Inleiding tot Jeremia 43
Jeremia hoofdstuk 43 vormt een dramatisch keerpunt in de geschiedenis van het joodse volk na de val van Jeruzalem. Het beschrijft hoe het overblijvende volk, ondanks Gods duidelijke instructies, kiest voor wat zij zien als een veilige oplossing: vluchten naar Egypte. Dit hoofdstuk toont pijnlijk duidelijk hoe mensen vaak hun eigen weg kiezen boven Gods weg, zelfs wanneer Zijn boodschap kristalhelder is.
Het Ongeloof van de Leiders (verzen 1-3)
Nadat Jeremia Gods boodschap heeft overgebracht - dat het volk in het land moet blijven - reageren de leiders met openlijke rebellie. Azarja, zoon van Hosaja, en Johanan, zoon van Kareach, beschuldigen Jeremia er ronduit van dat hij liegt. Zij beweren dat Baruch, Jeremia's schrijver, de profeet heeft aangezet tot deze boodschap.
Deze reactie onthult een diepliggend probleem: wanneer Gods woord niet strookt met onze eigen plannen of angsten, zijn we geneigd de boodschapper te diskrediteren in plaats van ons hart te onderzoeken. De leiders hadden al besloten naar Egypte te gaan en wilden geen boodschap horen die hun plannen doorkruiste.
De Gedwongen Vlucht naar Egypte (verzen 4-7)
Tegen Gods expliciete waarschuwing in nemen Johanan en de andere bevelhebbers het hele overblijvende volk mee naar Egypte. Tragisch genoeg worden ook Jeremia en Baruch gedwongen mee te gaan. Het volk dat had moeten luisteren naar Gods profeet, sleept hem nu mee in hun ongehoorzaamheid.