Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 9: zeker van volharding
In het kort
DL 5, artikel 9 belijdt dat gelovigen zelf zeker kunnen zijn van hun volharding. Zij mogen weten dat zij ware leden van de kerk zijn en blijven, en dat zij vergeving der zonden en het eeuwige leven hebben. Die zekerheid hangt af van de mate van hun geloof.
De tekst van DL V,9
Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden, en het eeuwige leven.
Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.
Artikel 9 van hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels gaat over een vraag die veel gelovigen bezighoudt. De vorige artikelen beleden dat God de Zijnen bewaart tot het einde. Maar kan een gelovige dat ook zelf weten? Of blijft het een geheim dat alleen God kent? Dit artikel zegt dat gelovigen zeker kunnen zijn van hun volharding. Er staat: 'kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn'. Verzekerd zijn betekent: er vast van overtuigd zijn.
Bewaring en volharding
Het artikel noemt twee dingen waarvan de gelovigen zeker mogen zijn. Het eerste is 'deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid'. Dat is wat God doet: Hij houdt de Zijnen vast tot zij zalig worden. Het tweede is 'de volharding der ware gelovigen in het geloof'. Volharden betekent: blijven, niet opgeven. Die twee horen bij elkaar. Omdat God bewaart, blijven de gelovigen geloven. Artikel 8 zei al dat zij dit niet danken aan hun eigen kracht, maar aan Gods barmhartigheid.
Zij kunnen het, en zij zijn het
Het artikel zegt niet alleen dat gelovigen zeker kunnen zijn. Het voegt eraan toe: 'en zij zijn het ook'. Het artikel spreekt dus niet alleen over wat mogelijk is, maar over wat gelovigen werkelijk kennen, naar de mate van hun geloof.
Paulus is daarvan een voorbeeld. Hij schrijft: "Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven". Daarna noemt hij nog meer machten en zegt dat geen schepsel "ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods". In een andere brief zegt hij: "ik weet, Wien ik geloofd heb". Zijn zekerheid rust niet op zichzelf, maar op Hem. Hij is ervan overtuigd dat Christus machtig is om te bewaren wat hij aan Hem heeft toevertrouwd.
Naar de mate van het geloof
Belangrijk zijn de woorden 'naar de mate des geloofs'. Mate betekent: maat, hoeveelheid. De zekerheid is niet bij iedere gelovige even groot, en ook niet op elk moment. Waar het geloof sterk is, is de zekerheid helder. Waar het geloof zwak is, is ook de zekerheid zwakker. Artikel 11 zal zeggen dat gelovigen in dit leven met twijfel strijden.
Daarom staat de zekerheid niet los van het geloof. Het artikel spreekt over het geloof 'waarmede zij zekerlijk geloven'. Zekerlijk betekent: vast, met zekerheid. Het geloof zelf rust op Gods beloften en zoekt daarin houvast. Wie een kleine maat van zekerheid heeft, wordt in dit artikel dus niet afgeschreven. Hij wordt gewezen op de bron, die buiten hemzelf ligt.
Wat de gelovige mag weten
Ten slotte noemt het artikel wat de gelovigen zeker geloven. Zij weten 'dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk'. Daarnaast 'dat zij hebben vergeving der zonden, en het eeuwige leven'. U herkent hier de laatste artikelen van de twaalf artikelen van het geloof.
De Heidelbergse Catechismus spreekt in zondag 21 op dezelfde manier. De gelovige belijdt daar over de gemeente "dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven". Zo is de zekerheid geen hoogmoed, maar troost. Zij rust niet op wat de gelovige is, maar op Gods trouw.
Bijbelse onderbouwing
“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,”
Paulus zegt dat hij verzekerd is dat dood noch leven hem kan scheiden van Gods liefde, en spreekt zo de zekerheid uit die het artikel belijdt.
“Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.”
Geen enkel schepsel kan de gelovigen scheiden van de liefde Gods in Christus, en daarom mogen zij zeker zijn van hun bewaring.
“Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.”
Paulus weet in Wie hij geloofd heeft en is verzekerd dat Hij zijn pand bewaart, zoals het artikel belijdt dat gelovigen zelf van hun bewaring verzekerd kunnen zijn.
“Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.”
Johannes schrijft aan gelovigen opdat zij weten dat zij het eeuwige leven hebben, wat het artikel als inhoud van hun zekerheid noemt.
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
Christus belooft dat niemand Zijn schapen uit Zijn hand rukt, en op die belofte rust de zekerheid die het artikel de gelovigen toekent.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Artikel 9 opent een nieuw deel van hoofdstuk 5. De artikelen 3 tot en met 8 gingen over de bewaring zelf, ook bij een diepe val. Vanaf artikel 9 gaat het over de zekerheid ervan. Dat onderscheid was nodig. De remonstranten leerden niet alleen dat ware gelovigen kunnen afvallen, maar ook dat niemand in dit leven zeker kan zijn van zijn volharding. De synode wees beide af in de verwerpingen bij dit hoofdstuk. Artikel 9 zet er de belijdenis tegenover: gelovigen kunnen zeker zijn, en zij zijn het ook.
Om over door te praten
- Welke twee dingen noemt artikel 9 waarvan de gelovigen zelf zeker kunnen zijn?
- Wat bedoelt het artikel met de woorden dat de gelovigen verzekerd zijn naar de mate van hun geloof?
- Waarom rust de zekerheid van Paulus in 2 Timotheüs 1 niet op hemzelf, maar op Christus?
- Hoe kan dit artikel troost geven aan iemand die zijn geloof zwak en zijn zekerheid klein vindt?
- Welke plaats hebben de vergeving der zonden en het eeuwige leven in uw eigen geloofsleven?