Ga naar hoofdinhoud

Verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 2 van de Dordtse Leerregels

In het kort

De verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 2 van de Dordtse Leerregels noemt zeven remonstrantse leringen over de dood van Christus. Ze gaan over het doel van Zijn dood, het nieuwe verbond en de erfzonde. De synode wijst ze af met de Schrift: Christus stelde Zijn leven voor de schapen en verwierf hun werkelijk de verlossing en het geloof.

Na de negen artikelen van hoofdstuk 2 volgt in de Dordtse Leerregels de verwerping der dwalingen. Daarin noemt de synode zeven leringen van de remonstranten over de dood van Christus en wijst ze af. Op één na beginnen alle verwerpingen met 'Die leren' en geven zij eerst de dwaling weer. Daarna volgt de weerlegging, meestal met een woord uit de Schrift. Zo ziet u precies wat werd afgewezen en waarom.

Waar het geschil om ging

De remonstranten leerden dat Christus voor alle mensen gestorven is. Zijn dood maakte de verlossing voor ieder mogelijk, maar maakte niemand zeker zalig. Of iemand de vrucht ontving, hing af van het geloof. De genade was daarvoor nodig, maar de mens kon haar aannemen of weerstaan. De synode zag daarin een aantasting van het werk van Christus. Een dood die voor niemand zeker iets bewerkt, zou toch 'in alle delen volmaakt' heten. De eerste verwerping noemt dat een 'versmading van de wijsheid des Vaders'.

De rode draad

Door alle zeven verwerpingen loopt één gedachte. Christus is gestorven met een vast doel: Hij gaf Zijn leven voor de schapen die de Vader Hem gegeven had. Zijn dood verwierf hun niet alleen de vergeving, maar ook het geloof waardoor zij die ontvangen. Daarom rust de zaligheid niet op de mens, maar op de Borg. Dat is de troost van dit hoofdstuk voor ieder die zijn hoop op Christus stelt.

Verwerping 1: Een dood zonder vast doel

Die leren: Dat God de Vader Zijn Zoon tot den dood des kruises verordineerd heeft, zonder zekeren en bepaalden raad van iemand zekerlijk zalig te maken; alzo dat de noodzakelijkheid, nuttigheid en waardigheid van de verwerving des doods van Christus wel zouden hebben kunnen bestaan, en in alle delen volmaakt, volkomen en in haar geheel blijven, zelfs al ware het, dat de verworven verlossing niet één enig mens immermeer metterdaad ware toegeëigend geweest.

Want deze leer strekt tot versmading van de wijsheid des Vaders en van de verdienste van Jezus Christus, en strijdt tegen de Schrift. Want zo zegt onze Zaligmaker: Ik stel Mijn leven voor de schapen, en Ik ken ze (Joh. 10:15,27). En de profeet Jesaja van den Zaligmaker: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jes. 53:10). Eindelijk, zij stoot om het artikel des geloofs, waarmede wij geloven: De algemene Christelijke Kerk.

De eerste dwaling zegt dat de Vader Zijn Zoon tot de dood overgaf zonder vast plan om iemand zalig te maken. De dood van Christus zou dan volmaakt zijn, ook als niemand ooit gered werd. De synode antwoordt met de woorden van de Heiland: "Ik stel Mijn leven voor de schapen". Christus stierf dus voor mensen die Hij kent. Over de Knecht des HEEREN zegt Jesaja: "zo zal Hij zaad zien". Ten slotte zou zo een leer het geloof in de algemene christelijke kerk aantasten.

Verwerping 2: Het verbond werkelijk bevestigd

Die leren: Dat dit doel van den dood van Christus niet geweest is, dat Hij metterdaad het nieuwe verbond der genade door Zijn bloed zou bevestigen; maar alleen dat Hij den Vader een bloot recht zou verwerven, om met de mensen wederom zodanig verbond als het Hem believen zou, hetzij der genade of der werken, te kunnen oprichten.

Want zulks strijdt tegen de Schrift, dewelke leert dat Christus geworden is Borg en Middelaar eens beteren, dat is, des nieuwen verbonds, en dat een testament in de doden eerst vast is.

De tweede dwaling zegt dat Christus het nieuwe verbond niet werkelijk met Zijn bloed bevestigde. Hij zou de Vader alleen 'een bloot recht' hebben verworven om opnieuw een verbond te sluiten. Een bloot recht is een recht dat nog niets uitwerkt. De synode wijst op de brief aan de Hebreeën: Jezus is Borg van een beter verbond. Een borg staat in voor de schuld van een ander. Een testament wordt pas vast door de dood van wie het maakt. Zo maakte Zijn dood het verbond vast.

