Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1400 v.Chr.

De farao van de uittocht in de Bijbel

Par’o (פַּרְעֹה, Hebreeuws) - “Groot huis (Egyptische koningstitel)”

Wie was de farao van de uittocht?

De farao van de uittocht was de koning van Egypte die weigerde Israël te laten gaan. Tegenover Mozes en Aaron verhardde hij zijn hart onder de plagen. Na de dood van de eerstgeborenen liet hij het volk trekken, achtervolgde het daarna en verloor zijn leger in de zee (Exodus 14:28).

De farao van de uittocht heeft in de Bijbel geen eigennaam. De Statenvertaling noemt hem eenvoudig Farao, zonder lidwoord, of "de koning van Egypte". Zijn geschiedenis staat in Exodus 1 tot en met 14, met een terugblik in het lied van Mozes (Exodus 15) en een aanhaling door Paulus in Romeinen 9:17. Strikt genomen gaat het om minstens twee koningen. Exodus 1 vertelt over een nieuwe koning, "die Jozef niet gekend had" (Exodus 1:8). Hij maakte van Israël een volk van dwangarbeiders, gaf de vroedvrouwen Sifra en Pua het bevel de pasgeboren jongens te doden en liet daarna alle zonen in de rivier werpen. Na vele jaren stierf de koning van Egypte (Exodus 2:23), en God zei tegen Mozes in Midian dat al de mannen gestorven waren die hem naar het leven stonden (Exodus 4:19). De farao die Mozes en Aaron bij hun terugkeer tegenover zich vonden, was dus een latere koning. Hoeveel farao's er tussen Exodus 1:8 en Exodus 2:23 regeerden, zegt Exodus niet. Deze pagina behandelt hen samen, omdat de koning van de uittocht de verdrukking voortzette en omdat Exodus hen allen met dezelfde titel aanduidt. Het hart van het verhaal is een reeks ontmoetingen. Mozes en Aaron brengen het woord: "Laat Mijn volk trekken" (Exodus 5:1). Farao antwoordt: "Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken" (Exodus 5:2). Daarna volgen de plagen, de beloften die hij intrekt, de schuldbelijdenis zonder omkeer, de nacht waarin ook zijn eigen eerstgeborene sterft, en ten slotte de achtervolging tot in de zee. Niet te verwarren met de farao van Jozef. Die koning, eeuwen eerder, verhoogde Jozef tot onderkoning en ontving Jakob met eer (Genesis 41:38-41, Genesis 47:7). Exodus 1:8 markeert juist de breuk met die tijd. Ook de latere farao's uit Koningen en de profeten, zoals Necho en Hofra, zijn andere personen.

Historische context

De Bijbel noemt geen jaartal voor de uittocht en geen naam van de farao. Wie 1 Koningen 6:1 letterlijk rekent (de tempelbouw in het vierde jaar van Salomo, 480 jaar na de uittocht), komt uit rond 1450 tot 1400 voor Christus. Anderen denken aan de dertiende eeuw, onder meer omdat Exodus 1:11 de schatstad Raamses noemt. Deze pagina houdt het bij ongeveer 1400 voor Christus, met nadrukkelijk voorbehoud. Daarmee hangt ook de identificatie samen. Bij de vroege datering worden Thoetmosis III of Amenhotep II genoemd, bij de late Ramses II of zijn zoon Merenptah. Geen van die voorstellen is bewezen; het blijft uitleg. Wel vast staat dat een stele van Merenptah, uit het eind van de dertiende eeuw voor Christus, Israël al als volk in Kanaän vermeldt. Dat geldt algemeen als de oudste bekende vermelding van Israël buiten de Bijbel. Het woord farao komt van het Egyptische per-aa, letterlijk groot huis. Het duidde eerst het paleis aan en werd later de titel van de koning zelf. In de Egyptische koningsideologie gold de farao als zoon van de zonnegod en als hoeder van de wereldorde. Dat geeft scherpte aan de woorden van God: "Ik zal gerichten oefenen aan alle goden der Egyptenaren" (Exodus 12:12), en aan Exodus 7:1, waar Mozes "tot een god" over Farao gezet wordt. De Israëlieten woonden in het land Gosen (Genesis 47:27), dat doorgaans in de oostelijke Nijldelta wordt gezocht. Zij moesten werken "in leem en in tichelstenen" (Exodus 1:14). Stenen van gedroogde Nijlklei, gemengd met stro voor de stevigheid, waren in Egypte het gewone bouwmateriaal. Daarom trof het bevel om geen stro meer te leveren, terwijl het aantal stenen gelijk bleef, het volk zo hard (Exodus 5:7-8). Exodus 14 situeert de doortocht bij Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee, tegenover Baal-Zefon (Exodus 14:2). Die plaatsen zijn niet met zekerheid te lokaliseren. De Statenvertaling noemt het water de Schelfzee (Exodus 15:4); de gangbare naam is de Rode Zee. Strijdwagens waren in de tijd van het Nieuwe Rijk een belangrijk onderdeel van het Egyptische leger; met zeshonderd uitgelezen wagens zette Farao de achtervolging in (Exodus 14:7).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Hij kon zijn schuld onder woorden brengen: hij erkende dat hij gezondigd had en dat de HEERE rechtvaardig is (Exodus 9:27), al leidde dat niet tot omkeer
  • Hij liet zich soms gezeggen: na de waarschuwing van zijn knechten liet hij Mozes en Aaron terughalen (Exodus 10:7-8)
  • Hij vroeg Mozes om voorbede en om een zegen (Exodus 8:28, Exodus 12:32)

