Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 1: allen gezondigd
In het kort
Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 1 belijdt dat alle mensen in Adam gezondigd hebben. Daarom zou God niemand onrecht doen als Hij allen in de zonde liet. Zo laat het artikel zien dat genade nooit verdiend is, maar altijd een onverschuldigde gave van God.
De tekst van DL I,1
Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken van den apostel: De gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:19, 23). En: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 1 opent de leer over Gods verkiezing niet bij Gods besluit, maar bij de schuld van de mens. Allen gezondigd: dat is het uitgangspunt. Daaruit volgt een ernstige maar eerlijke conclusie. God zou niemand onrecht hebben gedaan als Hij allen in de zonde had gelaten. Wie de rest van het hoofdstuk wil verstaan, moet hier beginnen. Genade is alleen genade als God haar niet verschuldigd is.
Allen gezondigd in Adam
Het artikel begint met de woorden dat 'alle mensen in Adam gezondigd hebben'. Adam staat hier niet alleen als de eerste mens, maar als hoofd van het hele menselijke geslacht. Toen hij viel, vielen wij met hem. Paulus schrijft dat "door een mens de zonde in de wereld ingekomen is". Zondag 4 van de Heidelbergse Catechismus zegt het ook: de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen van Gods goede gaven beroofd.
Daarom zijn wij volgens het artikel 'des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden'. Des vloeks betekent: onder de vloek van God. Schuldig worden betekent hier: die straf verdiend hebben. Het gaat dus niet alleen om zwakheid of gebrek, maar om echte schuld voor God. Paulus noemt de gelovigen in Efeze, en zichzelf erbij, "van nature kinderen des toorns".
God doet niemand onrecht
De kern van het artikel staat in het zinsdeel 'zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan'. Ongelijk doen is een oud woord voor onrecht aandoen. Als God het hele menselijke geslacht in de zonde had gelaten, zou Hij niemand tekortdoen. Hij zou mensen alleen geven wat zij zelf verdiend hebben. Het artikel voegt eraan toe dat God hen had mogen 'om de zonde verdoemen'. Verdoemen betekent hier: veroordelen tot de straf.
Dat klinkt hard voor een mens die zichzelf liever onschuldig ziet. Toch is het de taal van de Schrift zelf. David erkende na zijn val dat God rechtvaardig is in Zijn spreken en rein in Zijn richten. Wie zo voor God staat, gaat niet met Hem in discussie. Hij buigt zich onder het oordeel en zoekt genade.
Wat de apostel zegt
Het artikel onderbouwt dit met drie uitspraken van Paulus. Het geeft ze in eigen bewoording, want de Statenvertaling bestond toen nog niet. De eerste is 'De gehele wereld is voor God verdoemelijk'. In de Statenvertaling spreekt de wet "opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij". Verdoemelijk betekent: schuldig en strafwaardig voor Gods rechterstoel. Niemand kan dan nog iets tot zijn verdediging inbrengen.
De tweede luidt: 'Zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods'. Derven betekent missen. De mens mist de heerlijkheid waartoe hij door God geschapen is. De derde is 'De bezoldiging der zonde is de dood'. Een bezoldiging is het loon van een soldaat. De dood is dus geen willekeur van God, maar het loon dat bij de zonde hoort.
De achtergrond van de genade
Waarom begint de leer van de verkiezing met zo een ernstig artikel? Niet om God hard te laten lijken. Het artikel laat zien dat geen mens enig recht heeft op Gods genade. Juist daardoor gaat de genade stralen. Romeinen 6:23 stopt ook niet bij de dood, maar gaat verder: "de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere". Daarom gaat artikel 2 direct verder met de liefde van God, Die Zijn Zoon in de wereld zond.
Voor u persoonlijk betekent dit artikel twee dingen. U mag uw schuld niet kleiner maken dan zij is. Tegelijk leert het artikel u dat genade nooit verdiend wordt, maar alleen geschonken. In de Klaagliederen staat: "Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn". Wie dat leert verstaan, ziet de genade niet als vanzelfsprekend, maar als een wonder.
Bijbelse onderbouwing
“Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.”
Het artikel haalt dit vers zelf aan: de wet stopt iedere mond, zodat de hele wereld schuldig voor God staat.
“Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;”
Ook dit vers haalt het artikel aan: allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid waarvoor God de mens geschapen heeft.
“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”
Met dit vers sluit het artikel: de dood is het verdiende loon van de zonde, terwijl het eeuwige leven alleen als genadegift in Christus gegeven wordt.
“Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”
Door de zonde van één mens, Adam, zijn de zonde en de dood tot alle mensen doorgegaan.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In de jaren voor de synode verweten de remonstranten de gereformeerde leer van de verkiezing dat zij God hard en onrechtvaardig maakte. De Synode van Dordrecht begon de leerregels niet bij Gods eeuwige besluit, maar bij de val van de mens en zijn schuld voor God. Zo gaf zij ook antwoord op dat verwijt.
In het Besluit van de Dordtse Leerregels noemt de synode ook de beschuldiging dat deze leer God onrechtvaardig zou maken, en wijst haar af. Artikel 1 legt daarvoor de grond: wie allen schuldig zijn, kan niet zeggen dat God hun onrecht doet als Hij hen laat.
Om over door te praten
- Hoe onderbouwen de drie uitspraken van Paulus in dit artikel dat geen mens recht heeft op Gods genade?
- Wat betekent het voor u dat God niemand onrecht zou doen als Hij allen in de zonde liet?
- Hoe verandert dit artikel de manier waarop u naar Gods genade in uw eigen leven kijkt?
- Welke oude woorden uit dit artikel, zoals derven en bezoldiging, helpen u om de ernst van de zonde beter te verstaan?