Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 6: Gods eeuwig besluit
In het kort
Dat God de een het geloof schenkt en de ander niet, komt volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 6 voort uit Zijn eeuwig besluit. God vermurwt de harde harten van de uitverkorenen, en de anderen laat Hij rechtvaardig in hun boosheid. Die onderscheiding is diep en geeft godvrezenden een onuitsprekelijke troost.
De tekst van DL I,6
Dat God sommigen in den tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. Want al Zijn werken zijn Hem van eeuwigheid bekend (Hand. 15:18), en: Hij werkt alle dingen naar den raad van Zijn wil (Ef. 1:11).
Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar degenen die niet zijn verkoren, naar Zijn rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat.
En hier is het, dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen, zijnde in evengelijke staat des verderfs, of het besluit van verkiezing en verwerping, in het Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, evenals het de verkeerde, onreine en onvaste mensen verdraaien tot hun verderf, alzo den heiligen en godvrezenden zielen een onuitsprekelijken troost geeft.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 5 zei dat de schuld van het ongeloof bij de mens ligt en dat het geloof een vrije gave van God is. Dan komt vanzelf de vraag waarom God deze gave aan de een wel schenkt en aan de ander niet. Artikel 6 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels geeft daarop een eerbiedig antwoord: dat verschil komt voort uit Gods eeuwig besluit. Met dit artikel begint in hoofdstuk 1 de leer van de verkiezing.
In de tijd en van eeuwigheid
Het artikel zegt dat God sommigen 'in den tijd met het geloof begiftigt'. Begiftigen betekent: iets schenken als een gave. In den tijd wil zeggen: in een mensenleven, op het moment dat God bepaalt. Wat daar gebeurt, is echter niet nieuw voor God. Het artikel noemt twee bewijzen. Jakobus zegt op de vergadering in Jeruzalem: "Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend". En Paulus noemt God Degene "Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil".
Een besluit is een vast voornemen. Het geloof van een mens is dus geen toeval en ook geen eigen verdienste. God heeft het van eeuwigheid voorgenomen en voert het in de tijd uit.
Harde harten vermurwd
Naar dat besluit vermurwt en buigt God 'de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn'. Vermurwen betekent: week of zacht maken. Buigen betekent hier: de weerstand breken, zodat iemand gewillig wordt. Let op de woorden 'hoewel zij hard zijn'. De uitverkorenen zijn van nature niet beter of ontvankelijker dan anderen. God doet dit 'genadiglijk', dus uit genade en niet om iets in hen.
De profeet Ezechiël beschrijft hetzelfde werk. God belooft: "Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen", en Hij geeft er een hart van vlees voor in de plaats. In Antiochië zag men het gebeuren: "er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Geordineerd wil zeggen: door God daartoe aangewezen.
Gelaten in hun hardigheid
Over hen die niet zijn verkoren, spreekt het artikel anders. God laat hen 'naar Zijn rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid'. Hardigheid is een oud woord voor hardheid. Het artikel zegt niet dat God het ongeloof in hen werkt. Hij laat hen waar zij al waren. Daarom spreken de leerregels over verkiezing en verwerping niet als twee gelijke kanten. De verkiezing is barmhartigheid, de verwerping is rechtvaardigheid. Artikel 15 komt hier uitvoeriger op terug.
Een diepe en rechtvaardige onderscheiding
Het artikel noemt dit 'die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen'. De mensen waren 'in evengelijke staat des verderfs'. Evengelijk betekent: precies gelijk. Niemand had een streepje voor. Dat God sommigen redt, is barmhartigheid, en dat Hij anderen laat, is geen onrecht. Het blijft diep, want wij doorgronden Gods wegen niet. Paulus roept daarom uit: "hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen". Toch is dit besluit 'in het Woord Gods geopenbaard'. Wij mogen er dus over spreken, zolang wij bij de Schrift blijven.
Verdraaid of tot troost
Het slot noemt twee manieren om met deze leer om te gaan. Zo zijn er 'de verkeerde, onreine en onvaste mensen', die haar 'verdraaien tot hun verderf'. Onvast betekent: wankel, zonder vaste grond. Zij zeggen bijvoorbeeld dat het er toch niet toe doet hoe zij leven.
Voor heilige en godvrezende zielen geeft dezelfde leer 'een onuitsprekelijken troost'. Hun behoud rust niet op hun eigen wankele wil, maar op Gods eeuwig voornemen. Wie bij zichzelf een verbroken hart en verlangen naar Christus vindt, hoeft niet in Gods verborgen raad te zoeken. Christus belooft: "die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen".
Bijbelse onderbouwing
“Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.”
Op de vergadering in Jeruzalem zegt Jakobus dat God al Zijn werken van eeuwigheid kent, het eerste bewijs dat het artikel zelf noemt.
“In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;”
Paulus zegt dat God alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, ook het erfdeel van hen die vooraf verordineerd waren.
“Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.”
In Antiochië kwamen tot geloof zovelen als er door God verordend waren tot het eeuwige leven.
“En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.”
God belooft het stenen hart weg te nemen en een hart van vlees te geven, zoals Hij harde harten vermurwt.
“Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.”
Paulus zegt dat God Zich ontfermt over wie Hij wil, en het artikel spreekt over de anderen als mensen die God naar Zijn rechtvaardig oordeel in hun hardigheid laat.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In de vierde verwerping van dit hoofdstuk wijst de synode een leer over de verkiezing tot het geloof af. Volgens die leer moest er vooraf iets in de mens zijn: hij moest het licht der natuur goed gebruiken en vroom, klein en nederig zijn. De synode zegt dat dit naar de leer van Pelagius smaakt. Artikel 6 zegt daartegenover dat God de harten der uitverkorenen vermurwt, 'hoewel zij hard zijn'.
Dat deze leer mensen zorgeloos zou maken, weerlegt vooral artikel 13. Artikel 6 noemt al het onderscheid tussen wie haar verdraait en wie er troost in vindt.
Om over door te praten
- Waarom noemt artikel 6 het geloof een gave die God in de tijd schenkt, terwijl het besluit daarover van eeuwigheid is?
- Wat leert de zinsnede over harde harten u over wat de uitverkorenen van nature in zichzelf meebrengen?
- Waarom spreekt het artikel bij de uitverkorenen over vermurwen, maar bij de anderen over laten in hun boosheid?
- Hoe kan de leer van de verkiezing u troost geven in plaats van onrust of zorgeloosheid?