Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 13: weer opgericht
In het kort
Wie na een diepe val door God weer is opgericht, gaat niet lichtzinnig om met de zekerheid. Dat belijdt DL 5, artikel 13. Het herstelde vertrouwen maakt de gelovige juist zorgvuldiger om in Gods wegen te wandelen, omdat hij Gods vriendelijke aangezicht niet opnieuw wil missen.
De tekst van DL V,13
Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van den val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid, maar een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van tevoren bereid zijn, opdat zij, daarin wandelende, de verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden, en opdat het aanschijn des verzoenden Gods (waarvan de aanschouwing den godvruchtigen zoeter is dan het leven, en waarvan de verberging bitterder is dan de dood), om het misbruik van Zijn Vaderlijke goedertierenheid niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij alzo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 13 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels spreekt over gelovigen die weer opgericht zijn na een val. De artikelen 4 tot en met 7 beleden dat ware gelovigen in zware zonden kunnen vallen, zoals David en Petrus. God laat hen niet los, maar brengt hen door Zijn Woord en Geest tot bekering. Wat gebeurt er dan met hun zekerheid? Het artikel zegt dat 'het vertrouwen der volharding wederom levend wordt'. Wederom betekent: opnieuw. De zekerheid die tijdens de val verduisterd was, komt terug.
Geen lichtzinnigheid
Iemand zou kunnen denken: als God mij toch bewaart, maakt een zonde niet zoveel uit. Het artikel wijst die gedachte af. Het herstelde vertrouwen brengt niet voort 'enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid'. Dartelheid is lichtzinnigheid, een spelen met de zonde. Veronachtzaming betekent verwaarlozing. Godzaligheid is het leven in de vreze Gods. Paulus stelt dezelfde vraag in Romeinen 6: "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde"? Zijn antwoord is kort: "Dat zij verre".
Een veel grotere zorg
Het herstel werkt het omgekeerde uit, namelijk 'een veel grotere zorg'. Die zorg is geen angst, maar ernst. Het gaat om een zorg 'om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen'. Vlijtiglijk betekent: ijverig, nauwgezet. Waarnemen betekent hier: in acht nemen, onderhouden. Het zijn wegen 'die van tevoren bereid zijn'. De gelovige hoeft ze niet zelf te bedenken. Paulus schrijft dat wij geschapen zijn tot goede werken, "welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen".
Wie gevallen is, kent het gevaar beter dan vroeger. Daarom wandelt hij voorzichtiger. Dat is geen verdienste van de val, maar een vrucht van Gods herstellende genade.
De zekerheid bewaren
Het artikel noemt twee redenen voor deze zorg. De eerste is dat de gelovigen, in Gods wegen wandelend, 'de verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden'. Behouden betekent: vasthouden, niet opnieuw kwijtraken. De zekerheid staat niet los van het leven. Wie de zonde weer opzoekt, verduistert ook zijn eigen zekerheid. De Heidelbergse Catechismus spreekt in zondag 33 over de afsterving van de oude mens. Daar leert de gelovige de zonden "hoe langer hoe meer haten en vlieden". Vlieden betekent: ontvluchten.
Het aangezicht van God
De tweede reden raakt het hart van het artikel. De gelovigen willen niet dat 'het aanschijn des verzoenden Gods' opnieuw van hen wordt afgekeerd. Aanschijn betekent aangezicht. God is met hen verzoend door Christus en ziet hen vriendelijk aan. Het artikel zegt dat die aanschouwing 'den godvruchtigen zoeter is dan het leven'. Dat doet denken aan Psalm 63: "Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven". Van de verberging zegt het artikel dat zij 'bitterder is dan de dood'.
Die verberging kan komen 'om het misbruik van Zijn Vaderlijke goedertierenheid'. Goedertierenheid is Gods vriendelijke en trouwe liefde. Wie daar misbruik van maakt, rekent op Gods goedheid om ongestoord te zondigen. Dan zouden de gelovigen 'in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen'. Het gemoed is het binnenste van de mens. In Psalm 30 klinkt die nood: "toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt".
Troost voor wie gevallen is
Dit artikel is geen dreiging voor wie oprecht berouw heeft. Het beschrijft hoe het herstel eruitziet. David bad na zijn val: "Schep mij een rein hart" en "Geef mij weder de vreugde Uws heils". Wie zo bidt, zoekt geen vrijheid om te zondigen, maar de nabijheid van God. Paulus vermaant: "En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet". Hij voegt eraan toe dat de gelovigen door de Geest verzegeld zijn. Verzegeld zijn betekent: als Gods eigendom gemerkt. Juist wie dat weet, wil de Geest niet bedroeven.
Bijbelse onderbouwing
“Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.”
David bidt na zijn val om een rein hart en een vaste geest, en zoekt zo herstel in plaats van ruimte om verder te zondigen.
“En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.”
Paulus vermaant de verzegelden om de Heilige Geest niet te bedroeven, wat past bij de grotere zorg waarvan het artikel spreekt.
“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?”
Paulus wijst de gedachte af dat de genade een reden is om in de zonde te blijven, zoals het artikel elke dartelheid afwijst.
“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.”
God heeft de goede werken voorbereid om daarin te wandelen, zoals het artikel spreekt over de wegen des Heeren die van tevoren bereid zijn.
“Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.”
De psalmdichter noemt Gods goedertierenheid beter dan het leven, en het artikel noemt de aanschouwing van Gods aangezicht zoeter dan het leven.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Artikel 12 gaf het algemene antwoord op het bezwaar uit de zesde verwerping, dat de zekerheid van de volharding zorgeloos zou maken. Artikel 13 past dat antwoord toe op de moeilijkste situatie: de gelovige die diep gevallen is en weer opgericht wordt. Juist bij hem zou men verwachten dat hij voortaan lichter over de zonde denkt. Het artikel belijdt het omgekeerde: wie Gods aangezicht heeft gemist, wil het niet opnieuw verliezen.
Om over door te praten
- Wat bedoelt het artikel met dartelheid en veronachtzaming der godzaligheid, en waarom zou iemand dat van de leer van de volharding kunnen verwachten?
- Waarom noemt het artikel de wegen des Heeren wegen die van tevoren bereid zijn?
- Hoe beschrijft het artikel het verschil tussen het zien en het missen van Gods vriendelijke aangezicht?
- Hoe kan de herinnering aan een eigen val u helpen om voorzichtiger en ootmoediger te wandelen?
- Wat leert Psalm 51 over het verlangen van iemand die na een val door God weer opgericht wordt?