Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 17: jonggestorven kinderen

In het kort

Godvrezende ouders hoeven volgens Dordtse Leerregels 1, artikel 17 niet te twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun jonggestorven kinderen. Het gaat om kinderen die God jong uit dit leven wegneemt. Die zekerheid rust niet op het kind of op de ouders, maar op Gods Woord en het genadeverbond.

De tekst van DL I,17

Nademaal wij van den wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

In artikel 17 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels spreekt de synode over jonggestorven kinderen. Het is een kort artikel, met maar één lange zin. Het staat midden in het hoofdstuk over verkiezing en verwerping. Daar komt een vraag op die veel ouders raakt: wat mogen wij geloven over een kind dat God wegneemt voordat het zelf kon belijden? Het artikel antwoordt teer, maar ook precies. Het zegt niet meer dan Gods Woord zegt.

Oordelen uit Gods Woord

Het artikel begint met de grond van zijn antwoord: 'Nademaal wij van den wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen'. Nademaal betekent: aangezien. De synode gaat hier niet af op gevoel, op wensen of op eigen redeneringen. Zij probeert ook niet in Gods verborgen besluit te kijken. Zij vraagt alleen wat God in Zijn Woord over deze kinderen heeft bekendgemaakt.

Dat is belangrijk voor rouwende ouders. Hun troost hangt niet aan wat zij zelf hopen of vermoeden. Zij hangt aan wat God heeft gezegd, en dat verandert niet.

Heilig door het genadeverbond

Gods Woord 'getuigt dat de kinderen der gelovigen heilig zijn'. Paulus schrijft over de kinderen van een gelovige ouder: "maar nu zijn zij heilig". Het artikel zegt direct wat dat niet betekent. Zij zijn heilig 'niet van nature'. Ook deze kinderen worden in zonde ontvangen en geboren, zoals alle mensen. Het eerste artikel van dit hoofdstuk begon er al mee dat alle mensen in Adam gezondigd hebben.

Zij zijn heilig 'uit kracht van het genadeverbond'. Heilig betekent hier: door God apart gezet als de Zijnen. Het genadeverbond rust op de belofte die God aan Abraham gaf: "om u te zijn tot een God, en uw zaad na u". Op de Pinksterdag herhaalde Petrus die belofte: "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen". De kinderen zijn in dat verbond 'met hun ouders begrepen'. Begrepen betekent hier: ingesloten, meegerekend.

De Heidelbergse Catechismus spreekt in zondag 27 op dezelfde manier. Daar worden jonge kinderen gedoopt, omdat zij net als volwassenen in Gods verbond en Zijn gemeente begrepen zijn. Artikel 17 noemt de doop zelf niet. Het noemt het verbond als grond, en de doop is daarvan het teken.

Ouders hoeven niet te twijfelen

Daarop volgt de conclusie: 'zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen'. Godzalig betekent: godvrezend. Het zijn de ouders die het artikel eerder gelovigen noemt. Psalm 103 verbindt die vreze met Gods trouw aan de volgende geslachten. Gods goedertierenheid is "over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen".

Zij hoeven niet te twijfelen 'aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen'. Het gaat om kinderen 'welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt'. Kindsheid betekent: de jonge kinderjaren. Het artikel wil deze ouders niet in onzekerheid laten. Hun verdriet blijft echt, maar hun hoop staat op Gods belofte.

Wat het artikel niet zegt

Het artikel is ook precies in wat het niet zegt. Het spreekt over kinderen van gelovigen, omdat Gods Woord over hen een belofte geeft. Over andere kinderen doet het geen uitspraak. Het zwijgt daarover, omdat het alleen wil zeggen wat uit Gods Woord vaststaat. Wie dat zwijgen invult, zegt meer dan de synode wilde zeggen.

De grond van de zekerheid ligt niet in het kind en ook niet in de ouders. Zij ligt in het verbond dat God Zelf heeft opgericht. Wie een kind moest afstaan, mag daarom het verdriet bij God brengen en rusten in Zijn trouw. Dat God Zijn verbond houdt, is de troost die dit artikel aanreikt.

Bijbelse onderbouwing

  • Genesis 17:7

    “En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.”

    God belooft een God te zijn voor Abraham en zijn zaad, en daarom noemt het artikel de kinderen met hun ouders in het genadeverbond begrepen.

    Uitleg bij Genesis 17

  • Handelingen 2:39

    “Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.”

    Petrus herhaalt op de Pinksterdag dat de belofte ook de kinderen geldt, en daarop rust de troost van het artikel.

  • 1 Korinthe 7:14

    “Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.”

    Paulus noemt de kinderen van een gelovige ouder heilig, het woord waarop het artikel zich beroept.

  • Psalm 103:17

    “Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;”

    Gods goedertierenheid rust op wie Hem vrezen en reikt tot hun kindskinderen, en zo spreekt ook het artikel over godzalige ouders en hun kinderen.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

In de tijd van de synode stierven veel kinderen jong, en ouders vroegen zich af wat de leer van de verkiezing voor hun kind betekende. Tegenstanders stelden het voor alsof de gereformeerde leer zou inhouden dat veel kinderen van gelovigen verloren gaan. De synode antwoordde met dit artikel, dat ouders wijst op Gods verbond. In het Besluit aan het einde van de Leerregels wijst zij die voorstelling nog eens uitdrukkelijk af als laster.

Om over door te praten

  1. Waarom begint artikel 17 bij het oordelen uit Gods Woord en niet bij wat ouders voelen of hopen?
  2. Wat betekent het dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, 'niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond'?
  3. Waarom is het belangrijk dat dit artikel geen uitspraak doet over andere kinderen dan die van gelovigen?
  4. Wat betekent Gods verbond met gelovigen en hun kinderen voor de manier waarop u naar uw eigen doop kijkt?
  5. Hoe kan dit artikel u helpen om mee te leven met ouders die een jong kind hebben verloren?