Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4, artikel 3: dood in de zonde
In het kort
Dordtse Leerregels 3/4, artikel 3 belijdt dat alle mensen in zonde ontvangen worden en dood in de zonde zijn. Zij zijn onbekwaam tot enig goed dat zalig maakt. Zonder de wederbarende Heilige Geest willen en kunnen zij niet tot God terugkeren en hun natuur niet verbeteren.
De tekst van DL III/IV,3
Overzulks zo worden alle mensen in zonde ontvangen, en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde. En willen en kunnen tot God niet wederkeren, noch hun verdorven natuur verbeteren, noch zichzelf tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 3 van hoofdstuk 3/4 trekt de conclusie uit de eerste twee artikelen. De mens viel door eigen schuld, en hij gaf zijn verdorven natuur door aan al zijn nakomelingen. Daarom begint dit artikel met 'Overzulks', dat betekent: daarom. Wat volgt, is een van de scherpste beschrijvingen van de mens in de belijdenis: hij is dood in de zonde. Toch eindigt het artikel niet bij de mens, maar bij het werk van de Heilige Geest.
In zonde ontvangen en geboren
Het artikel zegt dat 'alle mensen in zonde ontvangen' worden. De zonde begint dus niet pas bij de eerste verkeerde daad. Ze is er vanaf het begin van ons leven. David belijdt het zelf: "in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen". Niemand is hiervan uitgezonderd, ook niet het kind dat in een christelijk gezin opgroeit.
Daarna noemt het artikel de mensen 'kinderen des toorns'. Die woorden komen van Paulus: "wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen". Toorn is de heilige en rechtvaardige boosheid van God over de zonde. Van nature betekent: door onze geboorte, nog voordat wij zelf iets deden. Paulus zegt wij, en sluit zichzelf daar dus bij in.
Onbekwaam tot zaligmakend goed
De mens is 'onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad'. Onbekwaam betekent: niet in staat. Let op het woord zaligmakend. Het artikel zegt niet dat een mens niets nuttigs of fatsoenlijks meer kan doen. Artikel 4 spreekt daar nog over. Maar wat voor God goed is en tot de zaligheid leidt, kan de mens uit zichzelf niet doen.
De Heidelbergse Catechismus spreekt in zondag 3 nog ruimer. Daar is de vraag of wij "ganselijk onbekwaam … tot enig goed en geneigd tot alle kwaad" zijn. Het antwoord is: ja, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden. De oorzaak zit in het hart. Jeremia zegt: "Arglistig is het hart, meer dan enig ding". Arglistig betekent: vol bedrog. Het hart misleidt zelfs zichzelf.
Dood in zonden, slaven der zonde
Het artikel gebruikt twee sterke beelden: 'dood in zonden en slaven der zonde'. Paulus schrijft aan de gemeente van Efeze: "daar gij dood waart door de misdaden en de zonden". Een dode kan zichzelf niet levend maken. Hij kan ook niet een klein beetje meewerken aan zijn eigen opwekking. Zo is de mens geestelijk dood ten opzichte van God.
Een slaaf hoort bij een meester en moet doen wat die wil. De Heere Jezus zegt: "Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde". De mens dient de zonde niet tegen zijn zin. Hij doet het met zijn hele hart, en juist daarom komt hij er zelf niet van los.
Niet willen en niet kunnen
Het tweede deel van het artikel noemt drie dingen die de mens niet kan. Hij kan niet tot God terugkeren. Hij kan zijn verdorven natuur niet verbeteren. En hij kan zich zelfs niet 'tot de verbetering daarvan schikken'. Schikken betekent: voorbereiden, gereedmaken. De mens kan dus ook geen eerste stap zetten die God daarna afmaakt.
Het artikel zegt 'willen en kunnen' samen. Het probleem is niet alleen dat de mens niet kan, maar ook dat hij niet wil. Paulus zegt van het bedenken van het vlees: "het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet".
Alleen door de wederbarende Geest
Het artikel eindigt met de woorden 'zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes'. Wederbaren betekent: opnieuw doen geboren worden. Dat is het werk van de Heilige Geest alleen. De Heere Jezus zegt tegen Nicodemus: "Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan".
Zo laat dit artikel de mens zien wie hij is, maar het laat de lezer niet zonder uitzicht. Efeze 2 begint met de woorden "En u heeft Hij mede levend gemaakt". Wie bij zichzelf deze doodsheid ziet, verwacht niets meer van zichzelf. Zo iemand leert te vragen om het werk van de Geest, Die doet wat de mens zelf niet kan. Over dat werk spreken de artikelen 11 en 12.
Bijbelse onderbouwing
“En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;”
De synode haalt dit vers in de vierde verwerping aan: de mens is niet ten dele, maar geheel dood in de zonden.
“Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;”
Paulus noemt alle mensen, ook zichzelf, van nature kinderen des toorns, en daaraan ontleent het artikel zijn woorden.
“Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.”
Paulus zegt dat het bedenken van het vlees zich niet aan Gods wet onderwerpt en het ook niet kan, zoals het artikel willen en kunnen samen noemt.
“Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?”
Jeremia noemt het hart arglistig meer dan enig ding, en wijst zo aan waar de neiging tot het kwaad vandaan komt.
“Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.”
Zonder geboren te worden uit de Geest komt niemand in het Koninkrijk, en zo eindigt het artikel bij de genade van de wederbarende Heilige Geest.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In de verwerpingen bij dit hoofdstuk wijst de synode opvattingen af die rechtstreeks op dit artikel slaan. Volgens de derde verwerping leerden sommigen dat de wil van de mens zelf nooit verdorven was, maar alleen gehinderd werd door een verduisterd verstand. Volgens de vierde verwerping leerden zij dat de onwedergeboren mens niet geheel dood is in de zonde. Hij zou nog naar de gerechtigheid kunnen hongeren en dorsten.
De synode wees dat af met onder meer Jeremia 17:9, Efeze 2:1 en Efeze 2:3. Artikel 3 belijdt daartegenover dat de mens zonder de Geest niet kan en niet wil.
Om over door te praten
- Welke woorden gebruikt artikel 3 voor de staat van de mens, en wat zegt elk van die woorden?
- Waarom is het belangrijk dat het artikel spreekt over zaligmakend goed, en niet over elk goed dat een mens doet?
- Wat is het verschil tussen niet kunnen en niet willen, en waarom noemt het artikel ze samen?
- Hoe kan het besef dat u zichzelf niet kunt verbeteren u leren om het werk van de Heilige Geest te vragen?