Ga naar hoofdinhoud

Verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels

In het kort

De verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels wijst negen remonstrantse leringen over erfzonde, vrije wil en bekering af. De synode antwoordt met de Schrift. De mens is geestelijk dood, en God bekeert hem niet met een zachte aanrading maar met Zijn krachtige genade.

Hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels gaat over de verdorvenheid van de mens en zijn bekering tot God. Na de zeventien artikelen volgt de verwerping der dwalingen. Daarin noemt de synode negen leringen die zij afwijst. Elke verwerping geeft eerst de dwaling weer en weerlegt die daarna met een beroep op de Schrift. De eerste vier gaan over de mens zelf: zijn staat bij de schepping en na de val. De laatste vijf gaan over de weg naar de bekering en het werk van God daarin.

Wat de remonstranten leerden

De remonstranten beleden in 1610 dat de mens na de val uit zichzelf niets waarlijk goeds kan denken, willen of doen. Zij leerden ook dat niemand zonder de genade tot God komt. Maar volgens hen bleef er in de mens een vrije wil over, die de genade kon aannemen of weerstaan. God zou allen genoeg middelen geven, en de mens besliste zelf of hij die gebruikte. De genade werkte dan vooral door raad en overreding, als 'een zachte aanrading'.

Waarom de synode afwees

De synode zag dat de mens in deze leer het laatste woord kreeg over zijn eigen bekering. Het verschil tussen gelovigen en ongelovigen zou dan uiteindelijk bij de mens liggen, en niet bij God. De Schrift zegt het anders. De mens is van nature dood in de zonden, en niemand komt tot Christus, tenzij hij door de Vader getrokken wordt. Daarom roemt de gelovige niet in zijn eigen keus, maar in de genade die hem levend maakte.

Verwerping 1: De erfzonde maakt werkelijk schuldig

Die leren: Dat men eigenlijk niet zeggen kan, dat de erfzonde in zichzelf genoegzaam is om het ganse menselijke geslacht te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen.

Want dezen wederspreken den apostel, die daar zegt: Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen, en door de zonde de dood; en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben (Rom. 5:12); en: De schuld is uit één misdaad tot verdoemenis (Rom. 5:16); en: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).

De eerste dwaling zegt dat de erfzonde op zichzelf niet genoeg is om het hele menselijke geslacht te verdoemen. Erfzonde is de zondige staat en schuld waarin ieder mens sinds Adam geboren wordt. Volgens deze leer verdient zij geen 'tijdelijke en eeuwige straffen'. De synode antwoordt met Romeinen 5. Paulus schrijft dat "de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben". Ook zegt hij: "de bezoldiging der zonde is de dood". Bezoldiging betekent: loon. De erfzonde maakt de mens dus werkelijk schuldig voor God.

Verwerping 2: Gerechtigheid en heiligheid zaten in de wil

Die leren: Dat de geestelijke gaven, of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid, in den wil des mensen, toen hij eerst geschapen werd, niet konden zijn, en dat zij dienvolgens in zijn val daarvan niet hebben kunnen gescheiden worden.

Want zulks strijdt tegen de beschrijving van het evenbeeld Gods, welke de apostel stelt, alwaar hij getuigt, dat het bestaat in rechtvaardigheid en heiligheid, welke beide ongetwijfeld in den wil hun plaats hebben.

De tweede dwaling gaat over de schepping. Zij zegt dat goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid nooit in de wil van de eerste mens konden zijn. Dan kon de mens die gaven bij de val ook niet verliezen. De synode wijst op het beeld van God. Paulus beschrijft de nieuwe mens als geschapen "in ware rechtvaardigheid en heiligheid". Die beide hebben volgens de synode 'ongetwijfeld in den wil hun plaats'. Bij de val werd dus ook de wil beroofd van wat God erin gelegd had.

Verwerping 3: De wil zelf is verdorven

Die leren: Dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven niet van des mensen wil zijn gescheiden, nademaal de wil in zichzelf nooit is verdorven geweest, maar alleenlijk door de duisternis des verstands en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd; en dat, deze verhinderingen weggenomen zijnde, alsdan de wil zijn vrije aangeboren kracht zou in het werk kunnen stellen, dat is: allerlei goed, hetwelk hem voorkomt, uit zichzelf zou kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen.

Dit is een nieuwigheid en dwaling, en strekt daartoe, dat zij de krachten van den vrijen wil verheft; tegen de uitspraak van den profeet: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het (Jer. 17:9); en des apostels: Onder dewelke (kinderen der ongehoorzaamheid), ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten (Ef. 2:3).

Volgens de derde dwaling was de wil zelf nooit verdorven. Hij werd alleen gehinderd door 'de duisternis des verstands' en door ongeregelde neigingen. Zonder die hindernissen zou de wil weer uit zichzelf het goede kiezen. De synode noemt dit 'een nieuwigheid en dwaling', omdat zij de krachten van de vrije wil verheft. Jeremia zegt: "Arglistig is het hart, meer dan enig ding". Arglistig betekent: vol bedrog. Paulus zegt dat wij allen eertijds deden "den wil des vleses en der gedachten". De zonde zit dus ook in de wil.

Verwerping 4: Dood in de zonden, niet slechts zwak

Die leren: Dat de onwedergeboren mens niet eigenlijk noch geheellijk dood is in de zonde, of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed; maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven, en offeren een offerande eens verslagenen en gebrokenen geestes, die Gode aangenaam is.

Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schrift: Gij waart dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1,5); en: Al het gedichtsel der gedachten zijns harten is ten allen dage alleenlijk boos (Gen. 6:5 en 8:21). Daarenboven, hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende, en naar het leven, en Gode een offerande van een gebroken geest opofferen, geldt eigenlijk van de wedergeborenen, en van degenen die zalig genaamd worden.

De vierde dwaling zegt dat de onwedergeboren mens niet echt en niet helemaal dood is in de zonde. Onwedergeboren is wie nog niet opnieuw geboren is door de Geest. Hij zou nog kunnen 'hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven', en God een gebroken geest offeren. Efeze 2 zegt: "daar gij dood waart door de misdaden en de zonden". Genesis zegt dat het gedichtsel, wat het hart bedenkt, "te allen dage alleenlijk boos was". Dat hongeren en dat offer gelden volgens de synode 'eigenlijk van de wedergeborenen'.

Verwerping 5: Geen trap van natuur naar genade

Die leren: Dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur), of de gaven, hem na den val nog overgelaten, zo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik een meerdere, namelijk de evangelische of zaligmakende genade en de zaligheid zelf allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen. En dat in dezer voege God Zich van Zijn zijde betoont gereed te zijn, om Christus aan alle mensen te openbaren, naardien Hij de middelen, die tot de bekering nodig zijn, genoegzaam en krachtig aan allen toedient.

Want benevens de ervaring van alle tijden betuigt ook de Schrift dat zulks onwaarachtig is: Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet (Ps. 147:19-20). God heeft in de verleden tijden al de heidenen laten wandelen in hun wegen (Hand. 14:16); en: Zij (te weten Paulus met de zijnen) werden van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken; en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe (Hand. 16:6-7).

De vijfde dwaling gaat over de gemene of algemene genade. Daarmee bedoelden de remonstranten 'het licht der natuur': het besef van God en van goed en kwaad. Wie dat goed gebruikt, zou stap voor stap de zaligmakende genade krijgen. God zou aan allen genoeg middelen tot bekering geven. De synode beroept zich op de ervaring en op de Schrift. God gaf Israël Zijn woorden, maar "alzo heeft Hij geen volk gedaan". Dat God het Evangelie aan het ene volk geeft en niet aan het andere, hangt niet aan de mens.

Verwerping 6: Het geloof is een gave van God

Die leren: Dat in de ware bekering des mensen geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil door God kunnen ingestort worden, en dat, overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden, en waarvan wij gelovigen genoemd worden, niet is een hoedanigheid of gave, van God ingestort, maar alleen een daad des mensen, en dat het niet anders kan gezegd worden een gave te zijn, dan ten aanzien van de macht om tot hetzelve komen.

Want daarmede wederspreken zij de Heilige Schrift, die getuigt dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs, der gehoorzaamheid en van het gevoel Zijner liefde in onze harten uitstort: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Jer. 31:33); en: Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten (Jes. 44:3); en: De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest, Die ons gegeven is (Rom. 5:5). Zulks strijdt ook tegen het standvastig gebruik der Kerk Gods, dewelke bij den profeet aldus bidt: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn (Jer. 31:18).

De zesde dwaling zegt dat God bij de bekering geen nieuwe hoedanigheden of krachten in de wil instort. Instorten betekent: ingieten. Het geloof zou dan geen gave zijn, maar 'alleen een daad des mensen'. De synode wijst op Gods belofte: "Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven". Ook schrijft Paulus dat "de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest". Daarbij komt het gebed van de kerk: "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn". Wie zo bidt, verwacht de bekering van God.

Verwerping 7: Meer dan een zachte aanrading

Die leren: Dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden, niet anders is dan een zachte aanrading; of (gelijk anderen dit verklaren) dat dit de alleredelste manier van werking is in de bekering des mensen, en die het best overeenkomt met de natuur des mensen, welke door aanrading geschiedt; en dat er niets is, waarom deze aanradende genade alleen niet zou genoegzaam zijn om den natuurlijken mens geestelijk te maken; ja, dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt, dan door deze wijze van aanrading; en dat de kracht der Goddelijke werking, waardoor zij de werking des satans te boven gaat, hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de satan tijdelijke goederen belooft.

Want dit is gans Pelagiaans en in strijdig tegen de gehele Heilige Schrift; dewelke, behalve deze, nog een andere en veel krachtiger en Goddelijker manier van werking des Heiligen Geestes in de bekering des mensen erkent; gelijk bij Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven (Ez. 36:26).

Volgens de zevende dwaling is de genade die ons bekeert niet meer dan 'een zachte aanrading'. Aanraden is overreden. Dat zou de edelste manier van werken zijn, omdat zij het best bij de natuur van de mens past. De synode noemt dit 'gans Pelagiaans'. Gans betekent: geheel. Pelagius was een monnik rond het jaar 400 die de kracht van de vrije wil overschatte. De Schrift spreekt van een veel krachtiger werk: "Ik zal u een nieuw hart geven". Een nieuw hart is meer dan goede raad.

Verwerping 8: Genade die de wil werkelijk buigt

Die leren: Dat God zulke krachten Zijner almogendheid in de wedergeboorte des mensen niet gebruikt, waardoor Hij diens wil krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot geloof en bekering; maar dat, al de werkingen der genade volbracht zijnde, dewelke God gebruikt om den mens te bekeren, de mens nochtans Gode en den Heiligen Geest, wanneer Hij zijn wedergeboorte voorheeft en hem wederbaren wil, alzo kan wederstaan, en metterdaad ook dikwijls wederstaat, dat hij zijns zelfs wedergeboorte ganselijk belet; en dat het overzulks in zijn eigen macht blijft, wedergeboren te worden of niet.

Want dit is anders niet, dan al de kracht van de genade Gods in onze bekering wegnemen, en de werking des almachtigen Gods aan den wil des mensen onderwerpen; en dat tegen de apostelen, die leren: dat wij geloven naar de werking der sterkte Zijner macht (Ef. 1:19); en: dat God het welbehagen Zijner goedigheid, en het werk des geloofs, in ons vervult met kracht (2 Thess. 1:11); en: dat Zijn Goddelijke kracht ons alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft (2 Petr. 1:3).

De achtste dwaling zegt dat God in de wedergeboorte Zijn almacht niet zo gebruikt dat Hij de wil 'krachtiglijk en onfeilbaar' buigt. Ook als God alles gedaan heeft, zou de mens Hem zo kunnen weerstaan dat hij zijn wedergeboorte verhindert. Dan blijft het 'in zijn eigen macht' om wedergeboren te worden of niet. De synode zegt dat dit Gods werk onderwerpt aan de wil van de mens. Paulus spreekt van geloven "naar de werking der sterkte Zijner macht". Dat betekent niet dat God dwingt, zoals artikel 16 uitlegt.

Verwerping 9: De genade gaat voorop

Die leren: Dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn, die beide te zamen het begin van de bekering werken, en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil; dat is, dat God niet eer den wil des mensen krachtiglijk helpt tot de bekering, dan wanneer de wil des mensen zichzelf beweegt en daartoe bepaalt.

Want de Oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld, uit de woorden des apostels: Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9:16). Insgelijks: Wat onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Kor. 4:7); en: Het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filipp. 2:13).

De negende dwaling maakt de genade en de vrije wil samen tot oorzaak van het begin van de bekering. De genade zou niet vóór de wil gaan, maar wachten tot de mens zichzelf beweegt. De oude kerk veroordeelde deze leer al bij de Pelagianen. De synode wijst op Paulus: "Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods". Ook zegt hij: "het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken". Het begin ligt dus bij God.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Bijbelse onderbouwing

  • Romeinen 5:12

    “Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”

    Door één mens ging de dood tot alle mensen door, en daarmee weerlegt de synode de eerste dwaling over de erfzonde.

    Uitleg bij Romeinen 5

  • Efeze 2:3

    “Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;”

    Paulus zegt dat ook de gelovigen eertijds de wil van het vlees deden, en de derde verwerping leidt daaruit af dat de wil zelf verdorven is.

  • Johannes 6:44

    “Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.”

    Niemand kan tot Christus komen zonder door de Vader getrokken te worden, en dat laat geen ruimte voor een wil die uit zichzelf de genade aanneemt.

  • Filippenzen 2:13

    “Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”

    God werkt zowel het willen als het werken, en daarom wijst de negende verwerping af dat de wil van de mens de genade voorgaat.

  • Ezechiël 36:26

    “En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.”

    De belofte van een nieuw hart toont dat de bekering een scheppend werk van God is, en meer dan de zachte aanrading uit de zevende dwaling.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

De verwerpingen bij dit hoofdstuk richten zich niet op de korte tekst van 1610, maar op de uitwerking ervan. Op de synode legden de remonstranten hun gevoelen, dat is hun opvatting, uitvoeriger uit. Daaruit bleek dat zij de genade wel nodig vonden, maar de beslissing bij de wil van de mens legden.

Het verschil kwam aan het licht bij de vraag hoe de genade werkt. Is zij een aanrading die de mens kan weerstaan, of een krachtig werk dat de wil vernieuwt? Daarom gaan de verwerpingen ook over de staat van de mens na de val. Wie de wil niet verdorven acht, heeft aan goede raad genoeg.

Om over door te praten

  1. Waarom houdt de synode eraan vast dat niet alleen het verstand, maar ook de wil van de mens verdorven is?
  2. Wat is het verschil tussen genade als een zachte aanrading en de belofte van een nieuw hart uit Ezechiël 36?
  3. Op welke manier laat de vijfde verwerping zien dat het Evangelie een gave van God is en geen beloning?
  4. Welke gevolgen zou het voor uw gebed hebben als de bekering uiteindelijk in uw eigen macht lag?
  5. Hoe kan de belijdenis dat God het willen en het werken geeft, u troosten wanneer u uw eigen zwakheid voelt?

Parallel in andere belijdenissen