Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 5: Van de volharding der heiligen

In het kort

Dordtse Leerregels hoofdstuk 5 belijdt de volharding der heiligen: God bewaart Zijn kinderen tot het einde. Het hoofdstuk spreekt eerlijk over blijvende zonde en diepe val. Toch wijst het op Gods trouw, de zekerheid van het geloof en de middelen die Hij gebruikt.

Dit hoofdstuk gaat over de volharding der heiligen. Met heiligen bedoelt het hoofdstuk geen groep bijzondere christenen, maar alle ware gelovigen. Volharden betekent: blijven tot het einde. Het hoofdstuk telt vijftien artikelen, met daarna de verwerping van negen dwalingen. Het begint niet bij de kracht van de gelovige, maar bij zijn zwakheid. Zo komt Gods trouw des te helderder uit.

De zonde die blijft (artikel 1-3)

De eerste drie artikelen houden twee dingen naast elkaar vast. De zonde blijft in de gelovige, tot in zijn beste werken (artikel 1 en 2). En God blijft trouw aan wie Hij geroepen heeft (artikel 3). Zo wordt meteen duidelijk dat de volharding niet van de gelovige afhangt.

Diep gevallen (artikel 4-5)

Daarna zwijgt het hoofdstuk niet over het diepe vallen van gelovigen, zoals David en Petrus (artikel 4). Ook noemt het eerlijk wat zo'n val aanricht (artikel 5). De gelovige vertoornt God, laadt de schuld des doods op zich en kan het gevoel van genade voor een tijd verliezen.

Gods bewaring (artikel 6-8)

Toch neemt God Zijn Geest niet geheel van de Zijnen weg (artikel 6). Hij bewaart in hen het zaad van de wedergeboorte en brengt hen door Woord en Geest weer tot bekering (artikel 7). Artikel 8 is eerlijk: als het aan henzelf lag, zou het misgaan. Maar Gods raad verandert niet, en de voorbede van Christus wordt niet krachteloos. De Heere Jezus zegt van Zijn schapen: "niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken".

Zekerheid en aanvechting (artikel 9-13)

Gelovigen kunnen van deze bewaring zeker zijn, naar de mate van hun geloof (artikel 9). Die zekerheid komt niet uit een bijzondere openbaring, maar uit Gods beloften en het getuigenis van de Geest. Ook de ernstige oefening van een goed geweten en goede werken hoort erbij (artikel 10). Artikel 11 erkent dat gelovigen haar in zware aanvechting niet altijd voelen. Toch wekt God haar weer op. Volgens artikel 12 en 13 maakt deze zekerheid niet zorgeloos, maar nederig en dankbaar.

De middelen en de kerk (artikel 14-15)

God bewaart Zijn werk door hetzelfde middel waarmee Hij het begon: het Evangelie. Daarom noemt artikel 14 het horen, lezen en overdenken van het Woord, en het gebruik van de sacramenten. Artikel 15 zegt dat de wereld deze leer bespot, maar dat de kerk haar als een kostbare schat heeft liefgehad. Het hoofdstuk eindigt met lof aan de drie-enige God.

De artikelen van hoofdstuk V

  1. Artikel 1‘Die God naar Zijn voornemen tot de gemeenschap van Zijn Zoon …’Volgens Dordtse Leerregels 5, artikel 1 verlost God de wedergeborenen van de heerschappij van de zonde, maar in dit leven niet geheel van het vlees.
  2. Artikel 2‘Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid …’Dagelijkse zwakheden blijven, maar zij drijven de gelovige naar Christus, belijdt artikel 2 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels.
  3. Artikel 3‘Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde …’In artikel 3 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels belijdt de kerk dat God de bekeerden bewaart tot het einde.
  4. Artikel 4‘En hoewel die macht Gods …’Artikel 4 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels leert dat ook ware gelovigen in zware zonden kunnen vallen.
  5. Artikel 5‘Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer …’Een diepe val van een gelovige blijft niet zonder gevolgen, leert artikel 5 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels.
  6. Artikel 6‘Want God, Die rijk is in barmhartigheid …’DL 5, artikel 6 belijdt dat de Geest blijft: God neemt Zijn Heilige Geest nooit geheel van de Zijnen weg.
  7. Artikel 7‘Want eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen …’Volgens artikel 7 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels bewaart God in een gevallen gelovige het onverderfelijk zaad van de wedergeboorte.
  8. Artikel 8‘Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten …’Dordtse Leerregels 5, artikel 8 zegt waarom ware gelovigen niet geheel afvallen: niet door eigen verdienste of kracht, maar door Gods barmhartigheid.
  9. Artikel 9‘Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid …’DL 5, artikel 9 belijdt dat gelovigen zelf zeker kunnen zijn van hun volharding.
  10. Artikel 10‘En dienvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring …’Volgens DL 5, artikel 10 komt de zekerheid van de volharding niet uit een bijzondere openbaring buiten het Woord.
  11. Artikel 11‘Ondertussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven …’Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 11 erkent dat gelovigen strijden met twijfel en aanvechting.
  12. Artikel 12‘Doch zó ver is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding …’Volgens Dordtse Leerregels 5, artikel 12 maakt de zekerheid van de volharding een gelovige niet hoogmoedig of zorgeloos, maar nederig, dankbaar en ijverig.
  13. Artikel 13‘Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt …’Wie na een diepe val door God weer is opgericht, gaat niet lichtzinnig om met de zekerheid.
  14. Artikel 14‘Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade …’Artikel 14 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels leert dat God Zijn genadewerk bewaart door de middelen die Hij gegeven heeft.
  15. Artikel 15‘Deze leer van de volharding der ware gelovigen en heiligen …’Dordtse Leerregels 5, artikel 15 belijdt dat de leer van de volharding een schat voor de kerk is.

Verwerping der dwalingen bij hoofdstuk V ›

Bijbelse onderbouwing

  • Filippenzen 1:6

    “Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus;”

    Paulus vertrouwt dat God het goede werk dat Hij begon ook voleindigt, en zo spreekt het hoofdstuk over Gods werk dat Hij bewaart en volbrengt.

    Uitleg bij Filippenzen 1

  • Johannes 10:28

    “En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”

    Christus belooft dat niemand Zijn schapen uit Zijn hand zal rukken, en de derde verwerping noemt dit vers tegen de leer van afval.

  • 1 Petrus 1:5

    “Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.”

    Petrus noemt de gelovigen bewaard in de kracht van God door het geloof, en zo verbindt het hoofdstuk Gods bewaring met het geloof.

  • Romeinen 8:38-39

    “Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.”

    Paulus is verzekerd dat niets de gelovigen van Gods liefde scheidt, en de vijfde verwerping haalt dit gedeelte aan voor de zekerheid van de volharding.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

In 1610 legden de remonstranten hun gevoelen in vijf artikelen vast. Het vijfde artikel liet nog open of wie in Christus is ingelijfd, door eigen nalatigheid weer van de genade kan afvallen. Zij wilden dat eerst nader uit de Schrift onderzoeken. Later leerden zij wel dat ware gelovigen geheel van het geloof kunnen afvallen en verloren gaan. De synode wees dat af in de verwerpingen bij dit hoofdstuk.

Het hoofdstuk antwoordt ook op het verwijt dat de zekerheid van de volharding zorgeloos zou maken. Daarnaast wijst de vijfde verwerping de leer af dat niemand zonder bijzondere openbaring zeker kan zijn van zijn volharding. Volgens de synode bracht die leer de twijfel van Rome weer in de kerk.

Om over door te praten

  1. Waarom begint dit hoofdstuk bij de zonde die in de gelovige blijft, voordat het over Gods bewaring spreekt?
  2. Hoe kan het hoofdstuk eerlijk spreken over het vallen van David en Petrus en toch belijden dat God de Zijnen bewaart?
  3. Waaruit komt volgens artikel 10 de zekerheid van het geloof voort, en waarom zoekt het die niet in een bijzondere openbaring?
  4. Waarom maakt de zekerheid van de volharding een gelovige volgens artikel 12 niet zorgeloos, maar nederig en dankbaar?
  5. Wat betekent het voor u dat God in aanvechting de zekerheid weer opwekt, ook wanneer u haar zelf niet voelt?

Verder lezen