Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 8: Gods barmhartigheid
In het kort
Dordtse Leerregels 5, artikel 8 zegt waarom ware gelovigen niet geheel afvallen: niet door eigen verdienste of kracht, maar door Gods barmhartigheid. Als het van henzelf afhing, zouden zij zeker vallen. Van Gods kant kan het niet, omdat Zijn raad, Zijn belofte en Zijn roeping vaststaan, net als het werk van Christus en de Geest.
De tekst van DL V,8
Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in den val blijven of verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou.
Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet geschieden; dewijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping naar Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 8 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels trekt een conclusie uit de twee artikelen ervoor. Artikel 6 zei dat God Zijn Geest niet geheel van de Zijnen wegneemt, ook niet in hun droevig vallen. Artikel 7 liet zien hoe Hij hen weer tot bekering brengt. Het woord 'Alzo' aan het begin betekent: zo, op deze wijze. Artikel 8 noemt nu de bron van die bewaring: Gods barmhartigheid.
Niet door verdienste of kracht
Het artikel begint met een ontkenning. De gelovigen blijven staande 'niet door hun verdiensten of krachten'. Een verdienste is iets waarmee iemand een beloning zou kunnen opeisen. Kracht is hier het eigen vermogen om vol te houden. Beide sluit het artikel uit. Wat zij ontvangen, komt 'uit de genadige barmhartigheid Gods'. Barmhartigheid is Gods ontferming over wie in nood is en niets kan terugdoen.
Wat ontvangen zij dan? Het artikel noemt twee dingen. Zij vallen 'noch ganselijk van het geloof en de genade' uit. Ganselijk betekent: geheel, helemaal. Ook blijven zij niet 'tot het einde toe in den val'. Een gelovige kan dus diep vallen, zoals de vorige artikelen eerlijk zeggen. Maar hij valt niet zo, dat hij voorgoed verloren gaat.
Als het aan henzelf lag
Dan volgt een opvallend eerlijke zin. 'Hetwelk, zoveel hen aangaat' wil zeggen: voor zover het van henzelf afhangt. Het artikel zegt dat het afvallen dan 'niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou'. Lichtelijk betekent: gemakkelijk. Het artikel zegt dus niet dat gelovigen sterk genoeg zijn. Het zegt het omgekeerde: zonder God zouden zij zeker afvallen.
Dat is belangrijk voor wie de leer van de volharding verkeerd begrijpt. Deze leer maakt een mens niet zeker van zichzelf. Zij leert de gelovige juist dat hij van zichzelf niets te verwachten heeft. Zijn zekerheid ligt buiten hem, in God.
Gods raad, belofte en roeping
Daartegenover staat: 'Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet geschieden'. Ten aanzien van God betekent: van Gods kant bezien. Het woord dewijl betekent: omdat. Het artikel geeft dan vijf redenen. De eerste drie gaan over wat God besloten, beloofd en begonnen heeft. Zijn raad kan niet veranderen. Raad is hier Gods eeuwig besluit. God zegt bij Maleachi: "Ik, de HEERE, word niet veranderd".
Zijn belofte kan niet gebroken worden, want God kan niet liegen. En 'de roeping naar Zijn voornemen' kan niet worden herroepen. Herroepen betekent: terugnemen.
Het werk van Christus en de Geest
De vierde reden is Christus. Het artikel noemt 'de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus'. Zijn verdienste is wat Hij door Zijn lijden en sterven verworven heeft. Zijn voorbidding is Zijn gebed voor de Zijnen, ook nu in de hemel. Van Hem staat geschreven dat "Hij altijd leeft om voor hen te bidden". Zijn bewaring is Zijn hoedende hand. Hij zegt van Zijn schapen: "niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken".
De vijfde reden is 'de verzegeling des Heiligen Geestes'. Een zegel is een teken van eigendom en echtheid. Paulus schrijft over de Geest, "door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing". Die verzegeling kan niet 'verijdeld of vernietigd' worden. Verijdeld betekent: tenietgedaan.
Troost voor wie zijn zwakheid kent
Zo legt dit artikel de volharding helemaal in Gods hand. Dat maakt nederig, want er blijft niets over om op te roemen. Het geeft ook troost aan wie zijn eigen zwakheid kent. De Heidelbergse Catechismus belijdt in zondag 21 dat de Zoon van God Zijn gemeente bijeenbrengt, beschermt en in stand houdt.
Wie vreest dat hij het einde niet haalt, wordt hier niet naar zijn eigen trouw verwezen. Het artikel wijst naar God, Wiens raad niet verandert, en naar Christus, Die voor de Zijnen bidt. Daar ligt de grond van de hoop van de gelovige: niet in zijn eigen vasthouden, maar in Gods barmhartigheid die hem vasthoudt.
Bijbelse onderbouwing
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
Christus geeft Zijn schapen het eeuwige leven en belooft dat niemand hen uit Zijn hand zal rukken, wat het artikel de bewaring van Christus noemt.
“Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.”
De Vader Die de schapen aan Christus gaf, is meerder dan allen, zodat hun behoud rust op Gods macht en niet op hun eigen kracht.
“En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.”
Paulus beschrijft een keten van verordineren tot verheerlijken, waarin God voltooit wat Hij begon, zoals het artikel zegt dat Zijn roeping niet herroepen wordt.
“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”
De genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk, en daarom kan de roeping naar Zijn voornemen volgens het artikel niet worden teruggenomen.
“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.”
Christus leeft altijd om voor de Zijnen te bidden, en die voorbidding noemt het artikel als een grond van hun bewaring.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Op de synode maakten de remonstranten de volharding tot een voorwaarde van het nieuwe verbond, die de mens met zijn vrije wil moest vervullen. De synode wees dat af in de eerste verwerping bij dit hoofdstuk. Daar heet de volharding een gave van God, door de dood van Christus verworven. In de tweede verwerping noemt zij de leer dat het volharden uiteindelijk aan de wil van de mens hangt, een openbaar pelagianisme.
Artikel 8 zegt het positief: de gelovigen danken hun volharding niet aan hun verdiensten of krachten, maar aan Gods barmhartigheid. Een volharding die op de mens rust, geeft geen zekerheid, want van zichzelf zou de gelovige zeker vallen.
Om over door te praten
- Waarom zegt artikel 8 zo nadrukkelijk dat de gelovigen hun volharding niet aan hun eigen verdiensten of krachten danken?
- Wat betekent het dat het afvallen, voor zover het van de gelovigen zelf afhangt, zeker zou gebeuren?
- Welke vijf redenen aan Gods kant noemt het artikel, en hoe hangen ze met elkaar samen?
- Hoe kan de voorbidding van Christus u bemoedigen wanneer u uw eigen zwakheid in het geloof ervaart?
- Hoe hangen de voorbidding van Christus en de verzegeling door de Geest samen in de bewaring van de gelovige?