Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~930 v.Chr.

Jerobeam in de Bijbel

Jerobeam (יָרָבְעָם, Hebreeuws) - “Mogelijk: het volk wordt talrijk”

Wie was Jerobeam?

Jerobeam, de zoon van Nebat, was de eerste koning van het noordrijk Israël, rond 930 voor Christus. Na de scheuring van het rijk zette hij gouden kalveren neer in Bethel en Dan, zodat het volk niet meer naar Jeruzalem zou gaan. Daarom heet hij de koning die Israël heeft doen zondigen (1 Koningen 14:16).

Jerobeam staat aan het begin van de geschiedenis van het noordrijk Israël. Zijn verhaal loopt van 1 Koningen 11:26 tot 1 Koningen 14:20, met een parallel in 2 Kronieken 10 tot en met 13. In de Statenvertaling heet hij vaak "Jerobeam, de zoon van Nebat" (1 Koningen 11:26). Hij begon als een man met talent. Salomo zag dat hij arbeidzaam was en maakte hem verantwoordelijk voor de herendienst van het huis van Jozef, de stammen Efraïm en Manasse (1 Koningen 11:28). Toen hij Jeruzalem uitging, scheurde de profeet Ahia van Silo een nieuw kleed in twaalf stukken en gaf hem er tien. Daarbij kreeg hij een voorwaardelijke belofte: als hij Gods geboden zou houden zoals David, zou God hem een bestendig huis bouwen (1 Koningen 11:38). Na de dood van Salomo werd die belofte werkelijkheid. Rehabeam weigerde in Sichem de lasten te verlichten, de tien stammen keerden zich af van het huis van David, en Jerobeam werd koning. Maar meteen daarna redeneerde hij in zijn hart: "Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren" (1 Koningen 12:26). Uit die vrees kwamen de gouden kalveren van Bethel (in de Statenvertaling Beth-El) en Dan voort, met een eigen priesterschap en een eigen feest. De schrijver oordeelt kort: "En deze zaak werd tot zonde" (1 Koningen 12:30). Jerobeam is niet te verwarren met Jerobeam II, de zoon van Joas, die ongeveer anderhalve eeuw later over Israël regeerde (2 Koningen 14:23-29). In die tijd profeteerden Amos, Hosea en Jona. Deze pagina gaat over de eerste Jerobeam; de tweede komt hieronder kort aan bod.

Historische context

Jerobeam leefde in de tiende eeuw voor Christus. De scheuring van het rijk wordt meestal rond 930 voor Christus gedateerd, met een voorbehoud omdat de chronologie van de koningen op verschillende manieren wordt berekend. Volgens 1 Koningen 14:20 regeerde hij tweeëntwintig jaar. Hij kwam uit Zereda en heet in de Statenvertaling "een Efrathiet", een man uit Efraïm (1 Koningen 11:26). Zijn moeder Zerua was weduwe. Dat hij aangesteld werd over "den last van het huis van Jozef" betekent dat hij de verplichte arbeid van de noordelijke stammen leidde, juist toen Salomo Millo bouwde en de muur van de stad van David herstelde (1 Koningen 11:27-28). Die herendienst was een van de grieven die later te Sichem op tafel kwamen: "Uw vader heeft ons juk hard gemaakt" (1 Koningen 12:4). Toen Salomo hem wilde doden, vluchtte Jerobeam naar Sisak, de koning van Egypte (1 Koningen 11:40). Sisak wordt doorgaans gelijkgesteld met farao Sjosjenk I, van wie in de tempel van Karnak een lijst van plaatsen in Kanaän bewaard is; dezelfde Sisak trok later tegen Jeruzalem op (1 Koningen 14:25). Die identificatie blijft een reconstructie. Als koning bouwde Jerobeam Sichem uit, en ook Penuel aan de overkant van de Jordaan (1 Koningen 12:25). Later lijkt zijn hof in Thirza te zijn geweest, waar zijn zoon stierf (1 Koningen 14:17). Bethel lag aan de zuidgrens van zijn rijk, dicht bij Jeruzalem, en was al sinds Jakob een gewijde plaats; Dan lag in het uiterste noorden. Zo omsloten de twee heiligdommen het hele land. Jerobeam stelde de kalveren voor als de God die Israël uit Egypte had geleid (1 Koningen 12:28), in bijna dezelfde woorden als bij het gouden kalf van Aäron (Exodus 32:4). Sommige uitleggers denken dat ze bedoeld waren als troon of voetstuk van de onzichtbare God. De Schrift zelf noemt het echter het maken van "andere goden en gegotene beelden" (1 Koningen 14:9; vergelijk 2 Kronieken 13:8). Daarnaast stelde hij priesters aan "die niet waren uit de zonen van Levi" en hield hij een feest "gelijk het feest, dat in Juda was", maar in de achtste maand; veel uitleggers denken aan een verschoven loofhuttenfeest (1 Koningen 12:31-33). Volgens 2 Kronieken 11:14 trokken veel Levieten daarop naar Juda. Er was oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam al hun dagen (1 Koningen 14:30). Tegen Rehabeams zoon Abia (in 1 Koningen 15:1 Abiam genoemd) verloor Jerobeam een grote slag, en daarna staat er: "de HEERE sloeg hem, dat hij stierf" (2 Kronieken 13:20). Volgens Koningen leefde hij nog tot in het begin van de regering van Asa (1 Koningen 15:9, 25). Zijn zoon Nadab regeerde twee jaar; toen roeide Baësa het hele huis van Jerobeam uit, naar het woord van Ahia (1 Koningen 15:25-30).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Dapper en arbeidzaam, door Salomo om die reden aangesteld (1 Koningen 11:28)
  • Een bekwaam bestuurder die Sichem en Penuel uitbouwde (1 Koningen 12:25)
  • Erkende in zijn schrik het gezag van Gods profeet en vroeg om voorbede (1 Koningen 13:6)

