Ga naar hoofdinhoud

Verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels

In het kort

In de verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels wijst de synode negen leringen van de remonstranten af. Ze gaan over afval, volharding en zekerheid. De synode antwoordt met de Schrift: de volharding is een gave van God, en niemand rukt de schapen van Christus uit Zijn hand.

Hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels belijdt in vijftien artikelen dat God de ware gelovigen bewaart tot het einde. Daarna volgt de verwerping der dwalingen. Daarin noemt de synode negen leringen die zij afwijst. Elke verwerping begint met 'Die leren' en geeft eerst de dwaling weer. Daarna volgt de weerlegging, meestal met een woord uit de Schrift. Samen gaan ze over drie vragen. Wie draagt de volharding? Kan een ware gelovige verloren gaan? En kan hij daarvan zeker zijn?

Wat de remonstranten leerden

De remonstranten wilden de ernst van het christelijke leven bewaren. Zij vreesden dat de leer van de zekere volharding mensen zorgeloos zou maken. Daarom legden zij de volharding voor een deel in de hand van de gelovige. God gaf volgens hen genoeg kracht, maar de wil besliste of iemand bleef staan. Een ware gelovige kon dus ook geheel en voorgoed afvallen. Zekerheid over de eigen volharding vonden zij zonder bijzondere openbaring niet mogelijk.

Waarom de synode afwees

De synode zag dat deze leer de troost van de gelovigen wegnam. Als de volharding aan de mens hangt, kan niemand er ooit op rusten. De Schrift zegt dat God het werk dat Hij begonnen is, ook voleindigt. De gelovige blijft niet staan door zijn eigen trouw. Hij blijft staan door de trouw van God, de voorbede van Christus en het blijvende werk van de Geest. Dat maakt hem niet zorgeloos, maar dankbaar en waakzaam.

Verwerping 1: Volharding is een gave, geen voorwaarde

Die leren: Dat de volharding der ware gelovigen niet is een vrucht der verkiezing, of een gave Gods, door den dood van Christus verworven; maar een voorwaarde des nieuwen verbonds, die de mens vóór zijn beslissende (gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking door zijn vrijen wil moet volbrengen.

Want de Heilige Schrift getuigt, dat zij uit de verkiezing volgt, en door de kracht des doods, der verrijzenis en der voorbidding van Christus den uitverkorenen gegeven wordt: De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden (Rom. 11:7). Insgelijks: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom. 8:32-35).

De eerste dwaling zegt dat de volharding geen vrucht van de verkiezing is en geen gave van God. Zij zou 'een voorwaarde des nieuwen verbonds' zijn, die de mens door zijn vrije wil moet vervullen. Pas daarna zou de mens beslissend verkozen en gerechtvaardigd worden. De synode antwoordt dat de volharding uit de verkiezing volgt. Christus heeft haar verworven door Zijn dood, opstanding en voorbede. Paulus zegt: "de uitverkorenen hebben het verkregen". In Romeinen 8 vraagt hij wie hen van de liefde van Christus zal scheiden.

Verwerping 2: Niet de wil, maar God bevestigt

Die leren: Dat God den gelovigen mens wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden, en bereid is die in hem te bewaren, zo hij zijn plicht doet; doch al is het nu ook dat alle dingen, die nodig zijn om in het geloof te volharden, en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, in het werk gesteld zijn, dat het dan nog altijd hangt aan het believen van den wil, dat deze volharde of niet volharde.

Want dit gevoelen bevat in zich een openbaar Pelagianisme; en terwijl het de mensen wil vrij maken, zo maakt het hen rovers van Gods eer; tegen de voortdurende overeenstemming der evangelische leer, die den mens alle stof van roemen beneemt, en den lof dezer weldaad aan de genade Gods alleen toeschrijft; en tegen de apostel, die getuigt: dat het God is, Die ons ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus (1 Kor. 1:8).

