Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4, artikel 11: hoe God bekeert

In het kort

Volgens Dordtse Leerregels 3/4, artikel 11 bekeert God door het verstand te verlichten, het gesloten hart te openen en de wil te vernieuwen. Het Evangelie wordt uiterlijk gepredikt, maar de Geest dringt door tot in het binnenste. In de wil legt God nieuwe hoedanigheden, zodat die wil levend wordt en goede vruchten draagt.

De tekst van DL III/IV,11

Voorts wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, of de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking van denzelfden wederbarenden Geest;

Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Hoe bekeert God een mens? Artikel 10 had gezegd dat de bekering Gods werk is en geen keus van de vrije wil. Dit artikel beschrijft hoe dat werk verloopt. Het noemt stap voor stap wat God in een mens doet: aan het verstand, aan het hart en aan de wil. Zo wordt duidelijk dat God de hele mens vernieuwt.

Het Evangelie en het verlichte verstand

Het artikel begint bij 'dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen'. Welbehagen betekent: wat God in Zijn vrijmacht wil en goedvindt. Wat Hij van eeuwigheid besloot, voert Hij in de tijd uit. Eerst laat Hij het Evangelie prediken. Het artikel zegt dat God 'het Evangelie hun uiterlijk doet prediken'. Uiterlijk betekent hier: van buitenaf, zodat het oor de woorden hoort.

Daarbij verlicht God hun verstand 'krachtiglijk door den Heiligen Geest'. Krachtiglijk betekent: met een kracht die werkelijk uitwerkt wat God wil. Het doel is dat zij 'recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn'. Aan de Korinthiërs schrijft Paulus dat de natuurlijke mens die dingen niet kan verstaan. Voor de Efeziërs bidt hij om "verlichte ogen uws verstands".

Tot in het binnenste van de mens

Bij het verstand blijft het niet. Het woordje 'maar' wijst op iets diepers. God 'dringt ook in tot de binnenste delen des mensen'. Hij doet dat met de krachtige werking van 'denzelfden wederbarenden Geest'. Wederbaren betekent: opnieuw doen geboren worden. Dezelfde Geest Die het verstand verlicht, vernieuwt ook het binnenste. Kennis alleen maakt een mens nog niet nieuw.

Het hart geopend, vermurwd en besneden

Dan volgen drie korte zinnen over het hart. De eerste is: 'Hij opent het hart, dat gesloten is'. Zo opende de Heere het hart van Lydia, zodat zij acht nam op wat Paulus zei. De tweede is: 'Hij vermurwt dat hard is'. Vermurwen betekent: zacht maken. Bij Ezechiël belooft God dat Hij "het stenen hart" zal wegnemen en "een vlesen hart" zal geven.

De derde zin luidt: 'Hij besnijdt dat onbesneden is'. Dat beeld komt uit het Oude Testament. In Deuteronomium 30 belooft de HEERE dat Hij het hart zal besnijden, opdat Zijn volk Hem liefheeft met het ganse hart. Gesloten, hard en onbesneden: zo beschrijft het artikel het hart van de mens voordat God het vernieuwt.

Nieuwe hoedanigheden in de wil

Daarna spreekt het artikel over de wil. 'In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden'. Hoedanigheden zijn eigenschappen of geschiktheden. Instorten betekent: ingieten, erin leggen. God geeft de wil dus iets wat er eerst niet was. Hij laat de mens niet alleen zien wat goed is, om dan af te wachten wat hij kiest.

Het artikel zet vier tegenstellingen naast elkaar. De wil 'die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt'. De wil 'die niet wilde, nu metterdaad wil'. Metterdaad betekent: werkelijk, in de daad. De wil die 'wederspannig was, gehoorzaam wordt'. Wederspannig betekent: opstandig. Zo schrijft Paulus dat het God is, "Die in u werkt beide het willen en het werken".

Een goede boom met goede vruchten

Ten slotte zegt het artikel dat God de wil beweegt en sterkt. Het doel is dat die wil 'als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen'. Dat beeld gebruikt de Heere Jezus Zelf: "een ieder goede boom brengt voort goede vruchten". Goede werken zijn dus geen voorwaarde voor de bekering, maar een vrucht ervan. Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus spreekt over de opstanding van de nieuwe mens: vreugde in God en lust om naar Zijn wil te leven.

Wie eerlijk naar het eigen hart kijkt, vindt daar vaak hardheid en tegenzin. Dit artikel wijst dan niet naar wat u zelf moet opbrengen, maar naar wat God doet. U mag Hem bidden om een nieuw hart, zoals Hij dat bij Ezechiël Zelf belooft.

Bijbelse onderbouwing

  • Ezechiël 36:26

    “En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.”

    God belooft het stenen hart weg te nemen en een vlesen hart te geven, wat het artikel het vermurwen van het harde hart noemt.

    Uitleg bij Ezechiël 36

  • Handelingen 16:14

    “En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.”

    De Heere opende het hart van Lydia, zodat zij acht nam op de prediking, en zo gaan uiterlijke prediking en innerlijk werk samen.

  • Filippenzen 2:13

    “Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”

    God werkt in de gelovigen zowel het willen als het werken, en daarom komt de vernieuwde wil uit Zijn werk voort.

  • Efeze 1:17-18

    “Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;”

    Paulus bidt om verlichte ogen van het verstand, zoals het artikel spreekt van het verstand dat door de Heilige Geest verlicht wordt.

  • Deuteronomium 30:6

    “En de HEERE, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den HEERE, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij levet.”

    De HEERE belooft het hart te besnijden, opdat Zijn volk Hem liefheeft, en dat beeld neemt het artikel over.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Volgens sommige remonstranten was de wil zelf nooit verdorven, maar alleen gehinderd door de duisternis van het verstand. Dan zou het genoeg zijn dat God het verstand verlicht. Ook leerden zij dat God in de bekering geen nieuwe hoedanigheden in de wil instort.

De synode wijst beide af in de derde en de zesde verwerping bij dit hoofdstuk. Artikel 11 zet daar tegenover dat God niet bij het verstand blijft staan, maar ook het hart opent en de wil vernieuwt.

Om over door te praten

  1. Welke drie dingen doet God volgens artikel 11 aan het hart, en wat zeggen die beelden over het hart zonder Zijn genade?
  2. Waarom blijft het artikel niet staan bij het verlichte verstand, en wat betekent het dat God 'tot de binnenste delen' doordringt?
  3. Wat betekent het dat God nieuwe hoedanigheden in de wil instort, en waarom is dat meer dan laten zien wat goed is?
  4. Hoe helpt het beeld van de goede boom u om goede werken te zien als vrucht van de bekering en niet als voorwaarde?
  5. Waar merkt u in uw eigen leven hardheid of tegenzin, en hoe kunt u de belofte van een nieuw hart daarbij in gebed gebruiken?

Heidelbergse Catechismus