Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4: Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God, en de manier van deze
In het kort
Dordtse Leerregels hoofdstuk 3 en 4 belijdt hoe God de mens die dood is in de zonde, levend maakt. Het hoofdstuk beschrijft de val, de ernstige roeping door het Evangelie, de wedergeboorte als werk van God en het gebruik van de middelen.
Dordtse Leerregels hoofdstuk 3 en 4 vormen samen één hoofdstuk met zeventien artikelen. Het opschrift spreekt over de verdorvenheid van de mens, zijn bekering tot God en de manier daarvan. Wie niet ziet hoe diep de mens gevallen is, begrijpt ook niet waarom zijn bekering geheel het werk van God moet zijn.
Gevallen en onmachtig (artikel 1-6)
Artikel 1 en 2 leggen de grond. De mens was goed geschapen, naar het beeld van God. Hij viel door eigen schuld en gaf zijn verdorven natuur door aan al zijn nakomelingen.
Artikel 3 trekt de conclusie: alle mensen worden in zonde ontvangen en zijn uit zichzelf dood in de zonden. Paulus schrijft dat God de gelovigen levend maakte, "daar gij dood waart door de misdaden en de zonden". Het licht der natuur en de wet kunnen de mens niet redden (artikel 4 en 5). Wat zij niet kunnen, doet God door het Evangelie en de kracht van de Heilige Geest.
De ernstige roeping (artikel 7-10)
Artikel 7 begint bij Gods vrije welbehagen: dat het Evangelie nu, zonder onderscheid van volken, aan meer mensen komt, ligt alleen bij Hem. Daarna houden de artikelen 8 tot 10 drie dingen naast elkaar vast. De roeping door het Evangelie is ernstig, want Christus zegt: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt". Wie niet komt, heeft de schuld daarvan bij zichzelf. Wie wel komt, dankt dat niet aan zijn vrije wil, maar aan God.
De wedergeboorte (artikel 11-16)
Volgens artikel 11 laat God het Evangelie niet alleen prediken, maar vernieuwt Hij ook het hart en de wil. Jezus zei tegen Nicodemus: "Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien". Artikel 12 noemt dit werk niet minder krachtig dan de schepping of de opwekking van de doden.
Daarom noemt artikel 14 het geloof een gave van God, en artikel 15 zegt dat God deze genade aan niemand schuldig is. Toch werkt God volgens artikel 16 niet in de mens als in stokken en blokken. Hij dwingt de wil niet met geweld, maar maakt hem levend en buigt hem liefelijk en krachtig. God beloofde al: "Ik zal u een nieuw hart geven".
De middelen (artikel 17)
Als God alles doet, mag de mens dan stil afwachten? Artikel 17 antwoordt dat God ook het natuurlijke leven door middelen onderhoudt. Zo gebruikt Hij het Evangelie als zaad van de wedergeboorte en als spijs voor de ziel. Daarom blijven de prediking, de sacramenten en de kerkelijke tucht nodig. Het hoofdstuk eindigt met de lof van God.
De artikelen van hoofdstuk III/IV
- Artikel 1‘De mens is van den beginne naar het beeld Gods geschapen …’Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4, artikel 1 belijdt dat de mens naar Gods beeld geschapen is.
- Artikel 2‘Zodanig als nu de mens geweest is na den val …’Dordtse Leerregels 3/4, artikel 2 belijdt dat de verdorvenheid van Adam op al zijn nakomelingen is overgegaan.
- Artikel 3‘Overzulks zo worden alle mensen in zonde ontvangen …’Dordtse Leerregels 3/4, artikel 3 belijdt dat alle mensen in zonde ontvangen worden en dood in de zonde zijn.
- Artikel 4‘Wel is waar dat na den val in den mens enig licht der natuur …’Het licht der natuur is wat de mens na de val nog van God en van goed en kwaad weet.
- Artikel 5‘Gelijk het met het licht der natuur toegaat …’Volgens Dordtse Leerregels 3/4, artikel 5 redt ook de wet van de tien geboden de zondaar niet.
- Artikel 6‘Hetgeen dan noch het licht der natuur noch de wet doen kan …’Wat het licht der natuur en de wet niet kunnen, doet God door het Evangelie van de verzoening.