Volgens de tweede dwaling geeft God de gelovige genoeg kracht om te volharden, als hij zijn plicht doet. Maar ook als alle middelen er zijn, zou het 'aan het believen van den wil' hangen of iemand volhardt. Believen betekent: goedvinden, willen. De synode noemt dit 'een openbaar Pelagianisme'. Pelagius, een tegenstander van Augustinus, leerde dat de mens zonder innerlijke genade Gods geboden kan houden. Deze leer maakt mensen 'rovers van Gods eer'. Paulus zegt immers dat God de gelovigen "ook zal bevestigen tot het einde toe".

Verwerping 3: Geen ware gelovige gaat verloren

Die leren: Dat de ware gelovigen en wedergeborenen niet alleen van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks, van de genade en zaligheid ganselijk en tot het einde toe kunnen uitvallen, maar ook dikwijls metterdaad daarvan uitvallen en in der eeuwigheid verloren gaan.

Want deze mening maakt de genade, rechtvaardigmaking, wedergeboorte, en voortdurende bewaring van Christus krachteloos, tegen de uitgedrukte woorden des apostels Paulus: God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren; veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn (Rom. 5:8-9); en tegen den apostel Johannes: Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (1 Joh. 3:9); en ook tegen de woorden van Jezus Christus: Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders (Joh. 10:28-29).

De derde dwaling is de kern van het geschil. Zij zegt dat ware gelovigen geheel en tot het einde van het geloof en de genade kunnen uitvallen. Zij zouden ook 'dikwijls metterdaad' uitvallen en eeuwig verloren gaan. Metterdaad betekent: werkelijk. De synode zegt dat deze mening de 'voortdurende bewaring van Christus' krachteloos maakt. Paulus zegt dat wij door Christus "behouden worden van den toorn". Johannes zegt van wie uit God geboren is: "Zijn zaad blijft in hem". Christus zegt dat niemand Zijn schapen uit Zijn hand zal rukken.

Verwerping 4: Wedergeborenen zondigen niet tot de dood

Die leren: Dat de ware gelovigen en wedergeborenen kunnen zondigen de zonde tot den dood, of tegen den Heiligen Geest.

Dewijl dezelfde apostel Johannes, nadat hij in het vijfde hoofdstuk van zijn eersten Zendbrief, vers 16 en 17, van degenen, die tot den dood zondigen, gesproken had, en verboden had voor hen te bidden, terstond in het 18e vers daarbij voegt: Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is; niet zondigt, (versta: met zulke zonde); maar die uit God geboren is, bewaart zichzelf, en de boze vat hem niet (1 Joh. 5:18).

De vierde dwaling zegt dat ware gelovigen de zonde tot de dood kunnen doen, of de zonde tegen de Heilige Geest. Dat is de zonde die niet vergeven wordt. De synode wijst op 1 Johannes 5. De apostel spreekt daar eerst over wie tot de dood zondigen. Direct daarna schrijft hij dat wie uit God geboren is, niet zondigt. De verwerping voegt toe: 'versta: met zulke zonde'. Een gelovige doet nog wel zonde, maar deze zonde niet. Hij "bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet".

Verwerping 5: Zekerheid zonder bijzondere openbaring

Die leren: Dat men geen zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring.

Want door deze leer wordt de vaste troost der ware gelovigen in dit leven weggenomen, en de twijfeling der pausgezinden in de Kerk weder ingevoerd; terwijl de Heilige Schrift deze zekerheid telkens afleidt, niet uit een bijzondere en buitengewone openbaring, maar uit de eigen merktekenen der kinderen Gods, en uit de zeer standvastige beloften Gods. Inzonderheid de apostel Paulus: Geen schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere (Rom. 8:39); en Johannes: Die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelve; en hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft (1 Joh. 3:24).

