Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1900 v.Chr.

Juda in de Bijbel

Jehoeda (יְהוּדָה, Hebreeuws) - “Lof (de HEERE loven)”

Wie was Juda?

Juda was de vierde zoon van Jakob en Lea en de stamvader van de stam Juda. Hij stelde voor Jozef te verkopen, maar bood zich later aan als slaaf in de plaats van Benjamin. Jakob beloofde hem: "De schepter zal van Juda niet wijken" (Genesis 49:10). David en Jezus stamden van hem af.

Juda komt vooral voor in Genesis: zijn geboorte staat in hoofdstuk 29, en daarna treedt hij op in de hoofdstukken 37, 38, 43, 44, 46 en 49. Hij was de vierde zoon van Jakob en Lea, en zijn moeder verklaarde de naam bij zijn geboorte: "Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda" (Genesis 29:35). Wie zijn geschiedenis achter elkaar leest, ziet een opvallende lijn. In Genesis 37 is Juda de broer die voorstelt Jozef niet te doden maar te verkopen: "Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen?" (Genesis 37:26). In Genesis 38 trekt hij weg van zijn familie, laat zijn schoondochter Tamar (in de Statenvertaling Thamar) zonder toekomst achter en wordt door haar met zijn eigen pand geconfronteerd. Daar zegt hij voor het eerst iets wat hij niet hoefde te zeggen: "Zij is rechtvaardiger dan ik" (Genesis 38:26). In de hoofdstukken over de hongersnood is hij een ander mens. Hij stelt zich borg voor Benjamin tegenover zijn vader, en wanneer de beker in Benjamins zak gevonden wordt, houdt hij voor Jozef een lang en bewogen pleidooi (Genesis 44:18-34). Hij eindigt met het aanbod zelf slaaf te blijven, zodat de jongen terug kan naar zijn vader. De man die een broer als slaaf verkocht, biedt zichzelf als slaaf aan voor een broer. Op zijn sterfbed noemt Jakob Juda een leeuwenwelp en belooft dat de schepter niet van hem zal wijken (Genesis 49:8-10). Uit Juda kwam David voort, en het Nieuwe Testament noemt Christus "de Leeuw, Die uit den stam van Juda is" (Openbaring 5:5). Juda is niet te verwarren met Judas Iskariot, de apostel die Jezus verraadde. Ook niet met "Judas, niet de Iskariot" (Johannes 14:22), de apostel die doorgaans met Thaddeüs gelijkgesteld wordt, of met Judas, een van de broeders van de Heere (Mattheüs 13:55). Judas is de Griekse vorm van dezelfde Hebreeuwse naam, maar het gaat om andere personen, eeuwen later.

