Ga naar hoofdinhoud

Zondag 44: Tiende gebod

Schriftbewijzen: Exodus 20:17, Romeinen 7:7

Vraag 113: Wat gebiedt het tiende gebod?

Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte der zonde vijand zijn en in alle gerechtigheid lust hebben.

Schriftbewijzen: Romeinen 7:7

Vraag 114: Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?

Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods, beginnen te leven.

Schriftbewijzen: 1 Johannes 1:8, Romeinen 7:14-15, Prediker 7:20, 1 Korinthe 9:24, Romeinen 7:22, Psalmen 1:2, Jakobus 2:10

Vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?

Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

Schriftbewijzen: Psalmen 32:5, Romeinen 3:19-26, Romeinen 7:24-25, 1 Korinthe 9:24, Filippenzen 3:12-14

Zondag 44: Tiende gebod

Antwoord:

Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte der zonde vijand zijn en in alle gerechtigheid lust hebben.

Schriftbewijzen:

Antwoord:

Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.