Ga naar hoofdinhoud

Bethel in de Bijbel

Beth-El (Hebreeuws בֵּית־אֵל) betekent huis van God: beth is huis, El is God (Genesis 28:19). De oudere naam Luz betekent waarschijnlijk amandelboom. Hosea noemt de stad spottend Beth-Aven, huis van onrecht of ijdelheid (Hosea 4:15).

Bethel was een stad in het bergland, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem, waar Jakob droomde van de ladder naar de hemel. Hij gaf de plaats, die eerder Luz heette, de naam huis Gods (Genesis 28:19). Later zette koning Jerobeam er een gouden kalf neer en profeteerde Amos er tegen het altaar.

Ook bekend als: Beth-El, Luz, El Beth-El, Beth-Aven, Beitin

Ligging

Bethel lag in het centrale bergland op de grens van Benjamin en Efraïm (Jozua 16:1-2, 18:13), ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. De stad lag aan de oude weg over de waterscheiding van Jeruzalem naar Sichem; Richteren 21:19 noemt de hoge weg die opgaat van het huis Gods naar Sichem. Ten oosten lag Ai (Genesis 12:8, Jozua 7:2), ten zuiden Rama, waar de richteres Debora tussen Rama en Bethel recht sprak (Richteren 4:5).

Vandaag

Bethel wordt meestal gelijkgesteld met het dorp Beitin op de Westelijke Jordaanoever, een paar kilometer ten noordoosten van Ramallah en el-Bireh. De Arabische naam lijkt de oude naam te bewaren en de ligging past bij de bijbelse gegevens. Enkele onderzoekers zoeken Bethel liever bij el-Bireh zelf. De identificatie met Beitin is daarom waarschijnlijk, niet onbetwist. Bij opgravingen in de twintigste eeuw zijn sporen van bewoning over vele eeuwen gevonden.

Geschiedenis

Bethel was al een plaats van aanbidding lang voordat Jeruzalem dat werd. Toen Abram in Kanaän kwam, sloeg hij zijn tent op met Bethel in het westen en Ai in het oosten, en bouwde hij daar een altaar voor de HEERE (Genesis 12:8). Na zijn verblijf in Egypte keerde hij terug naar de plaats van het altaar dat hij er eerder had gebouwd (Genesis 13:3-4). De stad heette toen nog Luz (Genesis 28:19). Jakob overnachtte hier op zijn vlucht van Berseba naar Haran. In een droom zag hij een ladder tot aan de hemel, en de HEERE herhaalde de belofte aan Abraham en Izak (Genesis 28:12-15). Bij het ontwaken zei hij: "Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten" (Genesis 28:16). Hij zette zijn steen op als opgericht teken, goot er olie op en noemde de plaats Beth-El (Genesis 28:18-19). In Haran maakte God Zich later bekend als "die God van Beth-El" (Genesis 31:13). Na zijn terugkeer deed Jakob de vreemde goden weg, trok op naar Bethel, bouwde er een altaar en noemde de plaats El Beth-El (Genesis 35:1-7). Daar werd Debora, de voedster van Rebekka, begraven onder een eik, en daar bevestigde God de naam Israël (Genesis 35:8-15). Bij de verovering van Ai trokken ook de mannen van Bethel tegen Israël uit (Jozua 8:17), en de koning van Bethel staat in de lijst van verslagen koningen (Jozua 12:16). De inname zelf beschrijft Richteren 1:22-26: verspieders van het huis van Jozef lieten zich door een man de ingang van de stad wijzen. Bethel lag op de grens van Efraïm en Benjamin; Jozua 18:22 rekent het tot Benjamin, 1 Kronieken 7:28 tot de bezitting van Efraïm. In de tijd van de richteren trok Israël op ten huize Gods (in het Hebreeuws: Beth-El) om de HEERE te vragen, want daar was de ark des verbonds in die dagen (Richteren 20:18, 26-27). Samuël ging van jaar tot jaar rond naar Bethel, Gilgal en Mizpa om Israël te richten (1 Samuël 7:16). Na de scheiding van het rijk maakte Jerobeam twee gouden kalveren en zette er een in Bethel en een in Dan (1 Koningen 12:28-29). Een man Gods uit Juda riep tegen dat altaar en noemde Josia al bij name (1 Koningen 13:1-2). Koning Abia van Juda nam de stad een tijd in (2 Kronieken 13:19). In de dagen van Elia en Elisa woonden er zonen der profeten (2 Koningen 2:3); toen Elisa er later weer heen ging, bespotten jongens uit de stad hem (2 Koningen 2:23-24). Amos profeteerde er, tot de priester Amazia hem wegstuurde omdat Bethel "des konings heiligdom" was (Amos 7:10-13). Na de val van Samaria liet de koning van Assyrië een van de weggevoerde priesters terugkeren; hij woonde te Bethel en leerde de nieuwe bewoners hoe zij de HEERE vrezen zouden (2 Koningen 17:27-28). Koning Josia brak het altaar en de hoogte van Jerobeam af en verbrandde er beenderen op, zoals de man Gods had gezegd (2 Koningen 23:15-18). Na de ballingschap keerden er mannen van Bethel en Ai terug (Ezra 2:28, Nehemia 11:31).