−Zwakke kanten

  • Hoogmoedig tegenover God: hij weigerde de HEERE te erkennen (Exodus 5:2)
  • Hard en wreed tegenover een weerloos volk, tot het doden van kinderen toe (Exodus 1:22, Exodus 5:9)
  • Onbetrouwbaar: hij beloofde telkens het volk te laten gaan en trok dat in zodra de druk wegviel (Exodus 8:15, Exodus 9:34)

Theologische betekenis

Het boek Exodus zegt met zoveel woorden waarom deze geschiedenis zo verloopt. Al bij de roeping kondigt God aan: "Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan" (Exodus 4:21). In het verhaal zelf staan twee lijnen naast elkaar. Farao verzwaart zijn eigen hart (Exodus 8:15, Exodus 8:32, Exodus 9:34), en de HEERE verstokt het hart van Farao (Exodus 9:12, Exodus 10:20, Exodus 11:10). De Schrift laat beide staan en kiest niet tussen menselijke schuld en Gods bestuur. Gereformeerde uitleggers lezen die verharding als een rechtvaardig oordeel. God is geen oorzaak van de zonde, maar Hij laat een koning die Hem bewust weerstaat in zijn hardheid, en gebruikt dat verzet voor Zijn doel. Dat God de verharding al vooraf aankondigde (Exodus 4:21, Exodus 7:3), toont dat ook dit verzet niet buiten Zijn raad valt. De schuld blijft bij Farao zelf, die vroeg wie de HEERE was, "Wiens stem ik gehoorzamen zou" (Exodus 5:2). Het verhaal geeft op die vraag het antwoord. Telkens klinkt het doel: de Egyptenaars zullen weten dat Hij de HEERE is (Exodus 7:5, Exodus 14:18). En God zegt tegen Farao: "daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde" (Exodus 9:16). Paulus haalt dat woord aan in Romeinen 9:17, in zijn betoog dat het heil "niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods" is (Romeinen 9:16). Hij besluit: "Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil" (Romeinen 9:18). Paulus beantwoordt daarmee niet elke vraag. Hij vraagt zelf of er onrechtvaardigheid bij God is en wijst die gedachte af (Romeinen 9:14): God blijft rechtvaardig, ook waar wij het niet kunnen doorgronden. Er is ook een lijn van het eerstgeborenschap. God noemt Israël "Mijn zoon, Mijn eerstgeborene" (Exodus 4:22) en waarschuwt Farao dat zijn eigen eerstgeborene zal sterven als hij Gods zoon niet laat gaan (Exodus 4:23). Wat Farao met de zonen van Israël wilde doen, kwam op zijn eigen huis terug. In het Pascha werden de eerstgeborenen van Israël gespaard door het bloed van het lam. Het Nieuwe Testament ziet daarin een voorafschaduwing van Christus, "ons Pascha" (1 Korinthe 5:7). Later in de Bijbel blijft de farao een waarschuwend voorbeeld. De Filistijnen vragen waarom zij hun hart zouden verzwaren, "gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben" (1 Samuël 6:6), en Nehemia belijdt dat God tekenen deed aan Farao, omdat Hij wist "dat zij trotselijk tegen hen handelden" (Nehemia 9:10).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Par’o (פַּרְעֹה, Hebreeuws)

