Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4, artikel 10: bekering Gods werk

In het kort

Wie door het Evangelie tot bekering komt, dankt dat volgens Dordtse Leerregels 3/4, artikel 10 niet aan zijn vrije wil, maar aan God. De bekering is Gods werk: Hij roept krachtig wie Hij in Christus verkoren heeft. Daarom is er geen roem voor de mens, maar alleen in de Heere.

De tekst van DL III/IV,10

Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt);

maar men moet het Gode toeschrijven, die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook dezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en, uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het Rijks Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de apostolische schriften telkens getuigen.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Na de vraag waarom velen niet tot bekering komen, stelt artikel 10 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels de omgekeerde vraag. Waarom komen anderen wel? Zij horen hetzelfde Evangelie en ontvangen dezelfde uiterlijke roeping. Artikel 9 had gezegd dat de schuld van het wegblijven bij de mens zelf ligt. Artikel 10 zegt nu dat de bekering geen verdienste van de mens is. De bekering is Gods werk, van het begin tot het einde.

Niet de vrije wil maakt het onderscheid

Het artikel begint met hen die 'door de bediening des Evangelies geroepen' zijn. Bediening betekent hier: de prediking van het Evangelie door de dienaren van het Woord. Wie komt, hoorde dezelfde prediking als wie wegbleef. Wat maakt dan het onderscheid? Het artikel wijst eerst een verkeerd antwoord af. Men mag het niet aan de mens toeschrijven, 'alsof hij zichzelf door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen'.

Die anderen zouden volgens deze leer 'met even grote of genoegzame genade' voorzien zijn. Genoegzaam betekent: voldoende. De gedachte is dat God aan ieder evenveel genade geeft, en dat de wil van de mens de doorslag geeft. Paulus vraagt de gemeente te Korinthe "wie onderscheidt u", en hij voegt eraan toe dat zij niets hebben wat zij niet ontvangen hebben.

De hovaardige ketterij van Pelagius

Tussen haakjes noemt het artikel deze leer 'de hovaardige ketterij van Pelagius'. Hovaardig betekent: hoogmoedig. Een ketterij is een dwaling in een hoofdzaak van het geloof, die de kerk heeft veroordeeld. Als de wil van de mens het verschil maakt, heeft hij toch iets om zich op te beroemen. Hij heeft dan zelf de goede keus gemaakt, waar een ander dat naliet. Dat is hoogmoed tegenover God.

Van eeuwigheid verkoren, in de tijd geroepen

Daartegenover zegt het artikel: 'maar men moet het Gode toeschrijven'. Daarna noemt het een rij werken van God. De bron is dat Hij 'de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus'. Paulus schrijft dat God ons "uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld". Wat God van eeuwigheid besloot, voert Hij 'in den tijd' uit, in het leven van een mens.

Hij roept hen 'krachtiglijk'. Dat is een roeping die het hart werkelijk verandert en niet alleen het oor bereikt. Hij begiftigt hen 'met het geloof en de bekering'. Begiftigen betekent: als geschenk geven. Het geloof is dus geen bijdrage van de mens aan zijn eigen redding. Het is zelf een gave van God.

Uit de duisternis in het licht

Het artikel zegt verder dat God hen, 'uit de macht der duisternis verlost zijnde', overbrengt naar het Rijk van Zijn Zoon. Dat sluit aan bij Kolossenzen 1. Paulus dankt de Vader, Die ons "getrokken heeft uit de macht der duisternis". De mens loopt die macht niet zelf uit. God haalt hem eruit.

Dan noemt het artikel het doel, met de woorden van Petrus. Zij zijn geroepen om te 'verkondigen de deugden Desgenen'. Deugden zijn hier de grote daden en de heerlijkheid van God. Wie zo geroepen is, gaat spreken over wat God gedaan heeft. Petrus noemt dat geroepen worden "uit de duisternis" tot Gods "wonderbaar licht".

Roemen in den Heere

Het laatste doel is 'opdat zij niet in zichzelf, maar in den Heere zouden roemen'. Roemen betekent hier: zich beroemen, trots zijn op iets. Paulus schrijft: "wie roemt, die roeme in den Heere". Het artikel voegt eraan toe dat de apostolische schriften dit telkens getuigen.

De Heidelbergse Catechismus beschrijft in zondag 33 wat ware bekering is: het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens. Artikel 10 zegt wie die bekering werkt: God Zelf. Bent u tot bekering gekomen, dan leert u hier ootmoed, want bij uzelf is niets om op te wijzen. Tegelijk is het een troost. Uw bekering rust niet op uw eigen wil, maar op Gods werk in Christus.

Bijbelse onderbouwing

  • Kolossenzen 1:13

    “Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;”

    God heeft de gelovigen uit de macht der duisternis getrokken en overgezet in het Koninkrijk van Zijn Zoon, zoals het artikel ook zegt.

    Uitleg bij Kolossenzen 1

  • 1 Petrus 2:9

    “Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;”

    Het artikel ontleent zijn doel bijna woordelijk aan dit vers: de deugden verkondigen van Hem Die uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht geroepen heeft.

  • 2 Korinthe 10:17

    “Doch wie roemt, die roeme in den Heere.”

    Wie roemt, moet in de Heere roemen, en daarom laat de bekering geen ruimte voor roem op de eigen wil.

  • Efeze 1:4

    “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;”

    God heeft de Zijnen in Christus uitverkoren voor de grondlegging der wereld, en daar ligt volgens het artikel de bron van hun bekering.

  • 1 Korinthe 4:7

    “Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?”

    De synode haalt deze vraag in de negende verwerping aan: wat de gelovige van een ander onderscheidt, heeft hij ontvangen.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Dit artikel staat tegenover de remonstrantse leer over de genade in de bekering. De remonstranten zeiden niet dat de mens zonder genade tot God kan komen. Wel leerden zij dat God aan allen die het Evangelie horen voldoende genade geeft, en dat de mens die genade kan aannemen of weerstaan. Dan beslist uiteindelijk de wil wie gelooft.

In de verwerping der dwalingen wees de synode de gedachte af dat genade en vrije wil samen het begin van de bekering werken. Zij zei dat de oude kerk deze leer al bij de Pelagianen veroordeeld had. Daarbij wees zij op Romeinen 9:16, 1 Korinthe 4:7 en Filippenzen 2:13.

Om over door te praten

  1. Welke vraag beantwoordt artikel 10, en hoe hangt die samen met wat artikel 9 zegt over hen die niet komen?
  2. Waarom noemt het artikel de leer dat de vrije wil het onderscheid maakt een hoogmoedige leer?
  3. Welke werken van God noemt het artikel achter elkaar, van de verkiezing tot de overbrenging in het Rijk van Zijn Zoon?
  4. Hoe kan het weten dat uw bekering Gods werk is u tegelijk nederig en getroost maken?
  5. Wat betekent het in uw dagelijks leven om niet in uzelf, maar in de Heere te roemen?

Heidelbergse Catechismus

Verder lezen