht aan Timotheüs in een paar woorden samen: 'Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk' (2 Timotheüs 4:2).
Een pastoor is in de Rooms-Katholieke Kerk een priester die door de bisschop als herder over een parochie is gesteld (Wetboek van Canoniek Recht, canon 519). Hij is tot priester gewijd, en volgens de rooms-katholieke leer is die wijding een sacrament (Catechismus van de Katholieke Kerk, nummer 1536). Het hart van zijn dienst is de eucharistie, die de Rooms-Katholieke Kerk ziet als het offer van het kruis dat in de mis tegenwoordig wordt gesteld (nummer 1366). In de Latijnse kerk zijn priesters in de regel tot het celibaat verplicht (canon 277).
Op een rij:
- Kerk: een dominee is protestant, een pastoor rooms-katholiek.
- Ambt: de dominee is dienaar des Woords, de pastoor is priester.
- Kern van de dienst: bij de dominee de preek, bij de pastoor de mis.
- Aanstelling: een dominee wordt door een gemeente beroepen, een pastoor door de bisschop benoemd.
- Huwelijk: een dominee mag trouwen, een rooms-katholieke pastoor in de regel niet.
Wat protestanten en rooms-katholieken verder scheidt, leest u bij het verschil tussen protestant en katholiek.
Wat is een dominee?
Het woord dominee komt van het Latijnse dominus, heer. De aanspreekvorm domine werd in de Nederlanden de gewone naam voor de protestantse voorganger. Voor zijn naam staat de afkorting ds. De titel betekent niet dat de predikant heer is over de gemeente. De Heere Jezus leerde Zijn discipelen dat één hun Meester is, Christus, en dat zij allen broeders zijn (Mattheüs 23:8). Paulus noemde zichzelf en zijn medearbeiders 'dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods' (1 Korinthe 4:1).
Daarom spreekt de belijdenis van een dienaar des Woords. De oude Latijnse ambtstitel is Verbi Divini Minister, afgekort VDM. Het ambt is een dienst die Christus Zelf aan Zijn gemeente geeft: 'En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars' (Efeze 4:11). Apostelen, profeten en evangelisten hadden een eigen plaats aan het begin van de kerk. Reformatorische uitleggers, zoals Calvijn in zijn Institutie (IV.3.4), zien in de herders en leraars het blijvende ambt van wie de gemeente met het Woord weidt. In de uitleg van Efeze 4 leest u het hele verband.
Een dominee studeert theologie, legt een kerkelijk examen af en kan dan door een gemeente beroepen worden. Bij zijn bevestiging wordt hem onder meer gevraagd of hij in zijn hart gevoelt dat hij wettig door Gods gemeente, en daardoor door God Zelf, tot deze dienst geroepen is. Naast hem dienen ouderlingen en diakenen. Over het werk van de ouderling leest u op een aparte pagina.
Dominee of predikant: is er verschil?
Nee, dominee en predikant zijn twee namen voor hetzelfde ambt. Predikant komt van het Latijnse praedicare, openlijk verkondigen, en zegt dus wat de dominee doet: hij predikt. Dominee is de titel waarmee mensen hem aanspreken of over hem praten; predikant is de ambtsnaam in kerkelijke stukken. Een oudere naam voor hetzelfde ambt is herder en leraar, naar Efeze 4:11.
Waarom heet het ambt naar de prediking? Paulus schrijft over de weg waarlangs mensen tot geloof komen: 'En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?' (Romeinen 10:14). Direct daarna vraagt hij hoe iemand kan prediken als hij niet gezonden wordt (Romeinen 10:15), en hij besluit dat het geloof uit het gehoor is, en het gehoor door het Woord Gods (Romeinen 10:17). Daarom kiest een predikant zijn gemeente niet zelf. Hij wordt beroepen, en in die roeping van de gemeente hoort hij de roeping van God.
Een preek maken vraagt elke week studie van de Schrift. Voor wie dat werk doet, heeft BijbelAssistent een aparte pagina over hulp bij preekvoorbereiding en exegese.
Wat is een pastoor, en is een pastor hetzelfde?
