Ga naar hoofdinhoud
GenesisGenesis 46:1-7; 46:28-34; 47:1-12

Jakob gaat naar Egypte

Gods belofte in Berseba en het weerzien met Jozef

Samenvatting

Jakob gaat naar Egypte (Genesis 46-47) vertelt hoe de oude Jakob met zijn hele familie naar Egypte trekt. In Berseba belooft God in de nacht dat Hij meegaat en Jakob tot een groot volk zal maken. In Gosen ziet Jakob zijn zoon Jozef terug. Daarna zegent hij Farao, en de familie krijgt het beste van het land.

Bijbelgedeelte

“En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.”
Genesis 46:3 (Statenvertaling)
“Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.”
Genesis 46:4 (Statenvertaling)
“En Israel zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!”
Genesis 46:30 (Statenvertaling)
“En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.”
Genesis 47:9 (Statenvertaling)

Het verhaal

Genesis 46 en 47 vertellen hoe Jakob met zijn hele familie naar Egypte trok. Het is een deel van de geschiedenis van Jozef, die u in samenhang leest bij Jozef in Egypte. Jakob had net gehoord dat zijn zoon nog leefde, en hij had gezegd dat hij hem wilde zien voordat hij stierf (Genesis 45:28).

Wat beloofde God toen Jakob naar Egypte ging?

Jakob reisde met alles wat hij had naar Berseba en bracht daar offers aan de God van zijn vader Izak. In de nacht sprak God tot hem in gezichten en riep hem bij zijn naam: "Jakob, Jakob" (Genesis 46:2). Jakob antwoordde dat hij er was. Toen zei God: "Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten" (Genesis 46:3). Hij beloofde met Jakob mee te gaan en hem ook weer te doen optrekken, en Hij zei dat Jozef zijn hand op Jakobs ogen zou leggen (Genesis 46:4).

Daarna brak Jakob op uit Berseba. Zijn zonen zetten hem, hun vrouwen en hun kinderen op de wagens die Farao had gestuurd. Zij namen hun vee en hun bezit uit Kanaän mee. Zo kwam Jakob met al zijn nakomelingen in Egypte.

Hoe zag Jakob Jozef terug?

Jakob stuurde Juda vooruit naar Jozef, om de weg naar Gosen te laten wijzen. Jozef spande zijn wagen in en reisde zijn vader tegemoet. Toen hij bij hem kwam, viel hij hem om de hals en weende lang. Jakob zei: "Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft" (Genesis 46:30). De zoon om wie hij jaren had gerouwd, stond voor hem.

Waarom moesten de broers zeggen dat zij herders waren?

Jozef bereidde zijn familie voor op het gesprek met Farao. Als Farao naar hun werk vroeg, moesten zij zeggen dat zij van jongs af met vee omgingen, net als hun vaders. Dan konden zij in Gosen wonen, "want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel" (Genesis 46:34). Vijf broers gingen met Jozef naar Farao en vroegen of zij als vreemdelingen in Gosen mochten wonen, omdat er in Kanaän geen weide meer was. Farao zei tegen Jozef dat hij zijn familie in het beste van het land, in Gosen, mocht laten wonen, en dat bekwame mannen onder hen het opzicht over zijn vee mochten krijgen (Genesis 47:5-6).

Wat zei Jakob tegen Farao?

Toen bracht Jozef zijn vader bij Farao, en Jakob zegende Farao (Genesis 47:7). Farao vroeg hoe oud hij was. Jakob noemde zijn leven een vreemdelingschap van honderddertig jaar en zei: "weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest" (Genesis 47:9). Hij zegende Farao nog eens en ging weg. Jozef gaf zijn familie woningen en een bezitting in het beste van het land, in het land Rameses, en hij onderhield hen met brood, tot de kleinste kinderen toe (Genesis 47:12).

Achtergrond

Tussen het vertrek en het weerzien staat in Genesis 46:8-27 een lijst met de namen van Jakobs zonen en kleinzonen. Zij telt zeventig zielen van het huis van Jakob (Genesis 46:27; ook Exodus 1:5). Stefanus spreekt in Handelingen 7:14 van "vijf en zeventig zielen". Uitleggers verklaren dat verschillend. Een gangbare verklaring is dat Stefanus de oude Griekse vertaling volgt, die op die plaatsen vijfenzeventig heeft; anderen denken aan een andere manier van tellen. De tekst zelf lost het niet op.

