Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 15: de verwerping
In het kort
Artikel 15 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels belijdt de verwerping: God gaat sommige mensen in Zijn eeuwige verkiezing voorbij. Hij laat hen in de ellende waarin zij zichzelf door eigen schuld hebben gestort. Daarmee is God geen auteur van de zonde, maar hun rechtvaardige Rechter.
De tekst van DL I,15
Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing wijst en prijst ons de Heilige Schrift daarmede allermeest aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar Zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten, in dewelke zij zichzelf door hun eigen schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar hen, in hun eigen wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van Zijn gerechtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen.
En dit is het besluit der verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot een auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk is te denken), maar Hem stelt tot haar verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 15 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels gaat over de verwerping. Het is een zwaar artikel, en het spreekt er zelf sober over. Het begint niet bij de verworpenen, maar bij de genade. De Schrift prijst de 'eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing' allermeest aan door te getuigen dat 'niet alle mensen zijn verkoren'. Allermeest betekent: het sterkst. Wie ziet dat God niet iedereen verkiest, verstaat beter dat de verkiezing echt genade is.
Voorbijgegaan en gelaten
Het artikel omschrijft de verwerping eerst als voorbijgaan. Sommigen zijn 'in Gods eeuwige verkiezing voorbijgegaan'. God heeft besloten hen 'in de gemene ellende te laten'. Gemeen betekent hier: gemeenschappelijk, voor alle mensen gelijk. Het gaat om de ellende waarin het hele mensdom door de zondeval ligt. Het artikel voegt er direct aan toe dat zij zich daarin 'door hun eigen schuld hebben gestort'. God duwt niemand in de zonde. Hij laat mensen waar zij zelf terecht zijn gekomen.
Daarbij heeft God besloten hen 'met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen'. Begiftigen betekent: als gave schenken. Geloof en bekering zijn gaven, en niemand heeft er recht op. Paulus zegt het kort: "Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil". Diens Hij wil betekent: over wie Hij wil; dien Hij wil: wie Hij wil.
Vrij en toch rechtvaardig
Waarom gaat God sommigen voorbij? Het artikel noemt niets in hen wat hen van anderen onderscheidt, want allen liggen in dezelfde ellende. Het spreekt van Gods 'gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen'. Gans betekent: geheel. Welbehagen is wat God goed vindt. Onberispelijk wil zeggen dat niemand er iets op kan aanmerken. Vrij en rechtvaardig staan hier naast elkaar. God is aan niemand genade verschuldigd, en wie Hij laat, wordt geen onrecht gedaan.
Paulus stelt zelf de vraag die bij deze leer opkomt: is er "onrechtvaardigheid bij God"? Zijn antwoord is: "Dat zij verre". Verder dan dat gaat ook het artikel niet. Het noemt geen namen en geen kenmerken waaraan men verworpenen zou herkennen.
Een oordeel om de zonde
Hen die God voorbijgaat, laat Hij 'in hun eigen wegen'. Eindelijk, dat wil zeggen ten slotte, zal Hij hen verdoemen. Dat oordeel komt 'niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden'. De oorzaak van de verdoemenis ligt dus in de zonde van de mens. Petrus spreekt over mensen die zich aan het Woord stoten en ongehoorzaam zijn. Het doel noemt het artikel ook: 'tot verklaring van Zijn gerechtigheid'. In het oordeel wordt Gods recht openbaar.
Paulus wijst er bovendien op dat God de vaten des toorns "met vele lankmoedigheid verdragen" heeft. Lankmoedig is: geduldig, niet snel tot toorn. Ook wie verloren gaat, heeft Gods geduld ondervonden.
Geen auteur van de zonde
De laatste zin weert een misverstand af. Het artikel zegt dat 'het besluit der verwerping' God 'geenszins maakt tot een auteur van de zonde'. Een auteur is hier een bewerker of veroorzaker. Zoiets van God te denken noemt het artikel godslasterlijk. Jakobus zegt het ook: "Hij Zelf verzoekt niemand". God staat tegenover de zonde als haar 'verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker'. Een wreker is hier Iemand Die het recht handhaaft en het kwaad straft.
Waarom dit artikel er staat
Dit artikel is niet geschreven om te gissen wie verworpen is. Daarover zwijgt het. Het wil dat de gemeente Gods genade niet klein maakt en Gods recht niet aanklaagt. Wie zich zorgen maakt over de verwerping, vindt in artikel 16 een pastoraal antwoord. Wie naar Christus verlangt, hoeft niet in Gods verborgen raad te zoeken, maar mag tot Hem gaan.
Bijbelse onderbouwing
“Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.”
Paulus zegt dat God Zich ontfermt over wie Hij wil en verhardt wie Hij wil, zodat Zijn vrij welbehagen beslist.
“En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid;”
God verdraagt de vaten des toorns met veel lankmoedigheid om Zijn toorn en macht bekend te maken, en zo noemt het artikel het oordeel 'tot verklaring van Zijn gerechtigheid'.
“Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.”
Petrus noemt wie zich aan het Woord stoot ongehoorzaam, en ook het artikel zegt dat God verdoemt om het ongeloof en om alle andere zonden.
“Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.”
Paulus vraagt of er onrecht bij God is en wijst die gedachte met kracht af, zoals het artikel God onberispelijk noemt.
“Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.”
Jakobus zegt dat God niemand tot het kwade verzoekt, wat het artikel bevestigt door God geen auteur van de zonde te noemen.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
De remonstranten verwierpen een besluit van verwerping dat alleen in Gods vrije wil rust. De achtste verwerping van dit hoofdstuk wijst hun leer af dat God niemand louter uit Zijn rechtvaardige wil in de val van Adam laat. Zij antwoordt met Romeinen 9:18 en met het dankgebed van Christus in Mattheüs 11.
Daarnaast werd de gereformeerde leer verweten dat zij God tot een auteur der zonde maakt. Het Besluit van de leerregels noemt die beschuldiging uitdrukkelijk. Artikel 15 wijst haar al af: het spreekt van mensen die door eigen schuld in de ellende liggen, en noemt God hun rechtvaardige Rechter.
Om over door te praten
- Waarom begint artikel 15 bij de onverdiende genade van de verkiezing en niet bij de verwerping zelf?
- Wat betekent het dat God sommigen in de ellende laat waarin zij zichzelf door eigen schuld hebben gestort?
- Waarom is het belangrijk dat het artikel God uitdrukkelijk geen auteur van de zonde noemt?
- Hoe gaat u om met deze leer als zij vragen of zorgen over uw eigen leven oproept?
- Op welke manier kan dit artikel u helpen Gods genade en Gods gerechtigheid allebei te eerbiedigen?