Ga naar hoofdinhoud

Egypte in de Bijbel

Mitsraïm (Hebreeuws, מִצְרַיִם) is de naam van Egypte en in Genesis 10:6 ook van een zoon van Cham. De vorm lijkt een tweevoud en wordt vaak uitgelegd als de twee landen Boven- en Beneden-Egypte, maar dat is niet zeker. Het Nederlandse Egypte komt via het Griekse Aigyptos; de verdere herkomst van dat woord is onzeker.

Egypte, het land van de Nijl ten zuidwesten van Kanaän, is het vreemde land dat de Bijbel het vaakst noemt. Abraham en Jakob zochten er brood, Jozef regeerde er, Israël werd er een slavenvolk en de HEERE leidde Zijn volk eruit (Exodus 20:2). Eeuwen later vond het Kind Jezus er een schuilplaats.

Ook bekend als: Egypteland, Mitsraim, het land van Cham

Ligging

Egypte lag in de noordoostelijke hoek van Afrika, ten zuidwesten van Kanaän, daarvan gescheiden door de woestijn van de Sinaï. Het leven speelde zich af in het smalle, vruchtbare dal van de Nijl en in de brede delta in het noorden, waar ook het land Gosen lag; daarbuiten was woestijn. De Bijbel noemt het zuidelijke deel Pathros (Jeremia 44:1). Bekende steden waren Nof (Memphis), No (Thebe), On (Heliopolis), Zoan (Tanis) en Tachpanhes aan de oostgrens.

Vandaag

Het bijbelse Egypte valt grotendeels samen met het huidige Egypte; die identificatie is zeker. Caïro ligt vlak bij het oude Nof (Memphis), de resten van On (Heliopolis) liggen in het noordoosten van Caïro, die van No (Thebe) bij Luxor met de tempels van Karnak, en Zoan (Tanis) is de vindplaats San el-Hagar in de delta. Minder zeker is de precieze ligging van Gosen en van de voorraadsteden Pitom en Raamses in de oostelijke delta.

Geschiedenis

Egypte komt al vroeg in de Bijbel voor. Toen er honger was in Kanaän, trok Abram naar Egypte om er als vreemdeling te wonen (Genesis 12:10). Uit angst gaf hij Sarai uit voor zijn zuster; de HEERE plaagde de farao, en Abram vertrok met zijn bezit. Hagar, de dienstmaagd van Sarai, was een Egyptische (Genesis 16:1). Izak kreeg later uitdrukkelijk het bevel: "Trek niet af naar Egypte" (Genesis 26:2). Met Jozef wordt Egypte het toneel van de geschiedenis van Israël. Hij werd naar Egypte verkocht en kwam in het huis van Potifar (Genesis 39:1). Na de dromen van de farao stelde deze hem over heel Egypteland (Genesis 41:41) en gaf hem Asnath, de dochter van de overste van On, tot vrouw (Genesis 41:45). In de jaren van honger staat er: "alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen" (Genesis 41:57). God zei tot Jakob: "vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten" (Genesis 46:3). Israël woonde in het land Gosen en werd zeer talrijk (Genesis 47:27). Toen stond er een nieuwe koning op, "die Jozef niet gekend had" (Exodus 1:8). Israël moest voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raamses bouwen (Exodus 1:11). Mozes werd in die tijd geboren, groeide op aan het hof en werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren (Handelingen 7:22). Na de plagen en het Pascha trok Israël weg; de Schrift zegt dat de tijd dat Israël in Egypte woonde "vierhonderd jaren en dertig jaren" was (Exodus 12:40). De Bijbel noemt de farao van de uittocht niet bij naam, en over het jaartal lopen de meningen uiteen. In de koningstijd bleef Egypte een machtige buur. Salomo trouwde met een dochter van de farao (1 Koningen 3:1), die hem Gezer als geschenk meegaf (1 Koningen 9:16), en hij haalde paarden uit Egypte (1 Koningen 10:28). Jerobeam vluchtte naar Sisak, de koning van Egypte (1 Koningen 11:40), en in het vijfde jaar van Rehabeam plunderde Sisak de schatten van tempel en paleis (1 Koningen 14:25-26). Rabsake, de veldheer van Sanherib, noemde Egypte spottend "dien gebroken rietstaf" (2 Koningen 18:21, Jesaja 36:6). Farao Necho doodde koning Josia bij Megiddo (2 Koningen 23:29) en werd zelf door Nebukadnezar bij Karchemis verslagen (Jeremia 46:2). Na de val van Jeruzalem trok het overblijfsel van Juda tegen het woord van de HEERE in naar Egypte en nam Jeremia mee naar Tachpanhes (Jeremia 43:5-7); er woonden toen Joden in Migdol, Tachpanhes, Nof en Pathros (Jeremia 44:1). In het Nieuwe Testament vluchtte Jozef met Maria en het Kind naar Egypte en bleef daar tot de dood van Herodes (Mattheüs 2:13-15). Op de Pinksterdag waren er ook mensen uit Egypte in Jeruzalem (Handelingen 2:10), en Apollos kwam uit Alexandrië (Handelingen 18:24). Egyptische bronnen kennen Sisak als farao Sjosjenq I, wiens lijst van veroverde plaatsen in de tempel van Karnak staat. De Merneptah-stele uit het eind van de dertiende eeuw voor Christus noemt Israël als volk in Kanaän. Papyri van het Nijleiland Elephantine tonen een Joodse gemeenschap met een eigen tempel in de vijfde eeuw voor Christus, en in Alexandrië werd volgens de gangbare opvatting vanaf de derde eeuw voor Christus eerst de wet en later de rest van het Oude Testament in het Grieks vertaald (de Septuaginta).

