Exodus 12 in het kort: Exodus 12 is de scharniernacht van het boek. God stelt het Pascha in, geeft de maand een nieuw begin en verbindt redding aan een teken: het bloed van een lam aan de deurposten. In dezelfde nacht sterven de eerstgeborenen van Egypte en vertrekt Israël uit Rameses. Het hoofdstuk telt eenenvijftig verzen.
De kernverzen van Exodus 12 in de Statenvertaling
Vers 7 En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.
Vers 13 En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.
Vers 14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.
Het woord exodus is Grieks en betekent uittocht; het is de naam die de Griekse vertaling aan dit boek gaf, terwijl de Hebreeuwse titel de beginwoorden van het boek volgt. Alle eenenvijftig verzen leest u in de Statenvertaling op Exodus 12; over de Herziene Statenvertaling leest u meer op de pagina over de HSV. Verwijzingen luiden Ex. 12 of Exodus 12:1-51.
Het Eerste Pascha (verzen 1-20)
Exodus 12 begint met Gods gedetailleerde instructies voor het eerste Pascha. God spreekt tot Mozes en Aäron in Egypte en kondigt aan dat deze maand de eerste maand van hun jaar zal zijn - een nieuw begin voor het volk Israël. Het Paaslam moest een eenjarig, gaaf mannelijk dier zijn, gekozen op de tiende dag van de maand en bewaard tot de veertiende dag.