−Zwakke kanten

  • Liet zich leiden door angst om zijn troon in plaats van door Gods belofte (1 Koningen 12:26-27)
  • Maakte een eigen godsdienst met kalveren, priesters en feesten naar eigen inzicht (1 Koningen 12:33)
  • Bleef na waarschuwing en wonderteken op zijn weg (1 Koningen 13:33)

Theologische betekenis

De Schrift beoordeelt Jerobeam vooral naar wat hij met de eredienst deed. Het oordeel klinkt in de mond van Ahia: hij was niet geweest als David, maar had "andere goden en gegotene beelden" gemaakt en God achter zijn rug geworpen (1 Koningen 14:8-9). Vanaf dat moment wordt hij in Koningen de vaste maatstaf. Nadab, Baësa, Omri, Achab, Jehu en Jerobeam II wandelen in de weg en de zonden van Jerobeam of wijken daar niet van af (1 Koningen 15:34; 16:26), en de formule "die Israel zondigen deed" keert telkens terug (1 Koningen 15:30; 2 Koningen 10:29; 14:24). Bij Achab heet dat wandelen zelfs "een lichte zaak" naast zijn huwelijk met Izebel en de Baälsdienst (1 Koningen 16:31). Opvallend is dat Jerobeam de HEERE niet openlijk afzwoer. Hij gebruikte de woorden van de uittocht: "zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben" (1 Koningen 12:28). Daarmee herhaalde hij bijna woordelijk de zonde van het gouden kalf in de woestijn (Exodus 32:4). Zijn zonde lag daarin dat hij bepaalde hoe, waar, wanneer en door wie God gediend moest worden, met een feest in een maand "dewelke hij uit zijn hart verdacht had" (1 Koningen 12:33). De uitleg van het tweede gebod sluit hierbij aan: God wil niet anders gediend worden dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft (Heidelbergse Catechismus, zondag 35). Tegelijk laat zijn geschiedenis Gods geduld zien. Jerobeam ontving zijn koningschap als gave, met een belofte die leek op die aan David, maar voorwaardelijk was (1 Koningen 11:38). In dezelfde rede houdt God vast aan Davids huis: "opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem" (1 Koningen 11:36), en Davids zaad wordt vernederd, "nochtans niet altijd" (1 Koningen 11:39). Hij werd gewaarschuwd door een man Gods en zag zijn hand verdorren en herstellen. Ook in het oordeel over zijn huis klinkt genade: van het zieke kind Abia zegt Ahia dat in hem "wat goeds voor den HEERE" gevonden was (1 Koningen 14:13). De gevolgen reikten ver. Het altaar van Bethel werd ongeveer drie eeuwen later door Josia afgebroken, precies zoals de man Gods had gezegd (2 Koningen 23:15-16). En de schrijver van Koningen ziet de ondergang van het noordrijk als de vrucht van wat Jerobeam begon: "Jerobeam dreef Israel af van achter den HEERE" (2 Koningen 17:21). Tegenover die afval houdt Koningen de lamp van David in Jeruzalem brandend. Zo wijst Jerobeams geschiedenis vooruit naar de Zoon van David, Die God "den troon van Zijn vader David" geeft (Lukas 1:32).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Jerobeam (יָרָבְעָם, Hebreeuws)