Betekenis in de Bijbel

Egypte heeft in de Bijbel twee gezichten. Het is het land van brood en uitkomst: Abraham, Jakob en zijn zonen overleefden er de honger, en Gods voorzienigheid maakte er van een familie een volk. Tegelijk is het het diensthuis, het land van slavernij. Juist daar maakte de HEERE Zich bekend als de Verlosser. De Tien Geboden beginnen met de woorden: "Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb" (Exodus 20:2). De uittocht werd het grondpatroon van Israëls belijdenis: elk jaar met het Pascha (Exodus 12:14, 13:8), bij de eerstelingen (Deuteronomium 26:5-8) en in de Psalmen, die zingen van de wijnstok die God uit Egypte overbracht (Psalm 80:9). Daarom klinkt de terugweg naar Egypte steeds als ontrouw. In de woestijn wilde het volk een hoofd aanstellen en "wederkeren naar Egypte" (Numeri 14:4). De koning mocht het volk niet terugbrengen om paarden te halen (Deuteronomium 17:16). De profeten waarschuwen tegen een verbond met Egypte in plaats van vertrouwen op de HEERE: "Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken" (Jesaja 31:1), want Egypte zou "ijdellijk en te vergeefs helpen" (Jesaja 30:7). Jeremia en Ezechiël kondigen oordeel aan over de farao, die Ezechiël "dien groten zeedraak" noemt (Ezechiël 29:3). Toch heeft de HEERE ook met Egypte een toekomst. Jesaja ziet een altaar voor de HEERE midden in Egypteland en hoort de zegen: "Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriers, het werk Mijner handen, en Israel, Mijn erfdeel" (Jesaja 19:25). Het Nieuwe Testament laat zien hoe de geschiedenis zich herhaalt in Christus: Hosea zei: "Ik heb Mijn zoon uit Egypte uitgeroepen" (Hosea 11:1), en Mattheüs ziet dat vervuld in de terugkeer van Jezus uit Egypte (Mattheüs 2:15). Hebreeën prijst Mozes, die de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom achtte dan de schatten in Egypte (Hebreeën 11:26). In Openbaring 11:8 heet de grote stad waar de getuigen gedood worden, geestelijk Sodoma en Egypte.

Sleutelgebeurtenissen in Egypte

1

Abram zoekt brood in Egypte

Bij een hongersnood in Kanaän trekt Abram naar Egypte. De HEERE beschermt Sarai door de farao met plagen te treffen, en Abram keert met zijn bezit terug.

Genesis 12:10-20

2

Jozef over Egypteland gesteld

Na de uitleg van de dromen stelt de farao Jozef over heel Egypte. Door zijn beleid is er brood in Egypte als de honger in alle landen komt.

Genesis 41:41-45

3

Jakob trekt met zijn huis naar Egypte

God belooft Jakob in Berseba mee te gaan en hem daar tot een groot volk te maken. De familie vestigt zich in het land Gosen.

Genesis 46:3-7

4

Israël in de dienstbaarheid

Een nieuwe koning die Jozef niet gekend had, laat Israël met harde dienst de voorraadsteden Pitom en Raamses bouwen.

Exodus 1:8-14

5

De uittocht na vierhonderddertig jaar

Na de plagen en het Pascha trekken de legers van de HEERE uit Egypte. Die nacht moet Israël voortaan gedenken.

