Artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Van de orde en discipline of tucht der Kerk
In het kort
Artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis leert dat de kerk regels mag maken die de eendracht dienen, maar geen menselijke wetten die het geweten binden. Ook de ban, naar Gods Woord, hoort bij die orde en tucht en dient tot bekering.
De tekst van NGB 32
Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is, dat die regeerders der Kerk zijn, onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft.
En daarom verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen, en door deze de consciënties te binden en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn. Zo nemen wij dan alleen aan, hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods; waartoe geëist wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar het Woord Gods, met hetgeen daaraan hangt.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Mag een kerkenraad regels maken waar de Bijbel zelf niets over zegt? Artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft daarop een evenwichtig antwoord over orde en tucht in de kerk. De artikelen 30 en 31 gingen over het bestuur van de kerk en over de ambtsdragers. Nu gaat het over de regels die dat bestuur maakt. Het artikel zegt twee dingen: orde is goed, maar zij heeft een duidelijke grens.
Orde is nuttig en goed
Het artikel begint met een erkenning. Het is 'nuttig en goed' dat de regeerders der Kerk regels maken. Regeerders zijn hier de ambtsdragers die de gemeente besturen. Zij mogen 'zekere ordinantie instellen en bevestigen'. Een ordinantie is een verordening of afspraak, bijvoorbeeld over de tijden van samenkomst of de gang van zaken in een vergadering.
Het doel staat erbij: 'tot onderhouding van het lichaam der Kerk'. Onderhouding betekent hier: in stand houden en verzorgen. De kerk is een lichaam met vele leden, en een lichaam heeft samenhang nodig. Paulus schrijft aan de gemeente te Korinthe: "Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden". Eerlijk heeft daar de oude betekenis: betamelijk, zoals het past. Kort daarvoor zegt hij dat God "geen God van verwarring, maar van vrede" is.
Christus, onze enige Meester
Direct daarna komt de grens. De ambtsdragers moeten zich ervoor wachten af te wijken van wat Christus geordineerd heeft. Zich wachten betekent: oppassen, zich hoeden. Geordineerd betekent: ingesteld of bevolen. Het artikel noemt Hem 'Christus, onze enige Meester'.
De Heere Jezus zei tegen Zijn discipelen: "Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders". Ambtsdragers staan dus niet boven het Woord, maar eronder. Zij zijn dienaren van de Meester en geen meesters over de gemeente. Elke regel die zij maken, moet te toetsen zijn aan wat Christus Zelf gegeven heeft.
Geen menselijke vonden in Gods dienst
Daarom verwerpt het artikel 'alle menselijke vonden'. Een vond is een verzinsel, iets wat mensen zelf bedacht hebben. Het verwerpt ook 'alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen'. Daar ligt het punt. Niet elke kerkelijke afspraak is verkeerd, maar wel elke regel die zegt dat God zo gediend wil worden, terwijl Hij dat niet bevolen heeft.
Zulke wetten zouden 'de consciënties te binden en te dwingen'. Consciënties zijn gewetens. Alleen God is Heere over het geweten. De Heere Jezus zei over de Farizeeën: "tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn". Paulus vraagt de Kolossenzen waarom zij zich laten belasten met inzettingen "naar de geboden en leringen der mensen". Het artikel voegt eraan toe: 'in wat manier het zou mogen zijn'. Er is dus geen uitzondering.
Wat de kerk wel aanneemt
Daarna noemt het artikel wat de kerk wel aanneemt: 'hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren'. Eendrachtigheid en enigheid zijn eenheid en vrede in de gemeente. Voeden en bewaren betekent: laten groeien en beschermen. Regels zijn dus geen doel op zichzelf. Zij dienen de onderlinge vrede en houden alles 'in de gehoorzaamheid Gods'. Een goede kerkorde helpt de gemeente om samen naar Gods Woord te leven.
Tucht als geneesmiddel
Tot die orde hoort ook 'de excommunicatie of de ban'. Excommunicatie betekent: uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk. Het artikel zegt dat de ban moet gebeuren 'naar het Woord Gods'. De Heere Jezus wijst daarvoor de weg. Eerst komt een persoonlijke vermaning, daarna een gesprek met getuigen. Blijft de broeder volharden in zijn zonde, dan zegt Hij: "zo zeg het der gemeente". Ook Paulus vraagt de gemeente in te grijpen bij openbare zonde: "doet gij deze boze uit ulieden weg".
Met 'hetgeen daaraan hangt' bedoelt het artikel wat bij de ban hoort, zoals de vermaning vooraf en de weer-aanneming daarna. Zondag 31 van de catechismus noemt de christelijke ban een van de sleutels van het hemelrijk. Wie ware bekering belooft en toont, wordt weer als lid van Christus en de gemeente aangenomen.
Tucht is daarom geen wraak en geen afrekening. Zij is een geneesmiddel. Het doel is dat de zondaar tot inkeer komt en dat de gemeente in de gehoorzaamheid Gods blijft. Paulus schrijft over iemand onder tucht: "houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder". De orde van de kerk wil u dus niet knechten, maar bewaren. En wie onder de tucht staat, is niet afgeschreven.
Bijbelse onderbouwing
“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.”
Paulus vraagt dat in de gemeente alles eerlijk en met orde gebeurt, en daarom mag de kerk een goede orde instellen.
“Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.”
De Heere Jezus noemt de dienst die op geboden van mensen rust tevergeefs, en zo wijst Hij menselijke wetten in Gods dienst af.
“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.”
Christus is de enige Meester van Zijn gemeente, en daarom mogen ambtsdragers niet afwijken van wat Hij heeft ingesteld.
“En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.”
De Heere Jezus wijst de weg van de tucht, waarin de gemeente pas na persoonlijke vermaning over een volhardende zondaar oordeelt.
“Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.”
Paulus beveelt de gemeente om openbare boosheid uit haar midden weg te doen, wat het artikel de ban naar het Woord Gods noemt.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In de zestiende eeuw kende de kerk van Rome veel kerkelijke geboden die het geweten bonden. Denk aan vastenregels, verplichte feestdagen, de jaarlijkse biecht en het huwelijksverbod voor priesters. Wie ze niet hield, gold als zondaar. De reformatoren zagen daarin de "geboden van mensen" waarover de Heere Jezus sprak. Artikel 32 verwerpt zulke wetten, maar wil ook geen kerk zonder orde.
Onder de dopersen werd de ban soms zo streng toegepast, dat ook gezinsleden iemand moesten mijden. In de jaren daarna gaven de gereformeerde gemeenten in de Nederlanden zich een eigen kerkorde, onder meer op de synode van Emden in 1571. Artikel 32 zoekt de weg tussen een kerk zonder tucht en een tucht zonder liefde.
Om over door te praten
- Welke afspraken in uw gemeente dienen de eendracht, en hoe merkt u dat zij het samenleven helpen?
- Waarom mag een kerkenraad wel een orde voor de samenkomsten maken, maar geen nieuwe geboden om God te dienen?
- Wat betekent het voor uw eigen geweten dat Christus uw enige Meester is?
- Hoe kan kerkelijke tucht een geneesmiddel zijn en geen wraak, en wat vraagt dat van de gemeente?
- Hoe zou u omgaan met een broeder of zuster onder de tucht, als u denkt aan de vermaning van Paulus?