Betekenis

Mogelijk: het volk wordt talrijk

Betekenis van de naam Jerobeam: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Opzichter onder Salomo

Jerobeam, een Efraïmiet uit Zereda, valt Salomo op als dapper en arbeidzaam. Hij krijgt de leiding over de herendienst van het huis van Jozef.

1 Koningen 11:26-28

2

Ahia scheurt het kleed

Op het veld buiten Jeruzalem scheurt de profeet Ahia zijn nieuwe kleed in twaalf stukken en geeft Jerobeam er tien. God belooft hem een bestendig huis, als hij in Zijn wegen wandelt zoals David.

1 Koningen 11:29-39

3

Vlucht naar Egypte

Salomo probeert Jerobeam te doden. Hij vlucht naar Sisak, de koning van Egypte, en blijft daar tot Salomo sterft.

1 Koningen 11:40

4

Koning over tien stammen

Te Sichem antwoordt Rehabeam het volk hard. De noordelijke stammen roepen "Wat deel hebben wij aan David?" en maken Jerobeam koning over gans Israël; alleen Juda, met Benjamin, blijft bij het huis van David.

1 Koningen 12:12-21

5

Gouden kalveren in Bethel en Dan

Uit vrees dat het volk in Jeruzalem naar Rehabeam terugkeert, maakt Jerobeam twee gouden kalveren. Hij stelt priesters aan van buiten Levi en verschuift het feest naar de achtste maand.

1 Koningen 12:25-33

6

De man Gods bij het altaar

Een man Gods uit Juda roept tegen het altaar in Bethel en noemt een toekomstige koning Josia. Jerobeams hand verdort als hij de profeet wil laten grijpen, en wordt op diens gebed hersteld.

1 Koningen 13:1-6

7

Ahia en de zieke Abia

Jerobeams vrouw gaat vermomd naar de blinde profeet Ahia in Silo. Hij herkent haar en kondigt de dood van het kind en de ondergang van het huis van Jerobeam aan.

1 Koningen 14:1-18

8

Nederlaag en dood

In de oorlog met Juda verliest Jerobeam de slag tegen Abia, ondanks een groter leger en een hinderlaag. Hij komt niet meer tot kracht, en later slaat de HEERE hem, zodat hij sterft.

2 Kronieken 13:3-20

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Jerobeam beter te begrijpen.

1 Koningen 11:31

“En hij zeide tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israels: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.”

Ahia verklaart het gescheurde kleed. Jerobeams koningschap begint niet met een opstand, maar met een woord van God.

1 Koningen 11:38

“En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israel geven.”

De voorwaardelijke belofte aan Jerobeam. Hij had alles gekregen wat hij nodig had om zonder kalveren te regeren.

1 Koningen 12:28

“Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.”

De gouden kalveren, gepresenteerd als gemak voor het volk en in de woorden van Exodus 32.

1 Koningen 13:4

“Het geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.”

De hand die de profeet wilde laten grijpen, verdort. Een duidelijk teken dat het altaar van Bethel onder Gods oordeel stond.

1 Koningen 13:33

“Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten des volks; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters der hoogten.”

Na het wonderteken en het herstel van zijn hand verandert er niets. Dat is de kern van zijn tragiek.

1 Koningen 14:13

“En gans Israel zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den HEERE, den God Israels, in het huis van Jerobeam gevonden is.”

Over Jerobeams zoon Abia. Midden in het oordeel over het huis vindt God in dit kind iets goeds voor Hem.

1 Koningen 14:16

“En Hij zal Israel overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israel heeft doen zondigen.”

De omschrijving die aan Jerobeam blijft kleven: hij zondigde niet alleen zelf, hij bracht het volk tot zonde.

2 Koningen 17:21

“Want Hij scheurde Israel van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israel af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.”

Bij de val van Samaria kijkt de schrijver terug: de wegvoering naar Assyrië begon bij Jerobeam.

Tijdperiode

~930 v.Chr.

Jerobeam leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Jerobeam kreeg alles wat hij nodig had: een roeping door een profeet, tien stammen en een belofte die leek op die aan David. Toch begon hij zijn regering met een redenering "in zijn hart" (1 Koningen 12:26). Hij vertrouwde de belofte niet en ging zelf zijn positie beveiligen. Dat herkennen wij. Wie bang is om te verliezen wat God gegeven heeft, gaat het snel met eigen middelen vasthouden, en verliest het zo juist. Zijn kalveren laten zien hoe afgoderij er vaak uitziet. Hij noemde God niet af, hij noemde de uittocht uit Egypte. Hij maakte de dienst alleen makkelijker, dichterbij en beter passend bij zijn politiek. Ook voor ons is de verleiding zelden om openlijk een andere god te kiezen, maar eerder om de dienst van God naar eigen smaak en gemak in te richten. De Schrift vraagt ons God te dienen zoals Hij het Zelf gegeven heeft. Jerobeam zag een wonder aan zijn eigen hand en vroeg om voorbede, maar daarna staat er: "Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg" (1 Koningen 13:33). Schrik en ontzag zijn nog geen bekering. Het gaat erom dat wij na een waarschuwing ook werkelijk een andere weg gaan. Ten slotte: wat een leider doet, raakt anderen. Jerobeam heet niet alleen de man die zondigde, maar de man die Israël deed zondigen. Wie verantwoordelijkheid draagt, in gezin, kerk of werk, mag beseffen dat zijn keuzes de weg van anderen meebepalen, ten goede of ten kwade.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Jerobeam