Betekenis in de Bijbel

In Genesis is Bethel de plaats waar de belofte aan de aartsvaders opnieuw klinkt. Abraham riep er de naam des HEEREN aan, en Jakob ontving er op zijn vlucht en bij zijn terugkeer dezelfde belofte van land en nageslacht, de eerste keer met de zegen voor alle geslachten van de aarde (Genesis 28:13-14; vgl. 35:11-12). Hosea zag daarin het begin van de geschiedenis van het hele volk: "Te Beth-el vond hij Hem, en aldaar sprak Hij met ons" (Hosea 12:5). In de boeken Koningen wordt dezelfde plaats het middelpunt van de zonde van het noordrijk. Jerobeam koos Bethel en Dan om zijn volk weg te houden van Jeruzalem, en stelde een feest in op een maand die hij zelf had bedacht (1 Koningen 12:33). De uitdrukking de zonden van Jerobeam keert daarna steeds terug, ook bij de ijverige Jehu, die de kalveren te Beth-El en te Dan liet staan (2 Koningen 10:29). De profeten zetten de naam tegen zichzelf in. Amos riep: "Maar zoekt Beth-El niet" en voorzei dat Beth-El tot niet zou worden (Amos 5:5). Het Hebreeuwse woord voor niet is daar aven, hetzelfde woord als in de spotnaam Beth-Aven. Hosea noemde de stad Beth-Aven en sprak over het kalf van Beth-Aven (Hosea 4:15, 10:5). Jeremia gebruikte Bethel als voorbeeld van vals vertrouwen: "het huis Israels beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen" (Jeremia 48:13). De geschiedenis van Bethel laat ook de trouw van het Woord zien. Wat de man Gods uit Juda tegen het altaar riep, werd eeuwen later letterlijk vervuld door Josia (1 Koningen 13:2, 2 Koningen 23:15-16).

Sleutelgebeurtenissen in Bethel

1

Abram bouwt een altaar

Abram slaat zijn tent op tussen Bethel en Ai, bouwt een altaar en roept de naam des HEEREN aan. Na Egypte keert hij naar dezelfde plaats terug.

Genesis 12:8

2

Jakob ziet de ladder

Op de vlucht naar Haran droomt Jakob van een ladder tot de hemel en hoort hij de belofte van de HEERE. Hij noemt de plaats Beth-El en doet een gelofte.

Genesis 28:10-22

3

De God van Bethel roept Jakob terug

In Haran maakt God Zich bekend als de God van Bethel en zegt Jakob terug te keren naar het land van zijn familie.

Genesis 31:13

4

Jakob noemt de plaats El Beth-El

Jakob doet de vreemde goden weg, bouwt een altaar en noemt de plaats El Beth-El. God verschijnt hem opnieuw en bevestigt de naam Israël.

