Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, artikel 3: predikers gezonden

In het kort

In artikel 3 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels belijdt de kerk dat God predikers zendt. Zij brengen het Evangelie tot wie God wil en wanneer Hij wil. Door hun dienst roept Hij mensen tot bekering en tot het geloof in Christus, de Gekruisigde.

De tekst van DL I,3

En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den Gekruisigde. Want hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? (Rom. 10:14-15).

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Artikel 3 van hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels gaat over predikers die door God gezonden worden. Artikel 1 sprak over de schuld van alle mensen, artikel 2 over Gods liefde in de zending van Zijn Zoon. Nu volgt de vraag hoe die blijde boodschap bij mensen komt. Het antwoord is eenvoudig: God zendt mensen die het Evangelie verkondigen.

Het artikel begint met het doel: 'opdat de mensen tot het geloof worden gebracht'. Geloof ontstaat niet vanzelf. Het komt door het horen van het Evangelie, en daarom zendt God Zijn boden.

God zendt uit goedheid

Het artikel zegt: 'zendt God goedertierenlijk verkondigers' van het Evangelie. Goedertierenlijk betekent: uit goedheid en barmhartigheid, zonder dat iemand er recht op heeft. Na artikel 1 is dat belangrijk. God was niemand een prediker verschuldigd. Dat het Evangelie ergens klinkt, is al genade.

Het artikel noemt het Evangelie 'deze zeer blijde boodschap'. Daarmee wijst het artikel terug naar artikel 2: God heeft Zijn Zoon gegeven, opdat wie in Hem gelooft niet verloren gaat. Dat is het nieuws dat de verkondigers meebrengen. Jesaja zag dat al van verre: "Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt".

Tot wie Hij wil en wanneer

God zendt Zijn boden 'tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil'. Niet de kerk en niet de waardigheid van een volk is de diepste oorzaak dat het Evangelie ergens klinkt, maar Gods vrije wil. In Handelingen 16 wilde Paulus in Azië en Bithynië prediken, maar "de Geest liet het hun niet toe". Daarna riep God Paulus naar Macedonië.

De negende verwerping bij dit hoofdstuk legt de oorzaak alleen in Gods welbehagen. Wie het Evangelie mag horen, heeft dus reden tot verwondering en dankbaarheid, niet tot hoogmoed.

Prediking als middel tot geloof

Het artikel eindigt met de woorden van Paulus uit Romeinen 10:14-15. Het is een keten: geloof vraagt horen, horen vraagt een prediker, en een prediker moet gezonden zijn. In de Statenvertaling begint de keten nog een stap eerder, bij het aanroepen. Even verder zegt Paulus: "Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods".

Mensen worden geroepen 'door wier dienst', dat wil zeggen door het werk van de verkondigers. Zij zijn dienaren en werktuigen. Wie eigenlijk roept, is God Zelf. De Heidelbergse Catechismus leert in zondag 25 dat de Heilige Geest het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het Evangelie.

Waartoe worden mensen geroepen? Het artikel noemt het doel: zij 'geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den Gekruisigde'. Bekering betekent: zich van de zonde afkeren en zich tot God wenden. De inhoud van de prediking is Christus aan het kruis. Paulus schrijft: "Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde".

Wat dit betekent voor zending

Dit artikel maakt de zending niet overbodig, maar geeft haar juist een vaste grond. Omdat God door predikers werkt, zendt de kerk ze uit, gehoorzaam aan het bevel van Christus: "Gaat dan henen, onderwijst al de volken". Wie gaat, mag weten dat God Zelf Zijn boden zendt en Zijn tijd kiest.

Ook voor wie elke zondag onder de prediking zit, heeft dit artikel betekenis. De preek is geen gewone toespraak, maar een middel waardoor God roept tot bekering en geloof. Dat geeft reden om met verwachting te luisteren en te bidden voor hen die het Woord brengen, dichtbij en ver weg.

Bijbelse onderbouwing

  • Romeinen 10:14

    “Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”

    Paulus laat zien dat niemand de Heere kan aanroepen zonder geloof, en niemand kan geloven zonder het Evangelie te horen van iemand die predikt.

    Uitleg bij Romeinen 10

  • Romeinen 10:15

    “En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!”

    Predikers moeten gezonden worden, en Paulus noemt met Jesaja de voeten van hen die het goede verkondigen liefelijk.

  • Romeinen 10:17

    “Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”

    Het geloof komt uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God, zodat de prediking het middel is waardoor God geloof werkt.

  • Jesaja 52:7

    “Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.”

    Jesaja noemt de voeten van de bode die het goede boodschapt liefelijk, en Paulus past dat toe op de predikers die God zendt, zoals ook het artikel doet.

  • Handelingen 16:6

    “En als zij Frygie, en het land van Galatie doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azie te spreken.”

    De Heilige Geest verhinderde Paulus om in Azië te spreken, wat laat zien dat God bepaalt waar en wanneer Zijn Woord klinkt.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Waarom hoort het ene volk het Evangelie wel en het andere niet? Die vraag speelde in de strijd met de remonstranten. In de negende verwerping wijst de synode de dwaling af dat een volk het Evangelie krijgt omdat het beter en waardiger is. Hoofdstuk 3/4, artikel 7, wijst ook de gedachte af dat het beter gebruik van het licht van de natuur de oorzaak is. Artikel 3 legt de oorzaak daarom bij God, Die zendt 'tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil'.

Om over door te praten

  1. Waarom noemt artikel 3 het goedertierenlijk dat God verkondigers zendt, als u denkt aan wat artikel 1 over de schuld van alle mensen zegt?
  2. Welke stappen ziet u in de keten van Romeinen 10:14 en 15, en waarom begint die keten bij God Die zendt?
  3. Hoe kan het besef dat God roept door de dienst van mensen uw manier van luisteren naar de preek veranderen?
  4. Wat betekent het voor de zending dat God Zijn boden zendt 'tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil'?
  5. Hoe kunt u in gebed en daad meeleven met hen die het Evangelie brengen aan mensen die het nog nooit hoorden?

Heidelbergse Catechismus

Verder lezen