Wie was Jerobeam in de Bijbel?
Jerobeam, de zoon van Nebat, was de eerste koning van het noordrijk Israël, rond 930 voor Christus. Hij kwam uit Efraïm en was opzichter onder Salomo. De profeet Ahia beloofde hem tien stammen, en na de scheuring van het rijk werd hij te Sichem koning. Hij is vooral bekend om de gouden kalveren die hij in Bethel en Dan neerzette. Zijn geschiedenis staat in 1 Koningen 11 tot en met 14.
Wat betekent de naam Jerobeam?
De betekenis van de naam Jerobeam is niet zeker. Meestal wordt hij verklaard als: het volk wordt talrijk, of: moge het volk toenemen. Die uitleg gaat uit van een Hebreeuws werkwoord voor groot of veel worden en het woord voor volk. Sommige uitleggers denken aan: het volk strijdt, of: hij pleit voor het volk. De Bijbel zelf geeft geen uitleg van de naam, dus geen van deze verklaringen is meer dan een voorstel.
Waar staat Jerobeam in de Bijbel?
Het verhaal van Jerobeam staat in 1 Koningen 11:26 tot 1 Koningen 14:20. Een parallel met eigen details staat in 2 Kronieken 10 tot en met 13, waaronder zijn nederlaag tegen Abia in 2 Kronieken 13. Daarna wordt hij tientallen keren genoemd in de formule over de zonden van Jerobeam, onder meer in 1 Koningen 15 en 16, 2 Koningen 10, 2 Koningen 17 en 2 Koningen 23.
Hoe werd Jerobeam koning?
Jerobeam werd koning door een profetie en een volksopstand. De profeet Ahia scheurde zijn nieuwe kleed in twaalf stukken en gaf Jerobeam er tien, als teken dat God tien stammen van het huis van Salomo zou afnemen (1 Koningen 11:29-31). Jerobeam vluchtte voor Salomo naar Egypte. Na Salomo's dood weigerde Rehabeam in Sichem de lasten te verlichten. Toen maakten de noordelijke stammen Jerobeam koning; alleen Juda, met Benjamin, bleef bij het huis van David (1 Koningen 12:20-21).
Wat waren de gouden kalveren van Jerobeam?
De gouden kalveren waren twee beelden die Jerobeam liet maken, het ene in Bethel en het andere in Dan (1 Koningen 12:28-29). Hij wilde voorkomen dat zijn volk naar de tempel in Jeruzalem bleef gaan en daar weer voor Rehabeam zou kiezen. Hij zei: "zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben", bijna dezelfde woorden als bij het gouden kalf van Aäron (Exodus 32:4). De Bijbel oordeelt: "En deze zaak werd tot zonde" (1 Koningen 12:30).
Wat wordt bedoeld met de zonde van Jerobeam?
Met de zonde van Jerobeam bedoelt de Bijbel de eigen eredienst die hij in het noordrijk invoerde: de gouden kalveren, de hoogten, priesters die niet uit Levi waren en een feest in een zelfgekozen maand (1 Koningen 12:31-33). Latere koningen worden telkens beoordeeld naar de vraag of zij daarvan afweken. Zelfs Jehu, die de Baälsdienst uitroeide, liet de gouden kalveren van Bethel en Dan staan (2 Koningen 10:29). Jerobeam heet daarom de koning "die Israel zondigen deed".
Wat gebeurde er met de man Gods bij het altaar in Bethel?
Terwijl Jerobeam bij het altaar in Bethel stond, riep een man Gods uit Juda dat een zoon uit het huis van David, Josia genaamd, op dat altaar de priesters der hoogten zou offeren (1 Koningen 13:2). Jerobeam strekte zijn hand uit om hem te laten grijpen, maar die hand verdorde en het altaar scheurde. Op het gebed van de man Gods werd zijn hand hersteld. Toch keerde Jerobeam niet van zijn weg (1 Koningen 13:33). Josia vervulde de profetie ongeveer drie eeuwen later (2 Koningen 23:15-16).
Hoe lang regeerde Jerobeam en hoe stierf hij?
Jerobeam regeerde tweeëntwintig jaar over Israël (1 Koningen 14:20). Kronieken vertelt dat hij in de oorlog met Juda een zware nederlaag leed tegen Abia, de zoon van Rehabeam, en daarna geen kracht meer behield. Volgens Koningen leefde hij nog tot in het begin van de regering van Asa (1 Koningen 15:9, 25); toen geldt: "de HEERE sloeg hem, dat hij stierf" (2 Kronieken 13:20). Zijn zoon Nadab volgde hem op, maar regeerde slechts twee jaar. Baësa doodde Nadab en roeide het hele huis van Jerobeam uit, zoals Ahia had voorzegd (1 Koningen 15:29).
Waarom kozen de noordelijke stammen Jerobeam en niet Rehabeam?
Te Sichem vroeg het volk Rehabeam, de zoon van Salomo, om verlichting: "Uw vader heeft ons juk hard gemaakt" (1 Koningen 12:4). Rehabeam antwoordde hard, en de noordelijke stammen riepen: "Wat deel hebben wij aan David?" (1 Koningen 12:16). Zij riepen Jerobeam, de vroegere opzichter over het huis van Jozef, en maakten hem koning (1 Koningen 12:20). De Bijbel ziet daarin Gods hand: "deze omwending was van den HEERE", om het woord van Ahia te bevestigen (1 Koningen 12:15).
Is Jerobeam dezelfde als Jerobeam II?
Nee. Jerobeam, de zoon van Nebat, was de eerste koning van het noordrijk, rond 930 voor Christus. Jerobeam II was de zoon van Joas, koning van Israël (niet de Judese koning Joas), en regeerde ongeveer anderhalve eeuw later eenenveertig jaar in Samaria (2 Koningen 14:23). Hij herstelde de grenzen van Israël, zoals Jona had voorzegd (2 Koningen 14:25). In zijn dagen profeteerden Amos en Hosea (Amos 1:1, Hosea 1:1). Ook van hem staat dat hij niet week van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat.
Wat kunnen wij leren van Jerobeam?
Van Jerobeam leren wij hoe gevaarlijk het is om Gods beloften met eigen middelen veilig te willen stellen. Hij kreeg zijn koningschap uit Gods hand, maar uit angst om het te verliezen maakte hij een godsdienst die hem politiek goed uitkwam. Hij leert ons ook dat schrik over een wonder nog geen bekering is, en dat de keuzes van een leider anderen meenemen: hij heet de man die Israël deed zondigen.

Stel een vraag over Jerobeam

Wilt u meer weten over Jerobeam? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Jerobeam

Bijbelverhalen rond Jerobeam

Verdiep u verder