Genesis 35:1-15

5

Het huis van Jozef neemt Luz in

Een man uit de stad wijst de verspieders de ingang. De stad wordt ingenomen; de man sticht elders een nieuw Luz.

Richteren 1:22-26

6

Samuël richt Israël

Bethel is een van de vaste plaatsen op de jaarlijkse rondgang van Samuël, naast Gilgal en Mizpa.

1 Samuël 7:16

7

Jerobeam zet een gouden kalf neer

Jerobeam plaatst gouden kalveren in Bethel en Dan, stelt eigen priesters aan en verzint een eigen feest in de achtste maand.

1 Koningen 12:28-33

8

De man Gods uit Juda

Een profeet uit Juda roept tegen het altaar en noemt de toekomstige koning Josia. De hand van Jerobeam verdort en het altaar scheurt.

1 Koningen 13:1-5

9

Amos en Amazia

De priester Amazia klaagt Amos aan bij de koning en stuurt hem weg naar Juda, omdat Bethel het heiligdom van de koning is.

Amos 7:10-13

10

Josia breekt het altaar af

Josia vernietigt het altaar en de hoogte van Jerobeam, verbrandt er beenderen op en spaart het graf van de man Gods uit Juda, met de beenderen van de oude profeet die bij hem begraven lag.

2 Koningen 23:15-18

Theologische betekenis

Bethel leert eerst dat God Zich laat vinden door wie Hem niet zoekt. Jakob was een bedrieger op de vlucht, en juist daar sprak de HEERE de belofte uit: "Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb" (Genesis 28:15). Jakob erkende: "Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels" (Genesis 28:17). Het huis Gods is waar God Zich door Zijn Woord bekendmaakt, niet een plaats die mensen in bezit nemen. Dat laatste laat de latere geschiedenis zien. Dezelfde plaats werd onder Jerobeam een heiligdom van de koning, met een dienst die uit het hart van een mens kwam. Een heilige naam en een oude traditie beschermden Bethel niet tegen afgoderij. Daarom riep Amos: "Zoekt den HEERE, en leeft" (Amos 5:6), en niet Bethel. In het Nieuwe Testament komt de droom van Jakob terug zonder dat de naam Bethel valt. De Heere Jezus zei tot Nathanaël dat de discipelen de engelen Gods zouden zien opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen (Johannes 1:52). De gereformeerde uitleg ziet hierin dat Christus Zelf de ladder is: in Hem zijn hemel en aarde verbonden, en in Hem woont God bij Zijn volk.

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten helpen u om de rol van Bethel in de Schrift beter te begrijpen.

Veelgestelde vragen over Bethel

Waar lag Bethel?

Bethel lag in het centrale bergland, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem, op de grens van de stamgebieden Benjamin en Efraïm. De stad lag aan de weg van Jeruzalem naar Sichem, met Ai iets ten oosten. Meestal wordt Bethel gelijkgesteld met het dorp Beitin op de Westelijke Jordaanoever, bij Ramallah. Die identificatie is waarschijnlijk; enkele onderzoekers denken aan el-Bireh.

Wat betekent de naam Bethel?

Beth-El is Hebreeuws voor huis van God, of huis Gods. Jakob gaf de plaats die naam nadat God daar in een droom aan hem was verschenen: "Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels" (Genesis 28:17). De oudere naam van de stad was Luz, wat waarschijnlijk amandelboom betekent (Genesis 28:19).

Waar staat Bethel in de Bijbel?

Bethel komt in tientallen verzen voor. De belangrijkste plaatsen zijn Genesis 12, 28 en 35 (Abraham en Jakob), Richteren 1 en 20, 1 Samuël 7, 1 Koningen 12 en 13 (Jerobeam en de man Gods), 2 Koningen 2, 17 en 23, en de profeten Hosea en Amos. Na de ballingschap noemen Ezra 2 en Nehemia 11 de stad nog.

Wat gebeurde er in Bethel?