Exodus 12:40-42

6

Sisak plundert Jeruzalem

In het vijfde jaar van Rehabeam trekt Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem op en neemt de schatten van tempel en paleis mee, ook de gouden schilden van Salomo.

1 Koningen 14:25-26

7

Belofte van een altaar in Egypte

Jesaja profeteert dat Egypte de HEERE zal kennen en dienen, en dat Egypte, Assyrië en Israël samen gezegend zullen worden.

Jesaja 19:19-25

8

Farao Necho doodt Josia

Farao Necho trekt naar de Eufraat op. Koning Josia gaat hem tegemoet en sneuvelt bij Megiddo.

2 Koningen 23:29

9

Het overblijfsel vlucht met Jeremia naar Egypte

Na de moord op Gedalia trekt het overblijfsel van Juda, ongehoorzaam aan het woord van de HEERE, naar Tachpanhes en neemt Jeremia en Baruch mee.

Jeremia 43:5-7

10

De vlucht van Jozef en Maria met het Kind

Een engel laat Jozef met Maria en het Kind naar Egypte vluchten voor Herodes. Na diens dood keren zij terug, en Mattheüs ziet daarin Hosea 11:1 vervuld.

Mattheüs 2:13-15

Theologische betekenis

Egypte laat eerst Gods voorzienigheid zien. Wat de broers kwaad bedoelden, gebruikte God ten goede, "om een groot volk in het leven te behouden" (Genesis 50:20). Het vreemde land werd de wieg van het verbondsvolk, zoals God aan Abram had gezegd dat zijn zaad vreemdeling zou zijn en daarna met grote have zou uittrekken (Genesis 15:13-14). Daarnaast is Egypte in de Schrift het beeld van de slavernij waaruit alleen God kan verlossen. De uittocht gebeurde niet door de kracht van Israël, maar door een sterke hand en een uitgestrekte arm (Deuteronomium 26:8), onder het bloed van het paaslam. Het Nieuwe Testament leest dat als een voorafschaduwing van de verlossing van zonde: "ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus" (1 Korinthe 5:7). Wie verlost is, keert niet terug naar het diensthuis; het verlangen naar Egypte in de woestijn is een waarschuwing voor het hart dat terugkijkt. Ook de gang van Christus naar en uit Egypte heeft betekenis. Hij, de ware Zoon, gaat de weg van Zijn volk en wordt geroepen waar Israël werd geroepen (Mattheüs 2:15). Wat Israël als zoon niet volbracht, volbrengt Hij. Ten slotte toont Jesaja 19 dat zelfs de oude onderdrukker niet buiten het bereik van Gods genade ligt: de belofte voor Egypte wijst vooruit naar de roeping van de volken.

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten helpen u om de rol van Egypte in de Schrift beter te begrijpen.

Veelgestelde vragen over Egypte

Waar lag het land Egypte?

Egypte lag in de noordoostelijke hoek van Afrika, ten zuidwesten van Kanaän, gescheiden door de woestijn van de Sinaï. Het bewoonde land was het smalle dal van de Nijl met de brede delta in het noorden, waar Israël in het land Gosen woonde. Het bijbelse Egypte valt grotendeels samen met het huidige Egypte. De Bijbel noemt het zuiden Pathros en kent steden als Nof (Memphis), No (Thebe), On (Heliopolis) en Zoan (Tanis).

Wat betekent de naam Egypte?

In het Hebreeuws heet Egypte Mitsraïm; in Genesis 10:6 is dat ook de naam van een zoon van Cham, de stamvader van de Egyptenaren. De vorm lijkt een tweevoud en wordt vaak verklaard als de twee landen Boven- en Beneden-Egypte, maar zeker is dat niet. Ons woord Egypte komt van het Griekse Aigyptos, waarvan de herkomst onzeker is. De Psalmen noemen Egypte ook het land van Cham (Psalm 105:23).

Waar staat Egypte in de Bijbel?

Egypte komt in honderden verzen voor. De belangrijkste delen zijn Genesis 12 (Abram), Genesis 37 tot 50 (Jozef en Jakob), Exodus 1 tot 14 (de verdrukking en de uittocht), de koningsboeken (Salomo, Sisak, Necho), de profetieën in Jesaja 19 en 30 tot 31, Jeremia 43 tot 46 en Ezechiël 29 tot 32, Hosea 11:1 en in het Nieuwe Testament Mattheüs 2:13-15, Handelingen 7 en Hebreeën 11.

Waarom ging Israël naar Egypte?

Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte vanwege een zware hongersnood. Jozef, die door zijn broers was verkocht, was daar onderkoning geworden en had graan opgeslagen. Hij liet zijn familie overkomen naar het land Gosen (Genesis 45:9-10). God bevestigde die stap: "vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten" (Genesis 46:3). Zo werd de familie in Egypte een volk.

Hoe lang woonde Israël in Egypte?

Exodus 12:40 zegt dat de tijd dat Israël in Egypte woonde "vierhonderd jaren en dertig jaren" was. Aan Abram werd vierhonderd jaar verdrukking voorzegd (Genesis 15:13), een rond getal. Hoe de 430 jaar precies gerekend moeten worden en in welk jaar de uittocht plaatsvond, daarover verschillen uitleggers. Een vaststaand jaartal geeft de Bijbel niet.

Welke farao’s noemt de Bijbel bij naam?

De Bijbel noemt vier Egyptische koningen bij naam. Sisak plunderde in het vijfde jaar van Rehabeam Jeruzalem (1 Koningen 14:25). Bij So zocht Hosea, de laatste koning van Israël, steun tegen Assyrië (2 Koningen 17:4). Necho doodde Josia bij Megiddo (2 Koningen 23:29), en Hofra was koning toen het overblijfsel van Juda in Egypte woonde (Jeremia 44:30). De farao van de verdrukking en de uittocht noemt de Bijbel niet bij naam; over hem gaat de persoonspagina over de farao van de uittocht.

Welke Egyptische steden noemt de Bijbel?

De Statenvertaling noemt onder meer On, waar de schoonvader van Jozef overste was (Genesis 41:45), de voorraadsteden Pitom en Raamses (Exodus 1:11), Zoan (Numeri 13:22, Psalm 78:12), Nof en Tachpanhes (Jeremia 2:16, 44:1), Migdol en No (Nahum 3:8). Nof is Memphis, No is Thebe, On is Heliopolis en Zoan is Tanis. Tachpanhes lag aan de oostgrens van de delta.

Waarom waarschuwen de profeten tegen Egypte?

In de tijd van de koningen zocht Juda steun bij Egypte tegen Assyrië en Babel. De profeten zagen daarin wantrouwen jegens de HEERE: "Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken" (Jesaja 31:1). Zelfs Rabsake, de veldheer van Sanherib, noemde Egypte een gebroken rietstaf die de hand doorboort van wie erop leunt (2 Koningen 18:21, Jesaja 36:6). Wie op Egypte vertrouwde, keerde in feite terug naar het diensthuis waaruit God Zijn volk had verlost.

Wat betekent "Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen"?

Mattheüs ziet in de terugkeer van Jezus uit Egypte vervuld wat Hosea 11:1 over Israël zei (Mattheüs 2:15). Hosea sprak over het volk Israël, dat God als Zijn zoon uit Egypte had geroepen. Mattheüs ziet dat vervuld wanneer Jezus na de vlucht voor Herodes uit Egypte terugkeert. Jezus is de ware Zoon, Die de weg van Zijn volk gaat en volbrengt wat Israël niet volbracht. De vervulling ligt dus niet in een losse voorspelling, maar in de herhaling van de geschiedenis in Christus.

Wat is Egypte als beeld in de Bijbel?

Egypte heeft in de Schrift een dubbel beeld. Het is het land van brood en uitkomst, waar God door Jozef de familie van Jakob bij het leven behield (Genesis 45:7). En het is het diensthuis: de slavernij waaruit God verlost (Exodus 20:2). Daarom is teruggaan naar Egypte een beeld van ongeloof (Numeri 14:4). In Openbaring 11:8 wordt de stad die Gods getuigen doodt geestelijk Sodoma en Egypte genoemd. Tegelijk belooft Jesaja 19 dat ook Egypte de HEERE zal kennen.

Bestaat het Egypte uit de Bijbel nog?

Ja. Het land aan de Nijl heet nog steeds Egypte, en veel bijbelse plaatsen zijn bekend. Bij Caïro liggen de resten van Memphis (Nof) en Heliopolis (On), bij Luxor die van Thebe (No) met de tempels van Karnak, waar de lijst van Sisak staat, en in de delta die van Tanis (Zoan). Minder zeker is waar precies Gosen en de voorraadsteden Pitom en Raamses lagen.

Bijbelverhalen in Egypte

Gerelateerde plaatsen

Bijbelse personen verbonden aan Egypte

Bijbelhoofdstukken die zich in Egypte afspelen

Leer meer over Egypte met AI BijbelAssistent

Wilt u dieper ingaan op de geschiedenis, de bijbelteksten of de theologische betekenis van Egypte? Onze AI-assistent helpt u verder.

Verdiep u verder