Verwerping 3: Ook het geloof is verworven

Die leren: Dat Christus door Zijn genoegdoening voor niemand zekerlijk de zaligheid zelf, en het geloof, waardoor deze genoegdoening van Christus tot zaligheid krachtiglijk toegeëigend wordt, verdiend heeft; maar alleen voor den Vader verworven heeft de macht of den volkomen wil, om opnieuw met de mensen te handelen, en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij zou willen, voor te schrijven, van dewelke de volbrenging aan den vrijen wil des mensen hangen zou; en dat het derhalve had kunnen geschieden, dat óf niemand, óf alle mensen die zouden vervullen.

Want dezen gevoelen al te verachtelijk van den dood van Christus, erkennen geenszins de voornaamste vrucht of weldaad door dezen verkregen, en brengen wederom uit de hel te voorschijn de Pelagiaanse doling.

Volgens de derde dwaling verdiende Christus voor niemand zeker de zaligheid of het geloof. Hij zou de Vader alleen de macht hebben gegeven om nieuwe voorwaarden te stellen. Of mensen daaraan voldeden, hing aan hun vrije wil. Dan had het kunnen gebeuren dat niemand of juist iedereen de voorwaarden vervulde. De synode zegt dat deze leer 'al te verachtelijk' denkt over de dood van Christus. Zij ziet er de dwaling van Pelagius in terugkomen, die de kracht van de vrije wil overschatte. De remonstranten noemden zich geen Pelagianen.

Verwerping 4: Rechtvaardiging om niet, uit genade

Die leren: Dat het nieuwe verbond der genade, dat God de Vader, door tussenkomen van den dood van Christus, met de mensen gemaakt heeft, niet daarin bestaat, dat wij door het geloof, voor zoveel het de verdienste van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en zalig gemaakt worden; maar daarin, dat God, afgeschaft hebbende het afeisen van de volmaakte gehoorzaamheid der wet, het geloof zelf en de gehoorzaamheid des geloofs, alhoewel onvolmaakt, voor de volmaakte gehoorzaamheid der wet rekent, en der beloning des eeuwigen levens uit genade waardig acht.

Want dezen wederspreken de Schrift: Zij worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is; Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening door het geloof in Zijn bloed (Rom. 3:24-25); en brengen met den goddelozen Socinus voort een nieuwe en vreemde rechtvaardigmaking des mensen voor God, tegen de eendrachtige overeenstemming van de ganse Kerk.

De vierde dwaling verandert de inhoud van het nieuwe verbond. God zou de eis van volmaakte gehoorzaamheid hebben laten vallen. Hij zou dan het geloof zelf en de onvolmaakte gehoorzaamheid van het geloof als genoeg rekenen. Het geloof wordt dan een nieuw werk dat God beloont. De synode stelt daar Romeinen 3 tegenover: wij worden "om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade". Het geloof neemt de verdienste van Christus aan en is zelf geen verdienste. De synode noemt hierbij Socinus, die de genoegdoening door Christus ontkende.

Verwerping 5: Geen algemene vrijspraak van de erfzonde

Die leren: Dat alle mensen in den staat der verzoening en de genade des verbonds zijn aangenomen, zodat niemand om de erfzonde der verdoemenis schuldig is of verdoemd zal worden, maar dat alle mensen van de schuld dezer zonde vrij zijn.

Want dit gevoelen strijdt tegen de Schrift welke zegt dat wij van nature kinderen des toorns zijn.

De vijfde dwaling zegt dat alle mensen al in de staat der verzoening zijn opgenomen. Niemand zou nog om de erfzonde verdoemd worden. Erfzonde is de zonde en schuld die alle mensen van Adam meekrijgen. De synode antwoordt kort met Efeze 2: wij waren "van nature kinderen des toorns". Paulus zegt dat van zichzelf en van de gelovigen in Efeze, over de tijd vóór hun bekering. De mens is van nature dus niet vrij van schuld. Juist daarom heeft hij Christus nodig.

Verwerping 6: Een goed onderscheid verkeerd gebruikt

Die het onderscheid tussen verwerving en toe-eigening daartoe gebruiken, opdat zij den onvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen zouden kunnen inplanten, dat God, zoveel Hem aangaat, alle mensen die weldaden, die door den dood van Christus verkregen worden, gelijkelijk heeft willen mededelen; maar dat sommigen de vergeving der zonden en het eeuwige leven deelachtig worden, anderen niet, dat zulk onderscheid hangt aan hun vrijen wil, dewelke zichzelf voegt bij de genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt, en dat het niet hangt aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt, opdat zij zichzelf die genade boven anderen zouden toe-eigenen.

Want dezen, zich houdende alsof zij dit onderscheid in een gezonde mening voorstelden, trachten het volk het verderfelijk venijn van de Pelagiaanse dwalingen in te geven.

De zesde verwerping gaat over een onderscheid dat in een gezonde zin gebruikt kan worden. Verwerving is wat Christus door Zijn dood verdiende. Toe-eigening is dat die weldaden werkelijk iemands deel worden. De remonstranten gebruikten dit onderscheid om te leren dat God alle mensen deze weldaden gelijk wilde geven. Het verschil tussen wie wel en wie niet behouden wordt, zou dan hangen aan 'hun vrijen wil'. De synode zegt dat het hangt aan 'die bijzondere gave der barmhartigheid'. Zij waarschuwt dat de 'onvoorzichtigen en onervarenen' hierdoor misleid konden worden.

Verwerping 7: Christus stierf ook voor de uitverkorenen

Die leren: Dat Christus voor diegenen, die God ten hoogste liefheeft en ten eeuwigen leven heeft verkoren, niet heeft kunnen noch moeten sterven, en ook niet gestorven is, naardien dezulken den dood van Christus niet van node hebben.

Want zij wederspreken den apostel, die zegt: Christus heeft mij liefgehad en heeft Zichzelven voor mij overgegeven (Gal. 2:20). Insgelijks: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is (Rom. 8:33-34), namelijk, voor hen; en den Zaligmaker, Die zegt: Ik stel Mijn leven voor de schapen (Joh. 10:15); en: Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden (Joh. 15:12-13).

De zevende dwaling gaat over de uitverkorenen zelf. Zij zegt dat Christus niet gestorven is voor hen 'die God ten hoogste liefheeft en ten eeuwigen leven heeft verkoren'. Ten hoogste betekent: het meest. Zij zouden Zijn dood niet nodig hebben. De synode antwoordt met Paulus, die schrijft dat Christus "Zichzelven voor mij overgegeven heeft". Ook Romeinen 8 zegt dat niemand de uitverkorenen kan veroordelen, omdat Christus is gestorven. De verkiezing maakt Zijn dood dus niet overbodig. God heeft Zijn uitverkorenen juist liefgehad door Zijn Zoon voor hen te geven.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 10:15

    “Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.”

    Christus zegt dat Hij Zijn leven stelt voor de schapen die Hij kent, en de synode haalt dit aan tegen de eerste en de zevende dwaling.

    Uitleg bij Johannes 10

  • Hebreeën 7:22

    “Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.”

    Jezus is Borg geworden van een beter verbond, en daarom heeft Zijn dood dat verbond werkelijk bevestigd, tegen de tweede dwaling in.

  • Romeinen 8:33

    “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.”

    Niemand kan de uitverkorenen beschuldigen, omdat God hen rechtvaardigt; de zevende verwerping leest dit samen met het volgende vers over de dood van Christus.

  • Efeze 2:3

    “Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;”

    Paulus zegt dat ook de gelovigen van nature onder Gods toorn lagen, en dat weerspreekt de vijfde dwaling over de erfzonde.

  • Romeinen 3:24

    “En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;”

    De vierde verwerping haalt dit vers aan: wij worden om niet gerechtvaardigd uit genade, en het geloof is dus geen nieuwe verdienste.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Op de synode werkten de remonstranten het tweede punt van de Remonstrantie van 1610 verder uit. Daarbij gebruikten zij onder meer het onderscheid tussen verwerving en toe-eigening: Christus zou voor allen hebben verworven wat alleen sommigen zich toe-eigenen. De verwerpingen laten zien hoe breed het geschil daardoor werd. Het ging niet alleen over de omvang van de verzoening, maar ook over het nieuwe verbond, de rechtvaardiging en de erfzonde.

De synode wilde niet ontkennen dat de dood van Christus genoeg is voor de hele wereld. Artikel 3 van dit hoofdstuk zegt dat uitdrukkelijk. Zij wees wel af dat Christus zonder vast doel gestorven zou zijn. De verwerpingen laten zien waar die grens lag.

Om over door te praten

  1. Waarom is het voor de troost van een gelovige belangrijk dat Christus met een vast doel gestorven is?
  2. Hoe laat de tweede verwerping zien wat het betekent dat Christus de Borg van het nieuwe verbond is?
  3. Welk verschil maakt het of het geloof een vrucht van de dood van Christus is of een voorwaarde die de mens zelf vervult?
  4. Wat zou het voor uw eigen geloofsleven betekenen om met Paulus te zeggen dat Christus Zich voor u heeft overgegeven?

Parallel in andere belijdenissen