Betekenis

Groot huis (Egyptische koningstitel)

Sleutelmomenten

1

Dwangarbeid en schatsteden

Een nieuwe koning ziet het talrijke Israël als een bedreiging. Hij stelt opzichters aan en laat het volk de schatsteden Pitom en Raamses bouwen, maar hoe meer het verdrukt wordt, hoe meer het groeit.

Exodus 1:8-14

2

Het bevel tegen de jongens

De koning beveelt de vroedvrouwen Sifra en Pua de jongens bij de geboorte te doden. Zij vrezen God en doen het niet. Daarop beveelt hij al zijn volk alle pasgeboren zonen in de rivier te werpen.

Exodus 1:15-22

3

Wie is de HEERE?

Mozes en Aaron vragen namens de HEERE of het volk mag gaan. Farao weigert, zegt dat hij de HEERE niet kent, en laat het volk voortaan zelf stro zoeken voor hetzelfde aantal tichelstenen.

Exodus 5:1-9

4

De staf van Aaron

Aarons staf wordt een draak en verslindt de staven van de Egyptische tovenaars. Toch verstokt het hart van Farao, zoals de HEERE gezegd had.

Exodus 7:8-13

5

Beloften die niet standhouden

Onder de plagen biedt Farao eerst aan dat Israël in Egypte mag offeren en belooft daarna het volk te laten gaan. Zodra het ongedierte wijkt, verzwaart hij zijn hart.

Exodus 8:25-32

6

Schuld belijden zonder om te keren

Tijdens de hagel roept Farao Mozes en Aaron en zegt dat hij gezondigd heeft en dat de HEERE rechtvaardig is. Als de hagel en de donder ophouden, zondigt hij verder en verzwaart zijn hart.

Exodus 9:27-35

7

De nacht van de eerstgeborenen

Om middernacht sterven de eerstgeborenen in Egypte, ook de zoon van Farao die hem zou opvolgen. Nog in de nacht roept hij Mozes en Aaron en laat het volk met zijn vee vertrekken.

Exodus 12:29-32

8

De achtervolging tot in de zee

Farao heeft spijt dat hij Israël liet gaan en jaagt het na met zeshonderd uitgelezen wagens. Israël gaat op het droge door de zee; de wateren keren terug over de wagens en ruiters van zijn leger.

Exodus 14:5-28

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de farao van de uittocht beter te begrijpen.

Exodus 1:8

“Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;”

De breuk met de tijd van Jozef. Voor deze koning telde de redding van Egypte door Jozef niet meer.

Exodus 1:22

“Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het leven behouden.”

Nadat de vroedvrouwen weigerden, maakt de koning het hele Egyptische volk tot uitvoerder van zijn bevel. In deze tijd wordt Mozes geboren.

Exodus 5:2

“Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken.”

De kernvraag van de hele geschiedenis. De plagen en de doortocht geven er het antwoord op.

Exodus 7:3

“Doch Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen.”

God kondigt de verharding aan voordat de eerste plaag komt. Het verzet van Farao valt niet buiten Zijn bestuur.

Exodus 9:16

“Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde.”

God zegt tegen Farao waartoe hij koning is. Paulus haalt dit vers aan in Romeinen 9:17.

Exodus 9:27

“Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aaron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!”

Een schuldbelijdenis onder de hagel. Zeven verzen later verzwaart Farao opnieuw zijn hart.

Exodus 12:31

“Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt.”

Na de dood van de eerstgeborenen geeft Farao toe. Hij geeft nu toe wat Mozes vanaf het begin had gevraagd: het volk mag gaan om de HEERE te dienen.