Abraham bouwde er een altaar en Jakob zag er in een droom de ladder naar de hemel. In de richterentijd stond de ark er een tijd, en Samuël sprak er recht. Koning Jerobeam zette er een gouden kalf neer, waartegen een man Gods uit Juda en later Amos profeteerden. Koning Josia brak het altaar ten slotte af.

Hoe heet Bethel in de Statenvertaling?

De Statenvertaling schrijft Beth-El, met een koppelteken, zoals in Genesis 28:19: "En hij noemde den naam dier plaats Beth-El". De plaats waar Jakob later een altaar bouwde, noemde hij El Beth-El, God van Beth-El (Genesis 35:7). In Hosea 12:5 staat de vorm Beth-el. Op deze site schrijven wij in eigen tekst Bethel.

Is Luz hetzelfde als Bethel?

Ja. Genesis 28:19 zegt dat de naam van de stad te voren Luz was, en Genesis 35:6 noemt Luz, dat is Beth-El. Richteren 1:26 vertelt dat de man die de verspieders de ingang wees, in het land der Hethieten een nieuwe stad bouwde en die ook Luz noemde. Dat tweede Luz is dus een andere plaats, waarvan de ligging onbekend is.

Wat is Beth-Aven?

Beth-Aven betekent huis van onrecht of ijdelheid. Hosea gebruikt de naam als spotnaam voor Bethel, de stad van het gouden kalf (Hosea 4:15, 10:5). Daarmee keert hij huis van God om. Jozua 7:2 noemt ook een plaats Beth-Aven bij Ai; of dat een afzonderlijke plaats was of een andere naam voor de omgeving van Bethel, is niet zeker.

Waarom zette Jerobeam een gouden kalf in Bethel?

Na de scheiding van het rijk wilde Jerobeam voorkomen dat zijn volk naar de tempel in Jeruzalem bleef gaan. Hij zei: "Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem" en zette kalveren in Bethel in het zuiden en Dan in het noorden van zijn rijk (1 Koningen 12:28-29). Bethel had door Abraham en Jakob al een oude naam als heilige plaats.

Is het gouden kalf van Bethel hetzelfde als het gouden kalf bij de Sinaï?

Nee. Het gouden kalf van Exodus 32 maakte Aäron in de woestijn bij de Sinaï. De kalveren van Bethel en Dan liet Jerobeam eeuwen later maken (1 Koningen 12:28). Wel gebruikte Jerobeam bijna dezelfde woorden als het volk bij de Sinaï (Exodus 32:4): "zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben" (1 Koningen 12:28). De Bijbel trekt zo zelf de lijn tussen beide zonden.

Bestaat Bethel nog?

De bijbelse stad bestaat niet meer als stad. Op de plaats die meestal als Bethel wordt aangewezen, ligt het Arabische dorp Beitin op de Westelijke Jordaanoever. Bij opgravingen in de twintigste eeuw zijn daar resten van bewoning uit verschillende perioden gevonden. Over de precieze duiding van die lagen verschillen archeologen van mening.

Wat gebeurde er in Bethel in de tijd van Elia en Elisa?

Op hun laatste tocht samen kwamen Elia en Elisa in Bethel, waar een groep zonen der profeten woonde; zij wisten dat de HEERE Elia die dag zou wegnemen (2 Koningen 2:2-3). Na de hemelvaart van Elia ging Elisa weer op naar Bethel. Onderweg bespotten jongens uit de stad hem; hij vloekte hen in de naam van de HEERE, en twee beren verscheurden er tweeënveertig (2 Koningen 2:23-24). Zo woonde in de stad van het gouden kalf ook een kring van profeten van de HEERE.

Bijbelverhalen in Bethel

Gerelateerde plaatsen

Bijbelse personen verbonden aan Bethel

Bijbelhoofdstukken die zich in Bethel afspelen

Leer meer over Bethel met AI BijbelAssistent

Wilt u dieper ingaan op de geschiedenis, de bijbelteksten of de theologische betekenis van Bethel? Onze AI-assistent helpt u verder.

Verdiep u verder