Dordtse Leerregels hoofdstuk 1: Van de Goddelijke verkiezing en verwerping
In het kort
Dordtse Leerregels hoofdstuk 1 belijdt dat God uit louter genade verkiest in Christus. Het hoofdstuk begint bij de verloren mens en het Evangelie en beschrijft dan de verkiezing en de zekerheid ervan. Het eindigt bij de verwerping, de troost voor wie tobt en de aanbidding van Gods wijsheid.
Dordtse Leerregels hoofdstuk 1 gaat over de Goddelijke verkiezing en verwerping. Toch begint het niet bij Gods verborgen raad. De eerste artikelen spreken over de mens, over het Evangelie en over het geloof. Pas daarna komt de verkiezing ter sprake. Wie over de verkiezing nadenkt, moet eerst weten wie de mens is en wat God in het Evangelie aanbiedt.
Eerst het Evangelie (artikel 1-5)
Het hoofdstuk legt eerst de schuld van alle mensen vast. Paulus schrijft: "zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods". Maar God heeft Zijn liefde getoond door Zijn Zoon in de wereld te zenden. Hij zendt ook predikers, zodat mensen geroepen worden tot bekering en geloof.
Wie het Evangelie niet gelooft, blijft onder de toorn van God. Wie Christus met een waar geloof aanneemt, wordt behouden. De schuld van het ongeloof ligt bij de mens zelf, niet bij God. Het geloof is daarentegen een gave: "uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof".
De verkiezing zelf (artikel 6-11)
Waarom geeft God het geloof aan de een wel en aan de ander niet? Artikel 6 antwoordt dat dit voortkomt uit Gods eeuwig besluit. God heeft mensen verkoren die niet beter waren dan anderen. Paulus zegt dat God ons "uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld".
De verkiezing rust niet op geloof of goede werken die God van tevoren zag aankomen. Het geloof is juist een vrucht van de verkiezing, geen voorwaarde ervoor. De oorzaak ligt alleen in Gods welbehagen, dat wil zeggen: in wat God vrij heeft willen doen. Daarom staat de verkiezing vast, zoals artikel 11 uitwerkt.
Zekerheid en prediking (artikel 12-14)
Hoe wordt een gelovige zeker van zijn verkiezing? Niet door Gods verborgenheden te doorzoeken, zegt artikel 12. De gelovige let op wat God in hem werkt, zoals het ware geloof in Christus en droefheid over de zonde. Die zekerheid maakt nederig en dankbaar, niet zorgeloos. Daarom moet de kerk deze leer ook prediken, met eerbied en zonder nieuwsgierig te speculeren.
Verwerping, troost en aanbidding (artikel 15-18)
Artikel 15 spreekt over de verwerping. God heeft besloten sommigen te laten in de ellende waarin zij zich door eigen schuld gestort hebben, en hen om hun zonden te straffen. God wordt daardoor geen oorzaak van de zonde. Artikel 16 richt zich tot wie vreest verworpen te zijn. Wie de middelen gebruikt en naar God verlangt, hoeft niet mismoedig te worden. Artikel 17 troost gelovige ouders van jong gestorven kinderen.
Het hoofdstuk eindigt niet met een redenering, maar met aanbidding. Artikel 18 neemt de woorden van Paulus over: "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods". Daar mag ook de lezer uitkomen: niet bij een sluitend systeem, maar bij eerbied voor God.
De artikelen van hoofdstuk I
- Artikel 1‘Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben …’Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 1 belijdt dat alle mensen in Adam gezondigd hebben.
- Artikel 2‘Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard …’Artikel 2 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels belijdt Gods liefde in Christus.
- Artikel 3‘En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht …’In artikel 3 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels belijdt de kerk dat God predikers zendt.
- Artikel 4‘Die dit Evangelie niet geloven …’Artikel 4 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels noemt de twee uitkomsten van de prediking: geloof en ongeloof.
- Artikel 5‘De oorzaak of schuld van dat ongeloof …’Dordtse Leerregels 1, artikel 5 noemt de oorzaak van ongeloof: die ligt niet in God, maar in de mens zelf.
- Artikel 6‘Dat God sommigen in den tijd met het geloof begiftigt …’Dat God de een het geloof schenkt en de ander niet, komt volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 6 voort uit Zijn eeuwig besluit.
- Artikel 7‘Deze verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods …’Dordtse Leerregels 1, artikel 7 geeft de bekende omschrijving van de verkiezing: Gods onveranderlijk voornemen om zondaren uit genade in Christus zalig te maken.
- Artikel 8‘De voormelde verkiezing is niet menigerlei …’Er is maar één verkiezing voor allen die zalig worden, leert Dordtse Leerregels 1, artikel 8.
- Artikel 9‘Deze zelfde verkiezing is geschied, niet uit het voorgezien geloof …’Artikel 9 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels belijdt dat de verkiezing niet uit voorzien geloof is geschied.
- Artikel 10‘De oorzaak van deze genadige verkiezing is eniglijk het welbehagen Gods …’Gods welbehagen is volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 10 de enige oorzaak van de genadige verkiezing.
- Artikel 11‘En gelijk God Zelf op het hoogste wijs …’Omdat God Zelf onveranderlijk, alwetend en almachtig is, kan Zijn verkiezing volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 11 niet worden herroepen of veranderd.
- Artikel 12‘Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid …’Volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 12 worden de uitverkorenen zeker van hun verkiezing door de vruchten ervan bij zichzelf op te merken.
- Artikel 13‘Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing …’De vrucht van zekerheid is volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 13 een ootmoedig, dankbaar en heilig leven, en geen zorgeloosheid.
- Artikel 14‘Voorts, gelijk deze leer van de Goddelijke verkiezing …’Volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 14 moet de kerk de verkiezing ook nu prediken, omdat de Schrift er zelf over spreekt.
- Artikel 15‘Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing …’Artikel 15 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels belijdt de verwerping: God gaat sommige mensen in Zijn eeuwige verkiezing voorbij.
- Artikel 16‘Die het levend geloof in Christus …’Dordtse Leerregels 1, artikel 16 biedt troost voor bevreesden: mensen die bang zijn dat zij verworpen zijn.
- Artikel 17‘Nademaal wij van den wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen …’Godvrezende ouders hoeven volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 17 niet te twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun jonggestorven kinderen.
- Artikel 18‘Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende verkiezing …’Op het morren tegen de verkiezing antwoordt Dordtse Leerregels 1, artikel 18 met Paulus: "o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt"?
Bijbelse onderbouwing
“Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;”
De verkiezing vond plaats in Christus en vóór de schepping, en heeft heiligheid tot doel en niet tot voorwaarde, zoals artikel 9 uitlegt.
“En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.”
Artikel 7 sluit met deze gouden keten af: wie God te voren verordineerd heeft, roept, rechtvaardigt en verheerlijkt Hij ook.
“Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;”
God maakte onderscheid tussen Jakob en Ezau voordat zij iets goeds of kwaads gedaan hadden, zodat de verkiezing niet uit de werken voortkomt.
“Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.”
Lukas schrijft dat zovelen tot geloof kwamen als er tot het eeuwige leven geordineerd waren, en daarmee is het geloof een vrucht van de verkiezing.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In 1610 legden de volgelingen van Jacobus Arminius hun gevoelen vast in vijf artikelen, de Remonstrantie. Het eerste artikel leerde dat God van eeuwigheid besloten had hen te behouden die in Christus geloven en in dat geloof volharden. Zo werd de verkiezing afhankelijk van het geloof dat God in de mens vooruitzag.
De Synode van Dordrecht gaf op elk van de vijf artikelen een antwoord, en hoofdstuk 1 beantwoordt het eerste. Daarom benadrukt het dat het geloof een vrucht van de verkiezing is en geen voorwaarde. De remonstranten verweten de gereformeerde leer bovendien dat zij God tot oorzaak van de zonde maakt en mensen zorgeloos maakt. Daarop antwoorden vooral de artikelen 13 en 15.
Om over door te praten
- Waarom begint hoofdstuk 1 bij de zonde van de mens en het Evangelie, en niet direct bij Gods eeuwig besluit?
- Welke troost geven de artikelen 16 en 17 aan wie tobt over de verkiezing of een jong kind verloor?
- Welke vruchten van de verkiezing noemt artikel 12, en hoe kunt u die in uw eigen leven leren opmerken?
- Hoe kan de leer van de verkiezing u brengen tot nederigheid en aanbidding, zoals aan het einde van het hoofdstuk?