Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 10: Gods welbehagen
In het kort
Gods welbehagen is volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 10 de enige oorzaak van de genadige verkiezing. God koos geen eigenschap of werk van mensen uit als voorwaarde voor de zaligheid. Hij nam bepaalde personen uit de menigte der zondaren aan als Zijn eigendom, zoals Jakob en Ezau laten zien.
De tekst van DL I,10
De oorzaak van deze genadige verkiezing is eniglijk het welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij enige hoedanigheden of werken der mensen, uit alle mogelijke voorwaarden, tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen; maar hierin, dat Hij enige bepaalde personen uit de gemene menigte der zondaren, Zich tot een eigendom heeft aangenomen. Gelijk geschreven is: Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, enz., werd tot haar (namelijk Rebekka) gezegd: De meerdere zal den mindere dienen; gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat (Rom. 9:11-13). En: Er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48).
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Na artikel 9 blijft er een vraag over. Als God niet verkiest om voorzien geloof of goede werken, wat is dan wel de oorzaak? Artikel 10 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels geeft het antwoord in één woord: Gods welbehagen. De oorzaak is 'eniglijk het welbehagen Gods'. Eniglijk betekent: alleen, uitsluitend. Welbehagen is wat God in Zijn vrije en goede wil behaagt.
Geen voorwaarde uitgekozen
Het artikel zegt eerst waarin dat welbehagen niet bestaat. God heeft niet 'enige hoedanigheden of werken der mensen' uitgekozen als voorwaarde der zaligheid. Hoedanigheden zijn eigenschappen, zoals geloof, ijver of gehoorzaamheid. De woorden 'uit alle mogelijke voorwaarden' wijzen op een bepaalde gedachte. Volgens die gedachte zou God uit alle denkbare voorwaarden er één gekozen hebben, bijvoorbeeld het geloof, en iedereen verkiezen die daaraan voldoet.
Dat klinkt genadig, want God bepaalt dan zelf de voorwaarde. Toch zou de verkiezing dan uiteindelijk rusten op iets wat in de mens gevonden wordt. Het artikel wijst dat af. Gods keuze gaat niet over een regel, maar over mensen.
Bepaalde personen als eigendom
Het welbehagen bestaat hierin, dat God 'enige bepaalde personen uit de gemene menigte der zondaren, Zich tot een eigendom heeft aangenomen'. Gemeen betekent hier: algemeen, gewoon. Alle mensen liggen even diep in de zonde, zoals artikel 1 al zei. Niemand stond hoger dan een ander toen God koos.
Een eigendom is wat iemand toebehoort. Het woord klinkt al in wat Mozes tegen Israël zei: de HEERE had hen verkoren, "dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn". Hij voegde eraan toe dat het niet om hun grootte ging. Paulus schrijft dat God ons tot kinderen aannam "naar het welbehagen van Zijn wil".
Jakob en Ezau
Het artikel geeft zelf het bewijs uit Romeinen 9. Jakob en Ezau waren tweelingen. Voordat zij geboren waren en "noch iets goeds of kwaads gedaan hadden", werd tot Rebekka gezegd dat de meerdere de mindere zou dienen. Paulus geeft de reden: "opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve".
Het voorbeeld laat zien dat het verschil niet in de kinderen lag. Er was nog niets in hen te zien. De keuze lag alleen in God, Die zegt: "Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm".
Het artikel haalt ook het woord aan dat Paulus uit Maleachi overneemt: 'Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat'. Dat woord zegt niet dat Ezau slechter was dan Jakob. Het laat zien dat het onderscheid alleen in God lag: Jakob werd in liefde aangenomen, Ezau werd voorbijgegaan. Over de verwerping en de eigen schuld van de mens spreekt artikel 15.
Geloof als vrucht, niet als grond
Als tweede bewijs noemt het artikel Handelingen 13. In Antiochië geloofden "zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Geordineerd betekent: verordend, door God bestemd. De volgorde is belangrijk. Zij werden niet verordend omdat zij geloofden, maar zij geloofden omdat zij verordend waren. Het geloof is een gave die uit de verkiezing voortkomt.
Ootmoed en rust
Dit artikel neemt alle roem weg. Wie gelooft, kan niet zeggen dat er in hem iets was waarom hij door God gekozen werd. De Heidelbergse Catechismus belijdt in zondag 21 dat de Zoon van God Zich een gemeente vergadert "uit het ganse menselijke geslacht". Niet uit een betere groep, maar uit zondaren.
Tegelijk geeft dit artikel rust. Wie de grond van zijn behoud in zichzelf zoekt, vindt daar altijd tekort. Hier wijst de belijdenis van de mens af naar God.
Bijbelse onderbouwing
“Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;”
God sprak Zijn keuze uit voordat Jakob en Ezau iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat Zijn voornemen vast zou blijven.
“Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.”
Paulus haalt het woord over Jakob en Ezau aan om te tonen dat het verschil niet in de kinderen lag, maar in Gods vrije keuze.
“Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.”
In Antiochië kwamen tot geloof zovelen als er tot het eeuwige leven geordineerd waren, zodat het geloof uit Gods bestemming voortkomt.
“Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.”
Paulus noemt hetzelfde welbehagen van Gods wil dat het artikel de enige oorzaak van de verkiezing noemt.
“Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen;”
God riep ons niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en de genade die ons in Christus gegeven is.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
De remonstranten leerden dat Gods welbehagen in de verkiezing niet ging over bepaalde personen. Volgens hen had God uit alle mogelijke voorwaarden het geloof en een onvolmaakte gehoorzaamheid gekozen als voorwaarde der zaligheid. Wie daaraan voldeed, zou behouden worden. In de derde verwerping van dit hoofdstuk wijst de synode die leer af. Daarmee worden volgens de synode het welbehagen Gods en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt. Zij beroept zich daarbij op 2 Timotheüs 1:9.
Om over door te praten
- Waarom is het volgens dit artikel niet genoeg om te zeggen dat God het geloof als voorwaarde voor de zaligheid heeft gekozen?
- Wat leert het voorbeeld van Jakob en Ezau over de vraag waar de oorzaak van de verkiezing ligt?
- Hoe verandert de volgorde uit Handelingen 13:48 de manier waarop u naar het geloof kijkt?
- Waar zoekt u in uw eigen leven de grond van uw behoud, en wat zegt dit artikel daarover?