Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 3: God bewaart

In het kort

In artikel 3 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels belijdt de kerk dat God de bekeerden bewaart tot het einde. Door de inwonende zonde en de aanvechtingen van wereld en satan zouden zij uit eigen kracht niet staande blijven. Maar God is getrouw en houdt hen vast in de genade.

De tekst van DL V,3

Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook vanwege de aanvechtingen der wereld, en des satans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo zij aan hun eigen krachten overgelaten werden. Maar God is getrouw, Die hen in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartiglijk bevestigt, en ten einde toe krachtiglijk bewaart.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Dit is het eerste artikel van het hoofdstuk dat zegt waarom de gelovigen toch volharden: God bewaart. De artikelen 1 en 2 spraken over de zonde die in de gelovige blijft wonen en over de dagelijkse zonden van zwakheid. Wie dat eerlijk leest, kan zich afvragen hoe iemand zo ooit het einde haalt. Dit artikel geeft een dubbel antwoord. Eerst zegt het wat er zou gebeuren als het van de gelovige zelf afhing. Daarna zegt het wat God doet.

Vijanden van binnen en van buiten

Het artikel begint met 'Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde'. Ter oorzake van betekent: vanwege. Overblijfselen zijn de resten van de zonde die na de wedergeboorte nog over zijn. Ze heten inwonend, omdat ze in de gelovige zelf wonen. Daarbij komen twee vijanden van buiten: 'de aanvechtingen der wereld, en des satans'. Een aanvechting is een aanval op het geloof, een verleiding of een druk om het los te laten.

De wereld lokt met haar vermaak en bedreigt met haar spot. De satan zoekt de gelovigen te verderven. Petrus waarschuwt daarom: "uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw". Zo wordt de gelovige van binnen en van buiten bestreden.

Niet uit eigen kracht

Dan volgt een eerlijke zin. De bekeerden zouden 'in die genade niet kunnen volstandig blijven'. Volstandig blijven betekent: standvastig blijven, volharden tot het einde. Het artikel noemt ook de voorwaarde: 'zo zij aan hun eigen krachten overgelaten werden'. Dan zou geen enkele gelovige staande blijven, ook de sterkste niet.

Dat is een nederig woord. Het neemt de gedachte weg dat volharden een prestatie van de mens is. Christus zei het Zelf tegen Zijn discipelen: "zonder Mij kunt gij niets doen".

Maar God is getrouw

Met het woord 'Maar' keert het artikel zich van de mens naar God. De woorden 'Maar God is getrouw' sluiten aan bij Paulus: "God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon". Getrouw betekent: Hij blijft bij wat Hij beloofd en begonnen heeft. Zijn trouw hangt niet af van de trouw van de mens. In het vers ervoor schrijft Paulus dat God de gemeente "zal bevestigen tot het einde toe".

Het artikel noemt twee dingen die God doet. Hij bevestigt hen barmhartiglijk in de genade. Bevestigen betekent: vastzetten, sterk maken. Barmhartiglijk wil zeggen: uit barmhartigheid, en niet omdat zij het verdienen. Daarnaast is God het Die hen 'ten einde toe krachtiglijk bewaart'. Krachtiglijk betekent: met een macht die sterker is dan alle vijanden. Petrus schrijft dat de gelovigen "in de kracht Gods bewaard" worden "door het geloof tot de zaligheid".

Let ook op de woorden 'hun eenmaal gegeven'. De genade is al geschonken. God begint niet steeds opnieuw, maar Hij maakt af wat Hij begonnen is. Paulus was daarvan verzekerd: "Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus".

Troost voor wie zichzelf kent

Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus spreekt op een vergelijkbare manier over de kerk. Christus vergadert Zijn gemeente, maar Hij beschermt en onderhoudt haar ook. De gelovige mag daarbij belijden dat hij een levend lidmaat is en "eeuwig zal blijven". Dat zegt hij niet op grond van zijn eigen trouw, maar op grond van het werk van Christus.

Dit artikel is daarom een troost voor wie zijn eigen zwakheid kent. Het maakt de zonde niet klein en de vijand niet zwak. Het wijst weg van uw eigen kracht naar de trouw van God. Wie in Christus gelooft en toch bang is het niet vol te houden, hoort hier dat zijn volharding op Gods trouw rust. Dat maakt niet zorgeloos. Het volgende artikel roept juist op tot waken en bidden.

Bijbelse onderbouwing

  • 1 Korinthe 1:8

    “Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.”

    God bevestigt de Zijnen tot het einde toe, wat het artikel 'barmhartiglijk bevestigt' noemt, en de tweede verwerping haalt dit vers zelf aan.

    Uitleg bij 1 Korinthe 1

  • 1 Korinthe 1:9

    “God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.”

    De woorden dat God getrouw is, neemt het artikel bijna letterlijk over als grond voor de bewaring van de bekeerden.

  • 1 Petrus 1:5

    “Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.”

    De gelovigen worden in de kracht Gods bewaard door het geloof, zodat hun behoud rust op Gods macht en niet op hun eigen kracht.

  • Filippenzen 1:6

    “Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus;”

    God voleindigt het goede werk dat Hij begonnen is, zoals het artikel spreekt over de genade die de gelovigen eenmaal gegeven is.

  • 1 Petrus 5:8

    “Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden;”

    De duivel gaat om als een briesende leeuw, en dat laat zien hoe ernstig de aanvechtingen van satan zijn waarover het artikel spreekt.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

De remonstranten schreven in 1610 over hen die in Christus ingelijfd zijn. Door de hulp van de Geest ontvangen zij volgens hen genoeg kracht om tegen satan, zonde, wereld en eigen vlees te strijden. Dat klonk als een rijke belofte. Maar volgens hen hing het volhouden uiteindelijk af van de wil van de gelovige: God gaf de krachten, de mens moest ze gebruiken.

De synode wees die gedachte af in de tweede verwerping van dit hoofdstuk. Artikel 3 legt daarvoor de grond. Het noemt dezelfde vijanden, maar zegt dat de bekeerden aan hun eigen krachten overgelaten niet zouden blijven staan. Daarom rust de volharding niet op de wil van de mens, maar op de trouw van God.

Om over door te praten

  1. Welke vijanden van binnen en van buiten noemt dit artikel, en waarom is de vijand binnenin zo gevaarlijk?
  2. Wat zegt het over de mens dat de bekeerden aan hun eigen krachten overgelaten niet zouden blijven staan?
  3. Hoe verandert het woord 'Maar' de richting van dit artikel, en welke eigenschap van God komt daarna naar voren?
  4. Wat betekent het voor u dat uw volharding niet rust op uw eigen trouw, maar op de trouw van God?
  5. Hoe kunt u deze troost vasthouden zonder dat zij u zorgeloos maakt in de strijd tegen de zonde?