Exodus 14:28

“Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet een van hen over.”

Het einde van de achtervolging. Het leger waarmee Farao Israël wilde terughalen, komt om in de zee.

Romeinen 9:17

“Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.”

Paulus gebruikt Exodus 9:16 om te laten zien dat God vrij is in Zijn ontferming en Zijn oordeel.

Tijdperiode

~1400 v.Chr.

De farao van de uittocht leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

De farao vroeg: "Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken?" (Exodus 5:2). Hij stelde die vraag niet om het antwoord te horen, maar om de HEERE af te wijzen. Wie zo spreekt, krijgt toch een antwoord, alleen niet op de manier die hij zou kiezen. Gods Naam wordt bekend, met of zonder onze medewerking. Dat maakt ons voorzichtig met de gedachte dat wij God kunnen negeren zonder gevolgen. Soms leek de farao dicht bij inkeer te komen. Hij zei dat hij gezondigd had en vroeg om gebed, maar zodra de hagel ophield, ging hij verder als voorheen (Exodus 9:34). Spijt onder druk is nog geen bekering. Voor ons is dat een vraag om eerlijk te zijn: willen wij van onze zonde af, of alleen van de gevolgen? Het verzwaren van het hart gebeurde niet in één keer maar stap voor stap, belofte na belofte. Wie Gods woord telkens uitstelt, merkt vaak niet hoe het hart harder wordt. Daarom klinkt de oproep: "Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet" (Hebreeën 3:15). De geschiedenis van de farao is bovenal een troost voor wie verdrukt wordt. De machtigste koning van zijn tijd kon Gods belofte aan Abraham, Izak en Jakob niet tegenhouden. Hoe meer hij het volk verdrukte, hoe meer het groeide (Exodus 1:12). Mozes zei bij de zee: "De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn" (Exodus 14:14). Wij mogen erop vertrouwen dat God ook nu Zijn volk niet loslaat.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over de farao van de uittocht