Gosen is het gebied waar de familie ging wonen; Genesis 47:11 spreekt ook van het land Rameses. Waar het precies lag, zegt de tekst niet. Volgens Genesis 47:28 leefde Jakob daarna nog zeventien jaar in Egypte.

Betekenis

De hoofdpersoon van dit gedeelte is God, Die spreekt voordat Jakob het land verlaat. Hij stelt Zich voor als "die God, uws vaders God" (Genesis 46:3): de God van Abraham en Izak, Die Zijn verbond houdt. Veel uitleggers wijzen erop waarom Jakob die bemoediging nodig had. Abraham was in een hongersnood naar Egypte gegaan en kwam daar in moeite (Genesis 12:10-20), en tegen Izak had de HEERE gezegd: "Trek niet af naar Egypte" (Genesis 26:2). Nu geeft God Zelf de weg vrij, met een belofte erbij.

Die belofte heeft vier delen. God maakt Jakob in Egypte tot een groot volk; aan Abram had Hij al gezegd dat zijn zaad vreemdeling zou zijn in een land dat het hunne niet was (Genesis 15:13). Hij gaat met Jakob mee. Jozef zal bij hem zijn als hij sterft (Genesis 46:4). En Hij brengt hem terug. Dat gebeurde eerst toen Jakob in Kanaän werd begraven (Genesis 50:13), en later bij de uittocht. Exodus 1:7 laat zien dat het volk in Egypte inderdaad zeer talrijk werd.

Opvallend is dat de oude vreemdeling Jakob de machtige Farao zegent. God had beloofd dat in Abraham alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden (Genesis 12:3). Jakob noemt zijn leven eerlijk weinig en kwaad, en toch draagt hij die zegen. Hebreeën 11:13 zegt van de aartsvaders dat zij beleden "dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren". Zij zochten een beter vaderland, en God schaamde Zich niet hun God genoemd te worden (Hebreeën 11:16).

Lessen voor vandaag

God gaat mee waar Zijn volk heen moet. Jakob verliet op hoge leeftijd het beloofde land voor een vreemd land. Hij kreeg geen uitleg over alles wat zou komen, wel dit woord: "Ik zal met u aftrekken naar Egypte" (Genesis 46:4). Wie een verhuizing, een ziekenhuis of een onzekere toekomst tegemoet gaat, mag zich aan dezelfde God vasthouden, Die Zijn beloften houdt.

Het geloof maakt het leven niet mooier dan het is. Jakob sprak voor Farao eerlijk over zijn moeitevolle jaren, en toch zegende hij Farao. Wij hoeven ons verdriet niet weg te poetsen om tot zegen te zijn. God gebruikt zwakke en oude mensen om Zijn zegen door te geven.

God zorgt ook voor het dagelijkse. Hij had Jozef vooruit gezonden (Genesis 45:5 en Genesis 45:7), en nu kregen Jakob en zijn familie brood, "tot den mond der kinderkens toe" (Genesis 47:12). Wat God in Berseba beloofde, werd in Gosen zichtbaar: een woonplaats en brood, ook voor de kleinsten.

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 4 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

Jakob was een oude man geworden. Jarenlang had hij gedacht dat zijn zoon Jozef dood was. Maar nu wist hij het: Jozef leefde nog! Hij was zelfs heer over heel Egypte. Jozef had zijn vader gevraagd om naar Egypte te komen. In Kanaän was grote honger, en in Egypte zou Jozef voor hen zorgen.

Jakob ging op reis met alles wat hij had. Onderweg kwam hij in Berseba. Daar bracht hij offers aan God, de God van zijn vader Izak. Een offer is een gave voor God, om Hem te eren.

In de nacht sprak God tot Jakob. Hij riep: "Jakob, Jakob"! En Jakob zei: "Zie, hier ben ik"!

Toen zei God dat Jakob niet bang hoefde te zijn om naar Egypte te gaan. Daar zou God van zijn familie een groot volk maken. "Ik zal met u aftrekken naar Egypte", zei God. Aftrekken betekent hier: naar Egypte reizen. God zou met hem meegaan. En Hij zou hem later ook weer terugbrengen.

Toen ging Jakob verder. Zijn zonen zetten hun oude vader op een wagen. Die wagens had Farao, de koning van Egypte, gestuurd. Ook de vrouwen en de kinderen reden mee. Ze namen al hun schapen en koeien mee. Zo trok de hele familie naar Egypte.

Jakob stuurde Juda vooruit naar Jozef. Juda moest de weg naar Gosen laten wijzen. Gosen was een deel van Egypte. Daar zou de familie gaan wonen.