Pastoor komt van het Latijnse pastor, herder. Dat beeld is bijbels. Christus noemt Zichzelf de goede Herder (Johannes 10:11), en Petrus schrijft aan de oudsten: 'Weidt de kudde Gods, die onder u is' (1 Petrus 5:2). In die zin is elke trouwe dominee ook een herder. In het Nederlands is pastoor wel de vaste naam geworden voor de rooms-katholieke priester die een parochie leidt.
Pastor heeft dezelfde herkomst, maar wordt anders gebruikt:
- in rooms-katholieke parochies vaak voor pastoraal werkers, die geen priester zijn;
- in evangelische, baptisten- en pinkstergemeenten voor de voorganger;
- in protestantse kerken soms voor een kerkelijk werker of geestelijk verzorger.
Een pastor is dus geen pastoor. Opvallend is ook de herkomst van het woord priester. Het komt via het Latijnse presbyter van het Griekse presbyteros, oudere. Dat is in het Nieuwe Testament het woord voor de oudsten van de gemeente, die de Statenvertaling ouderlingen noemt (Titus 1:5). Een offerpriester als ambtsdrager in de gemeente kent het Nieuwe Testament niet. Het woord priester gebruikt het onder meer voor de priesters in de tempel, voor Christus en voor alle gelovigen samen.
Waar christenen verschillen
Alle christenen geloven dat Christus Zijn gemeente niet zonder herders laat (Efeze 4:11-12). Het verschil gaat over de vraag wat een ambtsdrager is: iemand die als priester tussen God en mensen staat, of een dienaar die het Woord brengt.
- Rooms-katholiek: de priester ontvangt door de wijding een blijvend merkteken en handelt in de persoon van Christus, het Hoofd (Catechismus van de Katholieke Kerk, nummers 1548 en 1582). Hij draagt de mis op en spreekt in de biecht de vergeving uit. De bisschoppen staan volgens deze leer in de opvolging van de apostelen.
- Oosters-orthodox: deze kerken kennen ook priesters en bisschoppen; een priester mag gehuwd zijn als hij trouwde voordat hij gewijd werd.
- Reformatorisch en luthers: in de gemeente is geen priester nodig, omdat Christus de enige Middelaar is: 'Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus' (1 Timotheüs 2:5). Zijn offer is eenmaal gebracht (Hebreeën 7:27). Alle gelovigen samen zijn 'een koninklijk priesterdom' (1 Petrus 2:9).
- Evangelisch en baptist: de gemeente roept zelf haar voorganger of pastor, vaak met meer nadruk op gaven dan op een kerkelijk ambt.
De reformatorische kerken staan in de derde lijn, omdat de Schrift het werk van Christus als Hogepriester volbracht noemt. Ook binnen de protestantse kerken is er verschil, bijvoorbeeld over de vraag of een vrouw predikant kan zijn; reformatorische kerken houden het ambt voor mannen (1 Timotheüs 2:12). Het verschil zegt niets over de oprechtheid van een pastoor of dominee als persoon. Het gaat om de vraag wie tussen God en de zondaar staat, en het antwoord van de Schrift is: Christus alleen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 31 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen door een wettige verkiezing van de gemeente tot hun ambt komen, met gebed en in goede orde. Niemand mag zich op eigen gezag indringen. Alle dienaren des Woords hebben, waar zij ook dienen, dezelfde macht en autoriteit, omdat zij allen dienaars zijn van Jezus Christus, de enige algemene Opziener en het enige Hoofd van de kerk. Daarmee wees de Reformatie een rangorde van priesters en bisschoppen boven de gemeente af. Artikel 30 noemt de taak van de dienaren of herders: Gods Woord prediken en de sacramenten bedienen.
In Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus belijdt de kerk dat Christus gezalfd is 'tot onzen enigen Hogepriester, die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft' (vraag 31). Iedere gelovige is door het geloof 'een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig' (vraag 32). Dat is het priesterschap van alle gelovigen. In Zondag 30 (vraag 80) wijst de catechismus de mis af, omdat Christus Zichzelf eenmaal aan het kruis geofferd heeft.
'En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand' (Jeremia 3:15)