- Artikel 7‘Deze verborgenheid van Zijn wil heeft God in het Oude Testament …’Volgens artikel 7 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels maakte God Zijn verborgenheid eerst aan weinigen en nu aan meer mensen bekend.
- Artikel 8‘Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden …’Artikel 8 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels belijdt de ernstige roeping door het Evangelie.
- Artikel 9‘Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen …’Wie door het Evangelie geroepen wordt en niet komt, heeft dat aan zichzelf te wijten en niet aan God.
- Artikel 10‘Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen …’Wie door het Evangelie tot bekering komt, dankt dat volgens Dordtse Leerregels 3/4, artikel 10 niet aan zijn vrije wil, maar aan God.
- Artikel 11‘Voorts, wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert …’Volgens Dordtse Leerregels 3/4, artikel 11 bekeert God door het verstand te verlichten, het gesloten hart te openen en de wil te vernieuwen.
- Artikel 12‘En dit is die wedergeboorte …’Dordtse Leerregels 3/4, artikel 12 belijdt dat de wedergeboorte een werk van God alleen is.
- Artikel 13‘De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen …’Artikel 13 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels belijdt dat Gods verborgen werk in het hart niet te doorgronden is.
- Artikel 14‘Zo is dan het geloof een gave Gods …’Het geloof is een gave Gods, belijdt DL 3/4, artikel 14.
- Artikel 15‘Deze genade is God aan niemand schuldig …’God is niemand Zijn genade schuldig, belijdt artikel 15 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels.
- Artikel 16‘Doch gelijk de mens door den val niet heeft opgehouden een mens te zijn …’Artikel 16 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels belijdt dat de genade niet dwingt.
- Artikel 17‘Gelijk ook die almachtige werking Gods …’Volgens artikel 17 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels maakt God bij de wedergeboorte de middelen, zoals Woord en sacramenten, niet overbodig.
Bijbelse onderbouwing
“En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;”
Paulus noemt de mens buiten Christus dood door de misdaden en de zonden, zoals artikel 3 de onmacht van de natuurlijke mens beschrijft.
“En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.”
God belooft Zelf het stenen hart weg te nemen en een nieuw hart te geven, wat artikel 11 uitwerkt als het openen en vermurwen van het hart.
“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”
Jezus leert Nicodemus dat niemand zonder wedergeboorte het Koninkrijk Gods kan zien, en artikel 12 noemt die wedergeboorte een werk van God alleen.
“Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”
Artikel 14 sluit bij deze woorden aan wanneer het belijdt dat God zowel de wil om te geloven als het geloof zelf in de mens werkt.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In 1610 legden de remonstranten hun gevoelen in vijf artikelen vast. Het derde artikel leerde dat de mens het zaligmakend geloof niet uit zichzelf heeft en door God moet worden wedergeboren. Dat klonk rechtzinnig. Het vierde artikel voegde eraan toe dat de genade niet onweerstaanbaar is, zodat de mens haar kan weerstaan.
Omdat het derde artikel pas in het licht van het vierde goed te begrijpen was, beantwoordde de Synode van Dordrecht beide punten samen. Daarom draagt dit hoofdstuk een dubbel nummer. De synode wees ook de oude dwaling van Pelagius af, die de zonde als navolging zag. Artikel 16 antwoordt bovendien op het verwijt dat de gereformeerde leer van de mens een willoos werktuig zou maken.
Om over door te praten
- Waarom behandelt dit hoofdstuk eerst de verdorvenheid van de mens, voordat het over de bekering tot God spreekt?
- Hoe kan de wedergeboorte geheel het werk van God zijn, terwijl de vernieuwde mens volgens artikel 12 zelf gelooft en zich bekeert?
- Wat betekent het voor u dat God ernstig roept, wanneer u in de kerk het Evangelie hoort verkondigen?
- Waarom blijven de prediking, de sacramenten en de tucht nodig, als de bekering een werk van God alleen is?
- Hoe gebruikt u in uw eigen leven de middelen die God tot bekering en groei in het geloof gegeven heeft?