Wie was de farao van de uittocht in de Bijbel?
De farao van de uittocht was de koning van Egypte die Mozes en Aaron tegenover zich vond. Hij weigerde Israël te laten gaan, verzwaarde de dwangarbeid en verhardde zijn hart onder de plagen. Na de dood van de eerstgeborenen liet hij het volk trekken, maar hij joeg het daarna na met zijn wagens. Zijn leger kwam om in de zee (Exodus 14:28). De Bijbel noemt geen eigennaam; de Statenvertaling zegt eenvoudig Farao of de koning van Egypte.
Wat betekent het woord farao?
Farao is geen eigennaam maar een titel. Het woord komt van het Egyptische per-aa, wat letterlijk groot huis betekent. Eerst was dat de naam van het koninklijk paleis, later werd het de aanduiding van de koning zelf. In het Hebreeuws is het Par’o. De Statenvertaling schrijft Farao met een hoofdletter en zonder lidwoord, alsof het een naam is: "Maar Farao zeide" (Exodus 5:2).
Waar staat de farao van de uittocht in de Bijbel?
Zijn geschiedenis staat in Exodus 1 tot en met 14. Exodus 1 beschrijft de dwangarbeid en het bevel tegen de jongens, Exodus 5 de eerste ontmoeting met Mozes en Aaron, Exodus 7 tot en met 12 de plagen en de nacht van de eerstgeborenen, en Exodus 14 de achtervolging tot in de zee. Hij wordt later nog genoemd in Exodus 15, 1 Samuël 6:6, Nehemia 9:10, Psalm 136:15 en Romeinen 9:17.
Hoe heette de farao van de uittocht?
Dat weten wij niet. De Bijbel noemt geen eigennaam, en Egyptische bronnen vermelden de uittocht niet. Bij een vroege datering, rond 1450 tot 1400 voor Christus op basis van 1 Koningen 6:1, worden Thoetmosis III of Amenhotep II genoemd. Bij een late datering in de dertiende eeuw denkt men vaak aan Ramses II of zijn zoon Merenptah. Dat zijn uitleggingen, geen vaststaande feiten. Voor het verstaan van Exodus is de naam niet nodig.
Is de farao van Mozes dezelfde als de farao van Jozef?
Nee. De farao van Jozef leefde eeuwen eerder. Hij liet Jozef dromen uitleggen, stelde hem aan over heel Egypte en ontving Jakob aan zijn hof (Genesis 41:38-41, Genesis 47:7). Exodus 1:8 markeert de breuk met die tijd: "Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had". Ook de farao die Sara naar zijn huis liet halen (Genesis 12:15) is een ander.
Was de farao van Exodus 1 dezelfde als die van de uittocht?
Vrijwel zeker niet. De koning van Egypte stierf terwijl Mozes in Midian was (Exodus 2:23), en God zei tegen Mozes dat al de mannen dood waren die hem naar het leven stonden (Exodus 4:19). De farao tegenover wie Mozes en Aaron kwamen te staan, was dus een latere koning. Hoeveel farao's er tussen Exodus 1:8 en Exodus 2:23 regeerden, zegt Exodus niet; het gaat om minstens twee. Exodus noemt hen allen Farao, en de verdrukking ging onder hen door.
Waarom verhardde God het hart van de farao?
Exodus noemt twee kanten. Farao verzwaarde zelf zijn hart (Exodus 8:15, Exodus 9:34), en God verstokte zijn hart (Exodus 9:12, Exodus 10:20). Gereformeerde uitleggers zien daarin een rechterlijk oordeel over een koning die God bewust weerstond. Het doel noemt God zelf: "opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde" (Exodus 9:16). De verantwoordelijkheid van Farao wordt daarmee niet weggenomen.
Wat zei de farao tegen Mozes en Aaron?
Bij de eerste ontmoeting antwoordde hij: "Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken" (Exodus 5:2). Later deed hij halve aanbiedingen en zei hij zelfs: "Ik heb mij ditmaal verzondigd" (Exodus 9:27). Na de duisternis wees hij Mozes de deur: "Ga van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet" (Exodus 10:28).
Is de farao verdronken in de Rode Zee?
Dat zegt de Bijbel niet met zoveel woorden. Exodus 14 vertelt dat de wateren de wagens en ruiters van het hele leger van de farao bedekten, zodat er niet een van hen overbleef (Exodus 14:28). Psalm 136:15 zegt dichterlijk: "Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee". Sommige uitleggers lezen dat als de dood van de koning, anderen als het oordeel over zijn macht en leger.
Welke andere farao’s komen in de Bijbel voor?
De Bijbel noemt meerdere farao’s, die niet dezelfde persoon zijn als de farao van de uittocht. Er is de farao van Abraham en Sara (Genesis 12:15) en de farao van Jozef (Genesis 41). Salomo trouwde met een dochter van een farao (1 Koningen 3:1). Later komen ook andere koningen van Egypte voor, zoals Sisak, die de Statenvertaling niet Farao noemt (1 Koningen 14:25). Met de titel Farao staan er Farao Necho, die koning Josia doodde (2 Koningen 23:29), en Farao Hofra (Jeremia 44:30).
Wat zegt het Nieuwe Testament over de farao?
Paulus haalt in Romeinen 9:17 het woord van God aan Farao aan: "Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde." Hij gebruikt het om te laten zien dat God vrij is in ontferming en verharding (Romeinen 9:18). Stefanus noemt in Handelingen 7:18-19 de koning die Jozef niet kende, en Hebreeën 11 spreekt over het geloof van Mozes tegenover de koning van Egypte.
Wat kunnen wij leren van de farao van de uittocht?
De farao laat zien dat spijt onder druk nog geen bekering is. Hij beleed zijn zonde en vroeg om gebed, maar zodra de plaag voorbij was, verzwaarde hij zijn hart opnieuw. Dat waarschuwt ons om Gods woord niet uit te stellen. Tegelijk troost zijn geschiedenis: hoe meer hij Israël verdrukte, hoe meer het groeide (Exodus 1:12). Geen aardse macht kan Gods beloften aan Zijn volk tegenhouden.

Stel een vraag over de farao van de uittocht

Wilt u meer weten over de farao van de uittocht? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over de farao van de uittocht

Bijbelverhalen rond de farao van de uittocht

Verdiep u verder