Toen spande Jozef zijn wagen in. Hij reisde zijn vader tegemoet. Jozef viel zijn vader om de hals en huilde lang. Jakob zei: "Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft"! Hij bedoelde dat hij nu rustig kon sterven, omdat hij zijn zoon levend had gezien.

Jozef nam vijf van zijn broers mee naar Farao. Farao vroeg wat voor werk ze deden. Ze zeiden dat ze herders waren, net als hun vaders. Ze vroegen of ze in Gosen mochten wonen. Farao vond het goed. Hij zei tegen Jozef dat zijn familie in het beste stuk van het land mocht wonen.

Toen bracht Jozef ook zijn vader bij Farao. Daar gebeurde iets bijzonders. De oude Jakob zegende de machtige koning. Hij vroeg God om het goede voor Farao.

Farao vroeg hoe oud Jakob was. Jakob zei dat hij honderddertig jaar was. Hij zei ook dat zijn leven zwaar was geweest: "weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest". Daarna zegende Jakob Farao nog een keer en ging weg.

Jozef gaf zijn vader en zijn broers huizen en land in Egypte. Hij zorgde voor hen allemaal. Iedereen kreeg brood, tot de kleinste kinderen toe. Zo begon God te doen wat Hij in de nacht had beloofd. Hij ging met Jakob mee naar Egypte, en Hij zorgde voor zijn hele familie.

Om te onthouden
“Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken” (Genesis 46:4)

Tips voor de verteller

  • Leg de woorden aftrekken en optrekken één keer uit: naar Egypte gaan en weer terugkomen in Kanaän. God beloofde allebei. Oudere kinderen kunt u vertellen dat Jakob na zijn dood in Kanaän werd begraven (Genesis 50:13) en dat het volk veel later onder Mozes uit Egypte trok.
  • Een kind kan vragen waarom Jakob bang zou zijn, terwijl Jozef in Egypte woonde. De Bijbel zegt niet wat Jakob dacht, alleen dat God Jakob bemoedigde. U kunt vertellen dat Egypte buiten het land lag dat God aan Abraham had beloofd, en dat God tegen Izak had gezegd daar niet heen te gaan (Genesis 26:2).
  • Voor jonge kinderen kunt u het gesprek met Farao kort houden. Leg de nadruk op Gods belofte in de nacht en op het weerzien van Jozef en zijn vader. Genesis 46:29-30 kunt u zelf uit de Bijbel voorlezen.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWie sprak in de nacht tegen Jakob?
  2. NavertellenWat deed Jozef toen hij zijn vader zag?
  3. VerwonderenWat vind jij het mooiste dat God aan Jakob beloofde?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenWat zei Jakob tegen Farao over zijn leven?
  2. BetekenisGod riep Jakob in de nacht bij zijn naam en beloofde mee te gaan. Waarom gaf God Jakob die belofte vóór de reis?
  3. ToepassingGod ging met Jakob mee naar een vreemd land. Wanneer heb jij het nodig dat God met je meegaat, en hoe kun je dat aan Hem vragen?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Genesis 15:13-14. Wat had God aan Abram gezegd over zijn nakomelingen, en hoe begint dat in deze geschiedenis uit te komen?
  2. Wie is God?God stelde Zich aan Jakob voor als "die God, uws vaders God". Wat zegt dat over Wie God voor Jakob was, en over Wie Hij voor jou kan zijn?
  3. Moeilijke vraagJakob noemde zijn leven weinig en kwaad, terwijl God Jakob grote beloften had gegeven. Kun je eerlijk zijn over moeite en tegelijk op God vertrouwen? Hoe gaat dat samen?

Gebedspunt: Dank God dat Hij met Zijn kinderen meegaat, ook naar een vreemde plaats, en dat Hij Zijn beloften houdt. Bid voor wie moet verhuizen of vluchten, dat de Heere ook hen niet verlaat.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

Gods beloftenGods nabijheidVreemdelingschapWeerzien en vreugdeGods zorg

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over Jakob gaat naar Egypte

Waar staat het verhaal van Jakob die naar Egypte gaat in de Bijbel?

Deze geschiedenis staat in Genesis 46 en 47. Genesis 46:1-7 vertelt over Gods belofte in Berseba en het vertrek, Genesis 46:8-27 geeft de namen van Jakobs nakomelingen, Genesis 46:28-34 beschrijft het weerzien met Jozef, en Genesis 47:1-12 het bezoek aan Farao. Daarvoor staat in Genesis 45 hoe Jozef zich bekendmaakte aan zijn broers. Psalm 105:23 en Handelingen 7:14-15 vatten de reis kort samen.

