Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 6: de Geest blijft
In het kort
DL 5, artikel 6 belijdt dat de Geest blijft: God neemt Zijn Heilige Geest nooit geheel van de Zijnen weg. Ook in een zware val laat Hij hen niet zo ver vallen dat zij hun plaats als Gods kinderen en hun vrijspraak verliezen. De grond daarvan is Zijn barmhartigheid en het onveranderlijk voornemen der verkiezing.
De tekst van DL V,6
Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, noch laat hen zó ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood, of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelf in het eeuwig verderf storten.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 6 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels geeft antwoord op een ernstige vraag. De artikelen 4 en 5 lieten zien dat ware gelovigen zwaar kunnen vallen, zoals David en Petrus. Zij bedroeven dan de Heilige Geest en verliezen soms voor een tijd het gevoel van Gods genade. Betekent zo'n val dan het einde? Dit artikel zegt van niet: de Geest blijft. God neemt Zijn Geest niet geheel van de Zijnen weg.
God, Die rijk is in barmhartigheid
Het artikel begint met het woord 'Want'. Het geeft de reden waarom de gelovigen niet verloren gaan. Die reden ligt niet in hen, maar in God, 'Die rijk is in barmhartigheid'. Paulus gebruikt dezelfde woorden: "Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde".
Daarbij noemt het artikel 'het onveranderlijk voornemen der verkiezing'. Wat God in hoofdstuk 1 besloot, laat Hij niet los wanneer Zijn kinderen struikelen. Paulus zegt: "de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk". Onberouwelijk betekent: God krijgt er nooit spijt van en neemt ze niet terug.
Ook in hun droevig vallen
Het artikel spreekt eerlijk over 'hun droevig vallen'. Droevig betekent hier: treurig en ernstig. Het gaat niet om kleine misstappen, maar om zware zonden zoals die van David. Na zijn zonde met Bathseba bad hij: "neem Uw Heiligen Geest niet van mij". Hij vreesde de Geest kwijt te raken. Het artikel belijdt dat God de Geest van de Zijnen 'niet geheel weg' neemt.
Het woord geheel is belangrijk. De gevallen gelovige kan in zo'n tijd weinig van de Geest merken. Zijn geloof wordt niet beoefend en zijn geweten is gewond. Toch is de Geest niet vertrokken. Hoe God het nieuwe leven in hem bewaart, zegt artikel 7.
Niet uit de staat van genade
Daarna noemt het artikel wat God niet toelaat. De gelovigen vallen niet 'van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking' af. Aanneming betekent dat God hen als Zijn kinderen heeft aangenomen. De staat der rechtvaardigmaking is de positie van wie door God is vrijgesproken om Christus' wil. Die vrijspraak trekt God niet in.
Het artikel noemt nog meer grenzen. De gelovigen zondigen niet 'ter dood, of tegen den Heiligen Geest'. Johannes spreekt van "een zonde tot den dood", en de Heere Jezus van "de lastering tegen den Geest", die niet vergeven wordt. Ten slotte zegt het artikel dat zij niet, 'van Hem geheel verlaten zijnde', 'zichzelf in het eeuwig verderf storten'. Verderf betekent: ondergang, het eeuwig verloren gaan.
Troost zonder zorgeloosheid
Dit artikel is geen vrijbrief om te zondigen. Artikel 4 roept de gelovigen op te waken en te bidden. Artikel 7 laat zien dat God hen weer tot bekering brengt. De troost ligt niet in de kracht van de gelovige, maar in de trouw van God. De Heere Jezus beloofde de Trooster, "opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid".
Wie als gelovige gevallen is en daarover treurt, mag zich daarom opnieuw tot God wenden. Hij heeft Zijn kind niet losgelaten.
Bijbelse onderbouwing
“Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.”
Na zijn zware val bidt David dat God Zijn Heilige Geest niet van hem wegneemt, en het artikel belijdt dat God dit bij de Zijnen niet geheel doet.
“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”
Gods genadegiften en roeping zijn onberouwelijk, zodat Hij niet terugneemt wat Hij naar Zijn voornemen aan de Zijnen gegeven heeft.
“Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.”
Johannes zegt dat Gods zaad blijft in ieder die uit God geboren is, zodat het nieuwe leven niet verloren gaat.
“Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,”
Paulus noemt God rijk in barmhartigheid, met dezelfde woorden waarmee het artikel de grond van de bewaring aanwijst.
“En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;”
De Heere Jezus belooft dat de Trooster in der eeuwigheid bij de Zijnen blijft, en daarom neemt God Zijn Geest ook in hun val niet geheel weg.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Op de synode leerden de remonstranten dat ware gelovigen geheel en tot het einde van het geloof kunnen uitvallen. Ook meenden zij dat wedergeborenen de zonde tot de dood of tegen de Heilige Geest kunnen doen. De synode wees beide opvattingen af in de verwerpingen 3 en 4 van dit hoofdstuk.
Artikel 6 is het positieve antwoord daarop. Het erkent de zware val van gelovigen, maar belijdt dat God Zijn Geest niet geheel van hen wegneemt.
Om over door te praten
- Waarom zoekt artikel 6 de grond van de bewaring in Gods barmhartigheid en niet in de kracht van de gelovige?
- Wat leert het gebed van David in Psalm 51 u over de vrees om de Heilige Geest kwijt te raken?
- Welk verschil maakt het woord geheel in de belijdenis dat God Zijn Geest niet geheel wegneemt?
- Wat betekent het voor u dat de Geest niet geheel wijkt, ook wanneer u na een zonde weinig van Hem merkt?