Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 5: oorzaak van ongeloof
In het kort
Dordtse Leerregels 1, artikel 5 noemt de oorzaak van ongeloof: die ligt niet in God, maar in de mens zelf. Het geloof in Christus is daarentegen een genadige gave van God. Zo draagt de mens de schuld van zijn ongeloof, terwijl hij voor zijn geloof alleen God kan danken.
De tekst van DL I,5
De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mens. Maar het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is een genadige gave Gods; gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2:8). Insgelijks: Het is u gegeven in Christus te geloven (Filipp. 1:29).
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 5 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels beantwoordt een vraag die na artikel 4 vanzelf opkomt. Daar staat dat Gods toorn blijft op wie het Evangelie niet gelooft, en dat wie het aanneemt, behouden wordt. Waarom gelooft de een wel en de ander niet? Het artikel noemt eerst de oorzaak van ongeloof en zegt daarna waar het geloof vandaan komt.
Die twee helften zijn niet elkaars spiegelbeeld. Het ongeloof komt uit de mens, het geloof komt van God. Juist die ongelijkheid is de kern van dit korte artikel.
Geenszins in God, maar in de mens
Het artikel opent met 'De oorzaak of schuld van dat ongeloof'. Oorzaak en schuld staan naast elkaar. Het gaat dus niet alleen om de vraag waar het ongeloof vandaan komt, maar ook om de vraag wie ervoor verantwoordelijk is. Het antwoord is helder: die schuld 'is geenszins in God, maar in den mens'. Geenszins betekent: in geen enkel opzicht.
Het artikel voegt eraan toe: 'gelijk ook van alle andere zonden'. Gelijk betekent hier: zoals. Ongeloof is dus geen gebrek aan informatie of een ongelukkig lot, maar zonde, net als liegen of stelen. God is nooit de bewerker van het kwade. Jakobus zegt dat God niemand tot het kwade verleidt: "Hij Zelf verzoekt niemand".
De Heere Jezus zei tegen de Joden die Hem afwezen: "En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben". Wie Christus afwijst, doet dat niet omdat hij door God wordt tegengehouden. Ongeloof is in de grond niet willen.
Het geloof is een genadige gave
Dan volgt het woord maar: 'het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is een genadige gave Gods'. Zaligheid betekent: de volkomen redding, het eeuwige behoud. Niet alleen de zaligheid wordt geschonken, maar ook het geloof waardoor iemand haar ontvangt. Een genadige gave is een geschenk dat niemand verdiend heeft.
De synode onderbouwt dit met twee teksten. In Efeze 2 zegt Paulus dat wij uit genade zalig zijn geworden door het geloof, "en dat niet uit u, het is Gods gave". In het volgende vers sluit hij elke roem uit: "Niet uit de werken, opdat niemand roeme".
De tweede tekst wordt ingeleid met insgelijks, dat betekent: evenzo, op dezelfde manier. Paulus schrijft aan de Filippenzen dat het hun gegeven is in Christus te geloven. In de Statenvertaling staat het nog voller: het is gegeven "niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden".
Waarom de twee niet gelijk zijn
Men zou kunnen redeneren: als God het geloof geeft, ligt het ongeloof dan niet ook aan Hem? Het artikel wijst die gedachte af. Van nature komt geen mens uit zichzelf tot Christus. De Heere Jezus zegt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke".
Dat de mens niet komt, is zijn eigen zonde en onwil. Dat iemand wel komt, is Gods werk. God werkt het geloof, maar Hij werkt het ongeloof niet. Zo blijft de mens verantwoordelijk voor zijn ongeloof, en krijgt God alle eer voor het geloof.
De Heidelbergse Catechismus spreekt in zondag 7 op dezelfde manier. Een waar geloof is daar een vast vertrouwen, "hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt". Het geloof groeit niet uit het eigen hart op, maar wordt door de Geest gewerkt, door middel van het Woord.
Wat dit artikel u leert
Dit artikel neemt twee uitwegen weg. Wie niet gelooft, kan de schuld niet bij God leggen of zich verschuilen achter de verkiezing. Wie wel gelooft, kan zich niet boven een ander verheffen. Er blijft alleen dankbaarheid over.
Tegelijk wijst het artikel u naar Christus. Het geloof is een gave, en God geeft die gave door het Evangelie. Wie verlangt te geloven, hoeft niet eerst iets in zichzelf te vinden. Hij mag Gods Woord lezen en horen, en de Heere vragen om wat alleen Hij kan geven.
Bijbelse onderbouwing
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;”
Het artikel haalt dit vers zelf aan als bewijs dat het geloof geen eigen prestatie is, maar Gods gave.
“Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;”
Het geloven in Christus wordt hier uitdrukkelijk iets genoemd wat de gelovigen uit genade gegeven is.
“Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.”
Christus leert dat niemand uit zichzelf tot Hem komt, tenzij hij door de Vader getrokken wordt.
“En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”
De Heere Jezus legt de oorzaak van het ongeloof bij de onwil van de mens, die niet tot Hem wil komen.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
De remonstranten verweten de gereformeerden dat hun leer van de verkiezing God tot de oorzaak van het ongeloof maakte. Als God bepaalt wie gelooft, zo redeneerden zij, dan ligt het ook aan God dat anderen niet geloven. Zelf leerden zij dat Gods genade het geloof voor ieder mogelijk maakt, maar dat de mens die genade kan weerstaan. Het geloof werd zo mede afhankelijk van de keuze van de mens.
Artikel 5 wijst beide gedachten af. Het ongeloof is de schuld van de mens, en het geloof is geen eigen prestatie maar een gave. In artikel 15 en in het Besluit verwerpt de synode uitdrukkelijk de beschuldiging dat God zo de bewerker van de zonde zou worden.
Om over door te praten
- Waarom noemt artikel 5 het ongeloof een zonde, net als alle andere zonden, en niet alleen een gebrek aan kennis?
- Hoe kan de schuld van het ongeloof bij de mens liggen, terwijl het geloof een gave van God is?
- Welke uitvlucht neemt dit artikel weg bij wie niet gelooft, en welke bij wie wel gelooft?
- Wat betekent het voor uw eigen geloofsleven dat u uw geloof niet aan uzelf, maar aan God te danken hebt?