De vijfde dwaling zegt dat niemand in dit leven zeker kan zijn van zijn volharding zonder bijzondere openbaring. De synode zegt dat zo 'de vaste troost der ware gelovigen' verdwijnt. Dan keert 'de twijfeling der pausgezinden' terug. Pausgezinden zijn de aanhangers van Rome. De Schrift haalt de zekerheid uit Gods beloften en uit de kenmerken van Gods kinderen. Paulus zegt dat niets ons "zal kunnen scheiden van de liefde Gods". Johannes schrijft dat wij weten dat God in ons blijft, "uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft".

Verwerping 6: Zekerheid maakt niet zorgeloos

Die leren: Dat de leer van de verzekerdheid der volharding en der zaligheid uit haar eigen aard en natuur een oorkussen des vleses is, en voor de godvruchtigheid, goede zeden, gebeden en andere heilige oefeningen schadelijk; maar dat het daarentegen prijselijk is daaraan te twijfelen.

Want dezen betonen, dat zij de kracht der Goddelijke genade en de werking des inwonenden Heiligen Geestes niet kennen. En zij wederspreken den apostel Johannes, die het tegendeel met uitgedrukte woorden leert in zijn eersten Zendbrief: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:2-3). Daarenboven worden dezen wederlegd door de voorbeelden des heiligen, zo des Ouden als des Nieuwen Testaments, dewelke, alhoewel zij van hun volharding en zaligheid zeker waren, nochtans in de gebeden en andere oefeningen der godzaligheid volhardend zijn geweest.

De zesde dwaling noemt de leer van de zekere volharding 'een oorkussen des vleses'. Een oorkussen is een hoofdkussen. Het vlees is de oude, zondige natuur. Zekerheid zou de mens in slaap sussen en het gebed schaden, en twijfel zou beter zijn. De synode zegt dat zulke mensen de kracht van Gods genade en het werk van de Geest niet kennen. Johannes schrijft dat wie de hoop op Christus heeft, "reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is". De heiligen in de Bijbel waren zeker en bleven toch volharden in het gebed.

Verwerping 7: Tijdgeloof is geen kortstondig waar geloof

Die leren: Dat het geloof dergenen, die maar voor een tijd geloven, van het rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof niet verschilt, dan alleen in de duurzaamheid.

Want Christus Zelf, Matth. 13:20 en Luk. 8:13 en vervolgens, stelt klaarblijkelijk daarbenevens nog drieërlei onderscheid tussen degenen, die maar voor een tijd geloven, en de ware gelovigen, als Hij zegt dat genen het zaad ontvangen in een steenachtige aarde, maar dezen in een goede aarde of goed hart; dat genen zonder wortel zijn, maar dezen een vasten wortel hebben; dat genen zonder vruchten zijn, maar dezen hun vrucht, in onderscheiden mate, met standvastigheid of volstandigheid voortbrengen.

De zevende dwaling zegt dat het geloof van mensen 'die maar voor een tijd geloven' alleen in duur verschilt van het ware geloof. De synode zegt dat Christus Zelf in de gelijkenis van de zaaier een drievoudig onderscheid maakt. Het ene zaad valt in steenachtige aarde, het andere in een goed hart. Het ene heeft geen wortel, het andere een vaste wortel. Het ene draagt geen vrucht, het andere wel, met standvastigheid. Johannes zegt over wie de gemeente verlieten: "zij waren uit ons niet".

Verwerping 8: Geen herhaalde wedergeboorte

Die leren: Dat het niet ongerijmd is dat de mens, zijn eerste wedergeboorte verloren hebbende, wederom opnieuw, ja menigmaal wedergeboren worde.

Want dezen loochenen door deze leer de onverderfelijkheid van het zaad Gods, waardoor wij wedergeboren worden; tegen het getuigenis van den apostel Petrus: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad (1 Petr. 1:23).