Historische context

Juda leefde in de tijd van de aartsvaders. De Bijbel geeft geen jaartallen; met een ruime marge wordt zijn leven gewoonlijk rond 1900 voor Christus geplaatst. Hij werd geboren in Paddan-Aram, toen Jakob bij zijn oom Laban diende, en groeide op in Kanaän, waar de familie als herders rondtrok tussen Sichem, Hebron en Dothan (Genesis 37:14-17). Het gezin was groot en verdeeld. Lea baarde Ruben, Simeon, Levi en Juda (Genesis 29:32-35); Rachel, de vrouw die Jakob liefhad, kreeg pas veel later Jozef en Benjamin. De drie broers die ouder waren dan Juda, verspeelden elk hun voorrang: Ruben door bij Bilha te liggen (Genesis 35:22), Simeon en Levi door hun geweld in Sichem (Genesis 34:25). Jakobs laatste woorden noemen die daden (Genesis 49:3-7) en geven Juda daarna de zegen, maar niet de eerstgeboorte. De Kronieken maken dat onderscheid scherp: "Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef" (1 Kronieken 5:1-2). Genesis 38 vraagt om uitleg van twee gebruiken. Het eerste is de plicht van de zwager: als een man kinderloos stierf, trouwde zijn broer de weduwe, zodat de eerstgeborene "zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen" (Deuteronomium 25:6). Daarom sprak Juda tot Onan: "verwek uw broeder zaad" (Genesis 38:8). Dat Juda Tamar daarna naar haar vader stuurde en Sela niet aan haar gaf, liet haar zonder man en zonder recht op nakomelingen. Het tweede is het pand. Zegelring, snoer en staf waren persoonlijke kenmerken; wie ze toonde, toonde de identiteit van de eigenaar. Tamar vroeg juist die drie dingen, en daarmee kon zij later bewijzen wie de vader van haar kinderen was (Genesis 38:18, Genesis 38:25). Ook het huwelijk met de dochter van Sua, een Kanaänitische vrouw (Genesis 38:2), valt op. Abraham en Izak hadden geen vrouw uit de dochters van Kanaän gewild voor hun zonen (Genesis 24:3, Genesis 28:1). De plaatsen in Genesis 38 liggen in het gebied dat later aan de stam Juda viel: Adullam in de laagte (Jozua 15:35), Chezib waarschijnlijk het Achzib van Jozua 15:44, en Timna mogelijk de plaats uit Jozua 15:57. Het hoofdstuk beslaat vele jaren en begon mogelijk al vóór de verkoop van Jozef (vgl. Genesis 46:12). Na de verzoening trok de familie naar Egypte, met Juda voorop (Genesis 46:28). De stam die van hem afstamde, legerde zich later in de woestijn aan de oostkant en trok vooraan op (Numeri 2:3, Numeri 2:9), kreeg het zuiden van Kanaän (Jozua 15:1) en bleef na de scheuring van het rijk, samen met Benjamin, bij het huis van David (1 Koningen 12:20-21). Van die stam en dat koninkrijk komen de namen Judea en Jood.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Kan zijn schuld erkennen als hij ermee geconfronteerd wordt (Genesis 38:26)
  • Neemt verantwoordelijkheid en stelt zich borg voor zijn jongste broer (Genesis 43:9)
  • Welbespraakt en zonder zelfrechtvaardiging: hij erkent voor Jozef dat God de ongerechtigheid van de broers gevonden heeft (Genesis 44:16)
  • Bereid zichzelf op te offeren voor een ander (Genesis 44:33)

−Zwakke kanten

  • Stelde voor Jozef als slaaf te verkopen, voor gewin (Genesis 37:26-27)
  • Hield zijn belofte aan Tamar niet en liet haar zonder toekomst (Genesis 38:14)
  • Ging in tot een vrouw die hij voor een hoer hield, en wilde Tamar daarna laten verbranden zonder naar zichzelf te kijken (Genesis 38:15-16, Genesis 38:24)

Theologische betekenis

Het verhaal van Juda laat zien hoe God een schuldig mens tot inkeer brengt. Genesis laat dat zien door woorden te herhalen. Na de verkoop van Jozef brengen de broers zijn rok bij Jakob met de vraag: "beken toch, of deze uws zoons rok zij" (Genesis 37:32). Eén hoofdstuk later stuurt Tamar het pand naar Juda met dezelfde woorden: "Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn" (Genesis 38:25). Wie zijn vader bedroog met een bewijsstuk, wordt nu zelf met een bewijsstuk ontmaskerd. En Juda bekent. In Genesis 44 is die inkeer voltooid. Juda zegt eerst: "God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden" (Genesis 44:16), en daarna biedt hij zich aan als slaaf voor Benjamin, de andere zoon van Rachel. De vroegere jaloezie op een voorgetrokken broer heeft plaatsgemaakt voor zorg om een vader die van die broer houdt. Pas dan maakt Jozef zich bekend. Tegelijk laat de Schrift zien dat Gods keuze niet op Juda's verdienste rust. De oudere broers vielen af, maar ook Juda zelf had geen schoon verleden. Juist uit Genesis 38, het hoofdstuk van zijn falen, komt Perez voort, de voorvader van Boaz en David (Ruth 4:18-22). Mattheüs neemt Tamar zelfs op in het geslachtsregister van Christus: "En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar" (Mattheüs 1:3). God schrijft Zijn heilsgeschiedenis met zondaars, zonder hun zonde goed te praten. De zegen in Genesis 49:8-12 wordt door de Schrift zelf verder uitgewerkt. "Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem" (1 Kronieken 5:2); God "verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad" (Psalm 78:68). Het woord over de schepter "totdat Silo komt" (Genesis 49:10) wordt verschillend uitgelegd. De Statenvertalers lazen Silo als een aanduiding van de Messias; andere uitleggers vertalen de Hebreeuwse woorden als: totdat Hij komt aan Wie het toekomt, of denken aan de plaats Silo. In alle gevallen wijst de zegen vooruit naar een koning uit Juda aan wie de volken gehoorzaam zullen zijn. Het Nieuwe Testament ziet die koning in Christus: "het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is" (Hebreeën 7:14), en Hij is "de Leeuw, Die uit den stam van Juda is" (Openbaring 5:5). Veel uitleggers zien bovendien in Juda's borgtocht voor Benjamin een verre schaduw van Hem die volgens Hebreeën 7:22 "Borg geworden" is van een beter verbond. Die lijn is een vergelijking, geen gelijkstelling: Juda bood zich aan, Christus heeft werkelijk in de plaats van anderen betaald.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Jehoeda (יְהוּדָה, Hebreeuws)

