Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4, artikel 4: het licht der natuur
In het kort
Het licht der natuur is wat de mens na de val nog van God en van goed en kwaad weet. Dordtse Leerregels 3/4, artikel 4 erkent dat licht, maar zegt dat het niet tot de zaligmakende kennis van God brengt. De mens gebruikt het niet recht en is daarom niet te verontschuldigen.
De tekst van DL III/IV,4
Wel is waar dat na den val in den mens enig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht.
Maar zo vér is het vandaar, dat de mens door dit licht der natuur zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis van God, en zich tot Hem bekeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja veel meer datzelve, hoedanig het ook zij, op onderscheiden wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder houdt; en dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging voor God benomen.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
In artikel 4 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels staat een vraag centraal die veel mensen bezighoudt. Als de mens door de val geheel verdorven is, wat moet u dan denken van het goede dat u ook bij ongelovigen ziet? Het artikel antwoordt in twee stappen. Eerst erkent het dat er na de val nog iets over is: het licht der natuur. Daarna zegt het waarom dat licht niet genoeg is om zalig te worden.
Wat er na de val overblijft
Het artikel begint met 'wel is waar'. Dat betekent: het is inderdaad zo. Artikel 3 had net gezegd dat alle mensen onbekwaam zijn tot enig zaligmakend goed. Toch blijft er 'enig licht der natuur' over. Daarmee bedoelt het artikel wat een mens van nature, zonder Gods Woord, nog kan weten en zien.
Het artikel noemt vier dingen. De mens behoudt 'enige kennis van God'. Hij weet iets van 'de natuurlijke dingen', de wereld om hem heen. Hij kent het onderscheid tussen wat betamelijk en onbetamelijk is, dat wil zeggen: tussen wat past en wat niet past. En hij toont 'enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht'. Betrachting is streven. Uiterlijke tucht is een ordelijk en fatsoenlijk leven naar buiten.
Paulus zegt hetzelfde. Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid worden "uit de schepselen verstaan en doorzien". Heidenen die de wet niet hebben, "betonen het werk der wet geschreven in hun harten". Hun geweten klaagt hen aan of pleit hen vrij. Let wel op het woordje 'enig', dat steeds terugkomt. Het gaat om een rest, niet om het volle licht dat Adam bij de schepping had.
Zo ver is het ervandaan
Dan volgt het woord 'maar'. Het is er ver vandaan dat de mens door dit licht kan komen 'tot de zaligmakende kennis van God, en zich tot Hem bekeren'. Zaligmakende kennis is meer dan weten dat er een God is. Het is God kennen als de God Die zondaars redt. Jezus noemt het eeuwige leven, "dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt". Die kennis leert de natuur niet. Het licht der natuur wijst dus niet de weg naar de Zaligmaker.
Het licht ten onder gehouden
Het artikel gaat nog verder. De mens gebruikt dit licht zelfs 'in natuurlijke en burgerlijke zaken' niet recht. Burgerlijke zaken zijn de zaken van het samenleven. Ook daar laat de zonde haar sporen na. Erger nog: hij 'bezoedelt' het licht en houdt het 'in ongerechtigheid ten onder'. Bezoedelen is bevuilen. Ten onder houden is onderdrukken, zodat het licht niet kan schijnen.
Hier gebruikt het artikel de woorden van Romeinen 1:18. Paulus spreekt over mensen die "de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden". Het gaat om mensen die God kenden, maar "Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt". Hun onverstandig hart werd verduisterd.
Geen verontschuldiging
Het artikel eindigt met een conclusie: 'zo wordt hem alle verontschuldiging voor God benomen'. Benomen betekent: afgenomen. Niemand kan tegenover God zeggen dat hij niets van Hem wist. Paulus zegt dat God Zich in de schepping bekendmaakt, "opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn".
Zo houdt het artikel twee dingen vast. Het goede dat u bij anderen ziet, hoeft u niet te ontkennen. Het is wat God na de val heeft laten overblijven. Maar het maakt niemand zalig. Wie dat inziet, verwacht de zaligheid niet van zijn eigen licht. De artikelen die volgen wijzen naar het Evangelie, waardoor God door Zijn Geest doet wat het licht der natuur niet kan.
Bijbelse onderbouwing
“Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.”
Paulus leert dat Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid uit de schepping gekend worden, zodat niemand te verontschuldigen is.
“Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;”
Zij kenden God en eerden Hem niet, en zo gebruikt de mens volgens het artikel zijn licht niet recht.
“Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).”
Het werk der wet in het hart toont de kennis van betamelijk en onbetamelijk die het artikel na de val nog aan de mens toeschrijft.
“Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.”
Gods toorn komt over hen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, met woorden die artikel 4 overneemt.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Dit artikel staat tegenover een leer die de synode in de vijfde verwerping van dit hoofdstuk afwijst. Het gaat daar om de gemene genade, waarmee de aanhangers van die leer het licht der natuur bedoelden. Gemeen betekent hier: algemeen. Volgens die leer kon de mens dat licht zo goed gebruiken dat hij stap voor stap de zaligmakende genade zou krijgen. Artikel 4 erkent het licht der natuur, maar ontkent dat het een opstap naar de zaligheid is.
Eerder sprak de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 14 al over kleine overblijfselen van de gaven die de mens bij de schepping ontving.
Om over door te praten
- Wat noemt artikel 4 als overblijfsel van het licht der natuur, en waar ziet u dat in de wereld om u heen?
- Wat is het verschil tussen weten dat er een God is en de zaligmakende kennis van God waarover het artikel spreekt?
- Hoe kunt u het goede bij ongelovige mensen waarderen zonder te denken dat het hen zalig maakt?
- Waar merkt u in uw eigen leven dat u het licht dat God gaf niet recht gebruikt of wegduwt?