Het Eerste Pascha (verzen 1-20)
Exodus 12 begint met Gods gedetailleerde instructies voor het eerste Pascha. God spreekt tot Mozes en Aäron in Egypte en kondigt aan dat deze maand de eerste maand van hun jaar zal zijn - een nieuw begin voor het volk Israël. Het Paaslam moest een eenjarig, gaaf mannelijk dier zijn, gekozen op de tiende dag van de maand en bewaard tot de veertiende dag.
De instructies waren zeer specifiek: het lam moest 's avonds geslacht worden, en het bloed moest worden gestreken op de deurposten en bovendorpel van de huizen waar het gegeten zou worden. Het vlees moest die nacht geroosterd en volledig opgegeten worden, samen met ongezuurde broden en bittere kruiden. Niets mocht overblijven tot de morgen.
Bijzonder is dat de Israëlieten het moesten eten terwijl ze klaar stonden om te vertrekken - met hun lendenen omgord, sandalen aan de voeten en staf in de hand. Dit onderstreept de urgentie van hun vertrek en toont Gods timing voor hun verlossing.
De Betekenis van het Bloed (verzen 12-13)
Het centrale element van het Pascha was het bloed van het lam. God verklaart dat Hij door Egypte zal gaan en alle eerstgeborenen zal doden, maar dat Hij de huizen zal 'voorbijgaan' waar het bloed op de deurposten staat. Het Hebreeuwse woord 'pasach' betekent letterlijk 'voorbijgaan' of 'overslaan', vandaar de naam Pascha.