Betekenis

Lof (de HEERE loven)

Betekenis van de naam Juda: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Geboorte en naam

Lea baart haar vierde zoon en zegt: Ditmaal zal ik den HEERE loven. Daarom noemt zij hem Juda. Voor het eerst verbindt zij een geboorte niet met de liefde van Jakob, maar met lof aan God.

Genesis 29:35

2

Jozef verkocht

Terwijl Jozef in de kuil zit, stelt Juda voor hem niet te doden maar aan een karavaan Ismaëlieten te verkopen. Het voorstel spaart Jozefs leven, maar maakt van hem een slaaf.

Genesis 37:26-27

3

Tamar en de belofte van Sela

Juda trouwt een Kanaänitische vrouw en krijgt drie zonen. Na de dood van Er en Onan stuurt hij zijn schoondochter Tamar terug naar haar vader tot Sela groot is, uit angst dat ook Sela zal sterven. Die belofte komt hij niet na.

Genesis 38:6-14

4

Zij is rechtvaardiger dan ik

Wanneer Tamar zwanger blijkt, wil Juda haar laten verbranden. Zij toont zijn zegelring, snoer en staf, en Juda erkent dat hij tekort is geschoten. Uit haar worden de tweeling Perez en Zera geboren.

Genesis 38:24-26

5

Borg voor Benjamin

Tijdens de hongersnood weigert Jakob Benjamin mee te laten gaan naar Egypte. Juda stelt zich borg: van mijn hand zult gij hem eisen.

Genesis 43:8-9

6

Pleidooi voor Benjamin

Als de zilveren beker in Benjamins zak wordt gevonden, spreekt Juda namens de broers. Hij vertelt over het verdriet van zijn vader en biedt aan zelf slaaf te blijven in de plaats van de jongen. Daarop maakt Jozef zich bekend (Genesis 45:1).

Genesis 44:18-34

7

Vooruit naar Gosen

Bij de tocht naar Egypte zendt Jakob Juda voor zich uit naar Jozef, "om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen". De broer die eens het verlies van Jozef bewerkte, gaat nu voorop naar de hereniging.

Genesis 46:28

8

De zegen van Jakob

Op zijn sterfbed noemt Jakob Juda de zoon die zijn broers zullen loven, een leeuwenwelp, uit wie de schepter niet zal wijken totdat Silo komt.

Genesis 49:8-12

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Juda beter te begrijpen.

Genesis 29:35

“En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.”

De naamgeving: Lea verbindt de naam Juda met het loven van de HEERE.

Genesis 37:26-27

“Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaelieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.”

Juda redt het leven van Jozef, maar met een voorstel dat om winst draait en van zijn broer een slaaf maakt.

Genesis 38:26

“En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.”

Het keerpunt in Juda’s leven: hij erkent openlijk dat hij Tamar onrecht heeft gedaan.

Genesis 43:9

“Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!”

Juda neemt de verantwoordelijkheid voor Benjamin op zich, met zijn eigen schuld als inzet.

Genesis 44:33

“Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat den jongeling met zijn broederen optrekken!”

Het slot van Juda’s pleidooi: hij biedt zichzelf aan als slaaf in de plaats van Benjamin.