De achtste dwaling vindt het 'niet ongerijmd' dat iemand zijn wedergeboorte verliest en daarna opnieuw, zelfs vaak, wedergeboren wordt. Ongerijmd betekent: onzinnig, tegenstrijdig. De synode zegt dat deze leer 'de onverderfelijkheid van het zaad Gods' loochent. Onverderfelijk is wat niet kan bederven of vergaan. Petrus schrijft dat de gelovigen wedergeboren zijn "niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad". Wat God in de wedergeboorte geeft, gaat dus niet verloren. Een gevallen gelovige wordt niet opnieuw geboren, maar door God weer tot bekering gebracht.

Verwerping 9: Christus bidt voor de volharding

Die leren: Dat Christus nergens gebeden heeft, dat de gelovigen in het geloof onfeilbaarlijk zouden volharden.

Want zij wederspreken Christus Zelf, Dewelke zegt: Ik heb voor u gebeden, Petrus, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:32), en den evangelist Johannes, die getuigt, dat Christus niet alleen voor de apostelen, maar ook voor al degenen, die door hun woord geloven zouden, gebeden heeft: Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam; en: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze (Joh. 17:11, 15, 20)

De negende dwaling zegt 'dat Christus nergens gebeden heeft, dat de gelovigen in het geloof onfeilbaarlijk zouden volharden'. Onfeilbaarlijk betekent: zonder dat het kan mislukken. De synode wijst op wat Christus tegen Petrus zei: "Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". Ophouden betekent hier: bezwijken, verdwijnen. In Johannes 17 vraagt Christus de Vader om de Zijnen te bewaren. Dat gebed geldt niet alleen de apostelen, maar ook allen die door hun woord geloven. Zo rust de volharding op de voorbede van de Heere Jezus.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 10:28

    “En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”

    Christus belooft dat Zijn schapen in eeuwigheid niet verloren gaan, en de derde verwerping haalt dit aan tegen de leer van de afval der heiligen.

    Uitleg bij Johannes 10

  • Romeinen 8:30

    “En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.”

    Paulus noemt een keten van verordinering tot verheerlijking die God Zelf voltooit, zodat de volharding vastligt in Zijn werk en niet in de wil van de mens.

  • 1 Johannes 2:19

    “Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.”

    Wie de gemeente verlieten, hoorden er nooit werkelijk bij, en dat past bij het onderscheid tussen tijdgeloof en waar geloof uit de zevende verwerping.

  • 1 Johannes 3:9

    “Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.”

    Het zaad van God blijft in wie uit God geboren is, en de derde verwerping noemt dit vers tegen de leer dat wedergeborenen verloren gaan.

  • Lukas 22:32

    “Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.”

    Christus bad voor Petrus dat zijn geloof niet zou ophouden, en de negende verwerping noemt dit gebed als bewijs voor de volharding.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

In het vijfde artikel van de Remonstrantie van 1610 lieten de remonstranten deze vraag nog open. Zij erkenden dat Christus de gelovigen door Zijn Geest in de strijd bijstaat. Of iemand de genade weer kon verliezen, wilden zij eerst nader uit de Schrift onderzoeken.

Op de Synode van Dordrecht spraken zij zich wel uit. Zij leerden toen dat ware gelovigen geheel en voorgoed kunnen afvallen. Daarmee werd het geschil breder. Het raakte ook de verkiezing, de wedergeboorte, de zekerheid en de voorbede van Christus. De negen verwerpingen volgen die uitwerking punt voor punt.

Om over door te praten

  1. Waarom noemt de synode het een roof van Gods eer als de volharding uiteindelijk aan de wil van de mens hangt?
  2. Welk drievoudig verschil tussen tijdgeloof en waar geloof haalt de zevende verwerping uit de gelijkenis van de zaaier?
  3. Waarom noemden de remonstranten de zekerheid een oorkussen voor het vlees, en hoe weerlegt de zesde verwerping dat met 1 Johannes 3?
  4. Wat betekent het voor uw eigen geloofsleven dat Christus voor de Zijnen bidt dat hun geloof niet ophoudt?

Parallel in andere belijdenissen