Waarom zei God tegen Jakob dat hij niet bang hoefde te zijn?

God zei: "vrees niet van af te trekken naar Egypte" (Genesis 46:3). De tekst zegt niet wat Jakob vreesde. Veel uitleggers wijzen op wat eraan voorafging: Abraham kwam in Egypte in moeite (Genesis 12:10-20), en tegen Izak had de HEERE gezegd niet naar Egypte te gaan (Genesis 26:2). Jakob verliet bovendien het land dat God aan zijn vaders had beloofd. Daarom gaf God Jakob een belofte: Hij zou meegaan, hem tot een groot volk maken en hem weer doen optrekken.

Hoeveel mensen gingen er met Jakob mee naar Egypte?

Genesis 46:26 noemt zesenzestig zielen die met Jakob meekwamen, de vrouwen van zijn zonen niet meegerekend. Met Jakob, Jozef en zijn twee zonen telt het huis van Jakob zeventig zielen (Genesis 46:27; Exodus 1:5). Stefanus noemt in Handelingen 7:14 "vijf en zeventig zielen". Uitleggers verklaren dat verschillend; een gangbare verklaring is dat hij de oude Griekse vertaling volgt, die daar ook dat getal heeft. Het werkelijke aantal mensen was groter, want de vrouwen van Jakobs zonen zijn niet meegeteld (Genesis 46:26).

Wat betekent "Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen"?

Met deze woorden (Genesis 46:4) beloofde God dat Jozef bij Jakob zou zijn als hij stierf. De gangbare uitleg is dat Jozef zijn vader de ogen zou sluiten, wat een zoon bij het sterven van zijn vader deed. Zo kreeg Jakob de zekerheid dat hij zijn zoon niet opnieuw zou verliezen. Het kwam uit: toen Jakob gestorven was, "viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem" (Genesis 50:1).

Waarom waren herders een gruwel voor de Egyptenaren?

De Bijbel zegt alleen dat het zo was: "want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel" (Genesis 46:34). Een reden geeft de tekst niet, en de verklaringen van uitleggers blijven vermoedens. Wel noemt de tekst het doel: Jozef liet zijn broers eerlijk zeggen dat zij herders waren, opdat zij in Gosen mochten wonen. Veel uitleggers zien daarin dat de familie zo apart bleef van de Egyptenaren en daar tot een volk kon uitgroeien.

Waarom zegende Jakob Farao?

Genesis 47:7 en 47:10 zeggen tweemaal dat Jakob Farao zegende, bij aankomst en bij vertrek. Een zegen is een bede om Gods goede gaven voor een ander. Opvallend is dat de oude vreemdeling de machtige koning zegent, en niet andersom. Hebreeën 7:7 zegt dat "hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is". Veel uitleggers zien hierin iets van Gods belofte aan Abraham, dat in hem alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden (Genesis 12:3). Farao had de familie opgenomen, en Jakob gaf hem de zegen van de God van zijn vaders.

Ging Jakob naar Egypte om daar voorgoed te blijven?

Nee. God beloofde Jakob in Berseba: "Ik zal u doen weder optrekken" (Genesis 46:4). Jakob woonde nog zeventien jaar in Egypte (Genesis 47:28), maar hij liet Jozef zweren dat hij niet in Egypte begraven zou worden. Na zijn dood brachten zijn zonen hem naar Kanaän, naar het graf in Machpela (Genesis 50:13). Veel later trok het hele volk onder Mozes uit Egypte; hoe lang het verblijf duurde, rekenen uitleggers verschillend (Exodus 12:40 en Galaten 3:17). Egypte was een plaats van bewaring, geen eindbestemming.

Hoe vertelt u het verhaal van Jakob die naar Egypte gaat aan kinderen?

Deze geschiedenis is geschikt vanaf ongeveer 6 jaar. Op deze pagina staat een vertelling die Genesis 46 en 47 volgt, met een tekst om te onthouden en tips voor de verteller. Leg de nadruk op Gods belofte in de nacht, dat Hij met Jakob meegaat, en op het weerzien van vader en zoon. Het gesprek met Farao kunt u voor jonge kinderen kort houden. Laat aan het slot zien dat God begon te doen wat Hij beloofd had: Hij ging mee en zorgde voor de hele familie.

Stel een vraag over Jakob gaat naar Egypte

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder