Ga naar hoofdinhoud

Verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels

In het kort

In de verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels wijst de synode negen remonstrantse leringen over de verkiezing af. Volgens die leringen hing de verkiezing aan het geloof en de volharding die God in de mens voorzag. De synode antwoordt met de Schrift: God verkoos vrij, uit genade, en geeft Zelf het geloof.

Na de achttien artikelen van hoofdstuk 1 volgt in de Dordtse Leerregels de verwerping der dwalingen. De synode beschrijft daarin negen leringen van de remonstranten over de verkiezing en de verwerping. Elke verwerping begint met 'Die leren' en geeft eerst de dwaling weer. Daarna volgt de weerlegging, steeds met woorden uit de Schrift. Wat de artikelen belijden, wordt hier scherp afgebakend. Zo ziet u ook wat de synode niet bedoelde.

Waar het geschil om ging

De remonstranten ontkenden de verkiezing niet. Zij leerden wel dat God besloten had om allen zalig te maken die zouden geloven en in het geloof zouden volharden. God wist tevoren wie dat zouden zijn, en die mensen verkoos Hij. De verkiezing volgde dan op het geloof dat God voorzag. Voor de synode keerde dat de volgorde om. Het geloof is geen voorwaarde die de mens vervult, maar een gave die uit de verkiezing voortkomt.

Troost in een vaste verkiezing

Door de negen verwerpingen lopen twee lijnen. De eerste is dat God vrij verkiest: niet om iets goeds in de mens, maar naar Zijn welbehagen. Welbehagen is Gods vrije goedvinden. De tweede lijn is dat die verkiezing vaststaat. God verandert niet, en wie Hij aan Christus gegeven heeft, gaan niet verloren. Daarom is deze leer geen bron van onzekerheid. Zij leert de gelovige rusten in Gods trouw in plaats van in de kracht van zijn eigen geloof.

Verwerping 1: Meer dan een besluit over gelovigen

Die leren: Dat de wil Gods van zalig te maken degenen, die zouden geloven en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs zouden volharden, het ganse en gehele besluit van de verkiezing ter zaligheid is, en dat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard.

Want dezen bedriegen de eenvoudigen, en wederspreken klaarlijk de Heilige Schrift, die getuigt, dat God niet alleen degenen, die geloven zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook enige bepaalde mensen van eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij in den tijd, boven anderen, met het geloof in Christus en met volstandigheid zou begiftigen; gelijk geschreven is: Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. 17:6); en: Er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48); en: Hij heeft ons uitverkoren in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn, enz. (Ef. 1:4).

De eerste dwaling zegt dat de hele verkiezing bestaat in Gods wil om gelovigen die volharden zalig te maken. Meer zou de Bijbel er niet over openbaren. De synode ontkent niet dat God gelovigen zalig wil maken, maar zegt dat dit niet alles is. God heeft bepaalde mensen van eeuwigheid verkoren en geeft hun het geloof en volstandigheid, dat is: volharding. Christus spreekt over "den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt". Ook geloofden er zovelen "als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Geordineerd betekent: bestemd.

Verwerping 2: Geen verkiezing in soorten en trappen

Die leren: Dat de verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei is: de ene algemeen en onbepaald, de andere bijzonder en bepaald; en dat deze wederom óf onvolkomen, herroepelijk, niet-beslissend en voorwaardelijk is, óf volkomen, onherroepelijk, beslissend en volstrekt. Insgelijks: Dat er een andere verkiezing is tot het geloof, een andere tot de zaligheid, alzo, dat de verkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof kan zijn zonder de beslissende verkiezing ter zaligheid.

Want dit is een gedichtsel van des mensen hersenen, buiten de Schrift uitgedacht, waardoor de leer van de verkiezing verdorven, en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).

De tweede dwaling deelt de verkiezing op in soorten. Er zou een algemene en een bijzondere verkiezing zijn, een voorwaardelijke en een volstrekte. Ook zou iemand tot het geloof verkoren kunnen zijn zonder zeker tot de zaligheid verkoren te zijn. De synode noemt dat 'een gedichtsel van des mensen hersenen', dat is: een verzinsel. Zo wordt 'deze gulden keten van onze zaligheid' verbroken. Romeinen 8 laat die keten zien: wie God te voren verordineerd heeft, heeft Hij ook geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt. Geen schakel valt eruit.

Verwerping 3: Gods voornemen kiest personen, geen voorwaarde

Die leren: Dat het welbehagen en voornemen Gods, van hetwelk de Schrift in de leer van de verkiezing gewag maakt, niet daarin bestaat, dat God enige bijzondere mensen boven anderen heeft uitverkoren; maar daarin, dat God uit alle mogelijke voorwaarden (onder welke ook zijn de werken der wet), of uit de gehele orde van alle dingen, de uit haar aard onverdienstelijke daad des geloofs en zijn onvolmaakte gehoorzaamheid tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen, welke Hij voor een volkomen gehoorzaamheid genadiglijk zou hebben willen houden, en der beloning des eeuwigen levens waardig achten.

Want met deze schadelijke dwaling wordt het welbehagen Gods en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt, en de mensen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking en van de eenvoudigheid der Schrift afgetrokken, en deze uitspraak van den apostel van onwaarheid beschuldigd: God heeft ons geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen (2 Tim. 1:9).

Volgens de derde dwaling zou God geen bepaalde mensen boven anderen hebben verkoren. Hij zou alleen een voorwaarde hebben gekozen: het geloof en de onvolmaakte gehoorzaamheid daarvan. Die zou Hij uit genade als volkomen gehoorzaamheid rekenen en met het eeuwige leven belonen. Zij noemden het geloof onverdienstelijk, maar het kreeg zo de plaats van een werk. De synode zegt dat daarmee 'het welbehagen Gods en de verdienste van Christus' krachteloos worden. Paulus schrijft dat God ons geroepen heeft "niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade".

Verwerping 4: Geen voorwaarde vooraf in de mens

Die leren: Dat in de verkiezing tot het geloof deze voorwaarde tevoren vereist wordt, dat de mens het licht der natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt, gelijk alsof aan die dingen de verkiezing enigszins hing.

Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius, en strijdt tegen de leer des apostels, waar hij schrijft: Wij hebben eertijds verkeerd in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen; maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden), en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme (Ef. 2:3-9).

Volgens de vierde dwaling moet de mens aan een voorwaarde voldoen voordat hij tot het geloof verkoren wordt. Hij moet het licht der natuur goed gebruiken, en vroom, klein en nederig zijn. Dat licht is wat de mens van nature nog weet van God en van goed en kwaad. De synode zegt dat dit 'smaakt naar het gevoelen van Pelagius', een monnik uit de vroege kerk die de erfzonde ontkende. Paulus zegt dat wij "van nature kinderen des toorns" waren, en: "uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof".

Verwerping 5: Het geloof is vrucht, geen oorzaak

Die leren: Dat de onvolkomen en niet-beslissende verkiezing van bijzondere personen ter zaligheid geschied is uit het voorgezien geloof, bekering, heiligheid, godzaligheid, die óf eerst begonnen, óf ook een tijdlang geduurd hebben; maar dat de volkomen en beslissende verkiezing geschied is uit de voorgeziene volharding tot het einde toe in het geloof, bekering, heiligheid en godzaligheid; en dat dit is de genadige en evangelische waardigheid, om welker wille hij, die verkoren wordt, waardiger is dan hij, die niet verkoren wordt; en dat derhalve het geloof, de gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, godzaligheid en volharding niet zijn vruchten van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid, maar dat het zijn voorwaarden, die tevoren vereist, en als volbracht wezende voorzien zijn in degenen, die ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken, zonder welke de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid niet geschiedt.

Hetwelk strijdt tegen de gehele Schrift, die deze en diergelijke uitspraken in onze oren en harten telkens inscherpt: De verkiezing is niet uit de werken, maar uit den Roepende (Rom. 9:11). Er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48). Hij heeft ons uitverkoren in Hem, opdat wij zouden heilig zijn (Ef. 1:4). Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16). Indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken (Rom. 11:6). Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4:10).

De vijfde dwaling is de uitvoerigste. Zij onderscheidt een onvolkomen verkiezing, uit voorzien geloof en bekering, en een volkomen verkiezing, uit voorziene volharding. Geloof, heiligheid en volharding zouden geen vruchten van de verkiezing zijn, maar 'voorwaarden, die tevoren vereist' worden. Wie verkoren wordt, zou daarom waardiger zijn dan een ander. De synode zegt dat dit 'strijdt tegen de gehele Schrift'. Zij haalt onder meer aan: "niet uit de werken, maar uit den Roepende" en "Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren".

Verwerping 6: Een verkiezing die niet verloren gaat

Die leren: Dat niet alle verkiezing ter zaligheid onveranderlijk is; maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande enig besluit Gods, kunnen verloren gaan, en gaan ook eeuwiglijk verloren.

Met welke grove dwaling zij God veranderlijk maken, en den troost der godzaligen, dien zij scheppen uit de vastigheid van hun verkiezing, omstoten, en de Heilige Schrift wederspreken, welke leert: Dat de uitverkorenen niet kunnen verleid worden (Matth. 24:24); dat Christus degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn, niet verliest (Joh. 6:39); en dat God, die Hij te voren verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, dezen ook heeft verheerlijkt (Rom. 8:30).

De zesde dwaling zegt dat niet elke verkiezing onveranderlijk is. Sommige uitverkorenen zouden toch eeuwig verloren gaan. De synode noemt dit een grove dwaling, want zij maakt God veranderlijk. Ook neemt zij de godzaligen hun troost af. Die troost putten zij uit 'de vastigheid van hun verkiezing', dat is: uit het feit dat Gods verkiezing vaststaat. De Schrift leert dat de uitverkorenen niet verleid kunnen worden. Christus zegt dat het de wil van de Vader is dat Hij niets verliest van wat de Vader Hem gegeven heeft.

Verwerping 7: Zekerheid van de verkiezing in dit leven

Die leren: Dat er in dit leven geen vrucht en geen gevoel is van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid; ook geen zekerheid, dan die hangt aan een veranderlijke en onzekere voorwaarde.

Want behalve dat het ongerijmd is, te stellen een onzekere zekerheid, zo strijdt dit ook tegen de bevinding der heiligen, die uit kracht van het gevoel van hun verkiezing zich met den apostel verheugen, en deze weldaad Gods roemen; die volgens Christus' vermaning zich met de discipelen verblijden, dat hun namen in den hemel geschreven zijn; die ook het gevoel van hun verkiezing stellen tegen de vurige pijlen van de aanvechtingen des duivels, vragende: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (Rom. 8:33).

De zevende dwaling ontkent dat iemand in dit leven iets van zijn verkiezing kan merken. Er zou alleen een zekerheid zijn die hangt aan een onzekere voorwaarde. De synode noemt 'een onzekere zekerheid' ongerijmd, dat is: in strijd met zichzelf. Zij wijst op de bevinding der heiligen: wat gelovigen van Gods werk ervaren. Zij verblijden zich dat hun namen in de hemel geschreven zijn, zoals Christus Zijn discipelen leerde. In de aanvechting stellen zij de vraag van Paulus tegenover de duivel: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods".

Verwerping 8: God gaat voorbij naar Zijn welbehagen

Die leren: Dat God van niemand louter uit kracht van Zijn rechtvaardigen wil besloten heeft, hem in den val van Adam en in den gemenen stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mededeling van de genade, die tot het geloof en de bekering nodig is, voorbij te gaan.

Want dit staat vast: Hij ontfermt Zich, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil (Rom. 9:18). En ook dit: Het is u gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven (Matth. 13:11). Insgelijks: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt derzelve den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U (Matth. 11:25-26).

