Dordtse Leerregels hoofdstuk 3/4, artikel 15: genade onverdiend
In het kort
God is niemand Zijn genade schuldig, belijdt artikel 15 van hoofdstuk 3/4 van de Dordtse Leerregels. Wie deze onverdiende genade ontvangt, is God daarvoor eeuwig dank schuldig. Daarom spreekt een gelovige in liefde over wie belijdt, bidt hij voor wie nog niet geroepen is en verheft hij zich boven niemand.
De tekst van DL III/IV,15
Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zou Hij schuldig zijn dengenen, die Hem niets eerst geven kan, opdat het hem vergolden worde? Ja, wat zou God dien schuldig zijn, die van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade ontvangt, die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gans niet, en behaagt zichzelf in het zijne; of, zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk, dat hij heeft hetgeen hij niet heeft.
Voorts, van diegenen die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der apostelen het beste oordelen en spreken; want het binnenste des harten is ons onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor dezulken moet men God bidden, Die de dingen die niet zijn, roept, alsof zij waren; en wij moeten ons geenszins tegenover hen verhovaardigen, alsof wij onszelf uitgezonderd hadden.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Dit artikel sluit aan bij de vorige artikelen. God werkt de wedergeboorte, en ook het geloof is Zijn gave. Daaruit volgt een vraag die ieder raakt: is God deze genade aan iemand schuldig? Het artikel antwoordt kort: 'Deze genade is God aan niemand schuldig'. Genade is onverdiend. Wie haar ontvangt, krijgt wat hij niet verdiend heeft.
God is niemand iets schuldig
Het artikel geeft twee redenen. De eerste is dat de mens God niets 'eerst geven kan'. Wie iets schuldig is, heeft eerst iets ontvangen. Maar niemand heeft God iets gegeven waarvoor Hij hem nog iets terug te geven heeft. Paulus vraagt: "Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden"? Wedervergolden betekent: terugbetaald. Direct daarna zegt hij: "Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen". Alles komt van God, ook wat een mens Hem zou willen geven.
De tweede reden gaat nog dieper. Het artikel zegt van de mens dat hij 'van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen'. Dat is geen oordeel over enkele slechte mensen, maar over ieder van nature. Paulus rekent zichzelf er ook bij: "Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende". Wie zo voor God staat, kan niets eisen. Hij kan alleen om genade vragen.
Dank of eigen roem
Daarna noemt het artikel twee soorten mensen. Wie de genade ontvangt, is God 'alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig'. De enige schuld die overblijft, is een schuld van dank. Paulus vraagt de gemeente in Korinthe: "En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen"? Wie dat beseft, roemt niet in zichzelf maar in God.
Wie de genade niet ontvangt, 'die acht ook deze geestelijke dingen gans niet'. Gans betekent: helemaal. Zo iemand denkt dat hij niets mist, en hij 'behaagt zichzelf in het zijne'. Hij is tevreden met zichzelf. Of hij is zorgeloos en roemt ijdellijk, dat wil zeggen: zonder grond. Hij meent te bezitten wat hij niet heeft. Paulus schrijft: "de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn".
Het beste denken over wie belijdt
Het tweede deel van het artikel gaat over de omgang met anderen. Over wie 'hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren', moet men 'het beste oordelen en spreken'. Beteren betekent: verbeteren, een nieuw leven leiden. De reden is eenvoudig: 'het binnenste des harten is ons onbekend'. Alleen God kent het hart. Zo deden ook de apostelen. Zij spraken de gemeenten aan als heiligen en geliefden, al kenden zij niet het hart van ieder lid. De liefde "hoopt alle dingen".
Bidden voor wie nog niet geroepen is
Voor anderen, 'die nog niet geroepen zijn', moet men God bidden. Het artikel noemt God hier met woorden uit Romeinen 4. Hij is de God Die "roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren". Wat nog niet bestaat, kan Hij laten ontstaan. Zo kan Hij ook geloof werken waar nu niets van te zien is. Daarom is geen mens te ver weg om voor te bidden. Paulus vraagt "voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen".
Niet hoogmoedig tegenover anderen
Ten slotte waarschuwt het artikel: 'wij moeten ons geenszins tegenover hen verhovaardigen'. Verhovaardigen betekent: zich hoogmoedig boven een ander verheffen. Het artikel voegt eraan toe: 'alsof wij onszelf uitgezonderd hadden'. Dat wil zeggen: alsof wij onszelf apart hadden gezet van de anderen. Maar niemand heeft zichzelf uit de zonde gehaald. De Farizeeër in de gelijkenis dankte God dat hij niet was "gelijk de anderen mensen". De tollenaar bad alleen om genade.
Zo houdt dit artikel de gelovige klein en tegelijk hoopvol. Hij heeft niets om op te roemen, want alles is ontvangen. Juist daarom kan hij met ontferming naar een ander kijken, voor hem bidden en het beste van hem hopen.
Bijbelse onderbouwing
“Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?”
Paulus vraagt wat een mens heeft dat hij niet ontvangen heeft, zodat er voor eigen roem geen plaats is.
“Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?”
Het artikel neemt de vraag van dit vers over: wie God niets eerst kan geven, aan die is God ook niets schuldig.
“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”
Alle dingen zijn uit, door en tot God, en daarom komt Hem alleen de eer toe.
“(Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;”
God roept de dingen die niet zijn alsof zij waren, en daarom bidt de gemeente ook voor wie nog niet geroepen is.
“Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;”
Paulus vraagt om gebeden en voorbiddingen voor alle mensen, ook voor wie nog buiten de gemeente staat.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Artikel 10 had al beleden dat wie gelooft, dat niet aan zijn vrije wil dankt, maar aan God. Artikel 15 trekt de lijn van de synode door: als alles genade is, blijft er alleen dank over.
Tegelijk wilde de synode misverstand voorkomen. De leer van de vrije genade mag niet leiden tot hoogmoed of tot een hard oordeel over anderen. Daarom eindigt dit artikel bij de omgang met wie belijdt en met wie nog buiten staat.
Om over door te praten
- Wat bedoelt artikel 15 met de woorden dat God deze genade aan niemand schuldig is?
- Welke twee houdingen beschrijft het artikel bij wie de genade niet ontvangt, en hoe herkent u die in uw eigen hart?
- Waarom moeten wij volgens het artikel het beste denken en spreken over wie het geloof belijdt?
- Hoe kan het besef dat u alles ontvangen hebt, uw spreken over anderen en uw gebed voor hen veranderen?
- Wat betekent het voor uw gebed dat God de dingen die niet zijn roept alsof zij waren?