De achtste dwaling zegt dat God niemand alleen naar Zijn rechtvaardige wil in de val van Adam heeft gelaten. Ook zou Hij niemand alleen naar die wil voorbijgaan bij het geven van de genade tot geloof en bekering. Paulus schrijft: "Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil". Christus zegt tot Zijn discipelen dat het hun gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk te kennen, en anderen niet. Ook dankt Hij de Vader: "want alzo is geweest het welbehagen voor U".

Verwerping 9: Het Evangelie gaat waar God wil

Die leren: Dat de oorzaak, waarom God tot het éne volk meer dan tot het andere het Evangelie zendt, niet is louter en eniglijk het welbehagen Gods, maar omdat het éne volk beter en waardiger is dan het andere, aan hetwelk het Evangelie niet wordt medegedeeld.

Want dit ontkent Mozes, het Israëlietische volk aldus aansprekende: Zie, des Heeren uws Gods is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is. Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is (Deut. 10:14-15); En Christus: Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben (Matth. 11:21).

De negende dwaling gaat over volken. God zou het Evangelie eerder naar het ene volk zenden dan naar het andere omdat dat volk beter en waardiger is. Zo wordt ontkend dat de oorzaak 'louter en eniglijk het welbehagen Gods' is. Eniglijk betekent: alleen. Mozes zegt tot Israël: "Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen". Christus zegt dat Tyrus en Sidon zich bekeerd zouden hebben als daar Zijn krachten waren geschied. Chorazin en Bethsaida zagen die wel en bekeerden zich niet. Waardigheid geeft dus niet de doorslag.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 17:6

    “Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.”

    Christus spreekt over de mensen die de Vader Hem uit de wereld gegeven heeft, en de eerste verwerping leidt daaruit af dat God bepaalde personen verkoos.

    Uitleg bij Johannes 17

  • Efeze 1:4

    “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;”

    God verkoos ons in Christus vóór de grondlegging der wereld opdat wij heilig zouden zijn, zodat heiligheid een vrucht van de verkiezing is en geen voorwaarde.

  • Romeinen 9:11

    “Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;”

    Gods voornemen stond vast voordat Jakob en Ezau iets gedaan hadden, en de vijfde verwerping leidt daaruit af dat verkiezing niet uit werken is.

  • Handelingen 13:48

    “Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.”

    Lukas schrijft dat zovelen geloofden als er tot het eeuwige leven bestemd waren, en daaruit blijkt dat het geloof uit de verkiezing voortkomt.

  • Romeinen 8:30

    “En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.”

    Deze gulden keten verbindt verkiezing, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking, en de tweede en zesde verwerping gebruiken haar tegen een verkiezing die zou kunnen breken.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Deze negen verwerpingen laten de leer van de remonstranten zien zoals die in hun geschriften en op de synode naar voren kwam. Op de synode legden zij hun gevoelen uitvoeriger op schrift. Daarin werkten zij hun leer over de verkiezing verder uit, met onderscheidingen zoals die tussen een voorwaardelijke en een volstrekte verkiezing.

De remonstranten zagen hun leer als een verdediging van Gods rechtvaardigheid en van de verantwoordelijkheid van de mens. Zij vreesden dat een onvoorwaardelijke verkiezing God tot oorzaak van het verderf zou maken. De synode gaf hun gedachten eerst weer en wees ze daarna af met de Schrift.

Om over door te praten

  1. Waarom maakt het voor de synode zoveel uit of het geloof een vrucht of een voorwaarde van de verkiezing is?
  2. Welke zorg hadden de remonstranten bij een onvoorwaardelijke verkiezing, en hoe gaat de synode met die zorg om?
  3. Wat leert de gulden keten van Romeinen 8 over de samenhang tussen verkiezing, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking?
  4. Hoe kan de vastheid van Gods verkiezing u troosten wanneer u twijfelt aan de sterkte van uw eigen geloof?
  5. Wat betekent het voor de zending van de kerk dat het Evangelie niet naar het meest waardige volk gaat?

Parallel in andere belijdenissen