Genesis 49:8

“Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.”

Jakob speelt met de betekenis van de naam: de zoon die lof heet, zal door zijn broers geloofd worden.

Genesis 49:10

“De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.”

De belofte van het koningschap voor Juda, door de kerk van oudsher gelezen als een belofte van de Messias.

Hebreeën 7:14

“Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.”

Het Nieuwe Testament noemt de afstamming van Christus uit Juda een bekend gegeven.

Openbaring 5:5

“En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.”

Het beeld van de leeuw uit Genesis 49:9 keert terug als titel van de verheerlijkte Christus.

Tijdperiode

~1900 v.Chr.

Juda leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Juda leert ons dat niemand vastzit aan zijn slechtste moment. De man die zijn broer voor twintig zilverlingen liet verkopen, bood jaren later zijn eigen vrijheid aan voor een andere broer. Dat gebeurde niet vanzelf. Het begon op de dag dat hij tegenover Tamar zei: "Zij is rechtvaardiger dan ik". Echte verandering begint vaak met een erkenning die ons iets kost. Zijn verhaal laat ook zien hoe lang de gevolgen van zonde kunnen doorwerken. Jarenlang zag Juda zijn vader rouwen om Jozef, en hij wist waarom. In Egypte zeiden de broers tegen elkaar: "Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder" (Genesis 42:21). Toen Jakob Benjamin niet wilde laten gaan, stond Juda tegenover de pijn die hij zelf had helpen veroorzaken. God gebruikte die pijn niet om hem te vernederen, maar om hem tot inkeer te brengen. Verder leren wij van Juda wat verantwoordelijkheid nemen betekent. Hij zei niet alleen dat hij spijt had; hij stelde zich borg en hield woord toen het erop aankwam. Voor ons betekent dat: trouw blijven aan wat wij beloofd hebben, ook wanneer het ons iets gaat kosten. Ten slotte troost Juda's geschiedenis ons met de wetenschap dat God Zijn beloften waarmaakt door mensen heen die het niet verdienen. Uit de stam van een broederverkoper en uit het hoofdstuk van zijn falen kwam de lijn van David en van Christus voort. Dat geeft geen vrijbrief om te zondigen, wel moed voor wie terugkijkt op een verleden met schuld: bij God is er vergeving en een nieuwe toekomst.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Juda

Wie was Juda in de Bijbel?
Juda was de vierde zoon van Jakob en Lea en de stamvader van de stam Juda. Hij stelde voor zijn broer Jozef aan de Ismaëlieten te verkopen, kreeg met zijn schoondochter Tamar de tweeling Perez en Zera, en bood zich later in Egypte aan als slaaf in de plaats van Benjamin. Jakob zegende hem met de belofte dat de schepter niet van hem zou wijken (Genesis 49:10). Uit zijn nageslacht kwamen koning David en Jezus Christus voort.
Wat betekent de naam Juda?
De naam Juda (Hebreeuws Jehoeda) wordt verbonden met lof en loven. Lea gaf haar vierde zoon die naam met de woorden: "Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda" (Genesis 29:35). Jakob speelt later met diezelfde betekenis in zijn zegen: "Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven" (Genesis 49:8). Ook het woord Jood is van de naam Juda afgeleid.
Waar staat Juda in de Bijbel?
Het verhaal van Juda staat in Genesis. Zijn geboorte staat in Genesis 29:35, de verkoop van Jozef in Genesis 37:26-27 en de geschiedenis met Tamar in Genesis 38. In Genesis 43 en 44 staat hij borg voor Benjamin en houdt hij zijn pleidooi voor Jozef, en in Genesis 49:8-12 ontvangt hij de zegen van Jakob. Later noemen onder andere Ruth 4, 1 Kronieken 2, Mattheüs 1:2-3, Hebreeën 7:14 en Openbaring 5:5 hem als stamvader.
Is Juda dezelfde als Judas Iskariot?
Nee. Juda is de zoon van Jakob uit Genesis, die rond 1900 voor Christus leefde. Judas Iskariot was een van de twaalf apostelen van Jezus en verraadde Hem. Judas is wel de Griekse vorm van dezelfde Hebreeuwse naam, en daarom heetten in de tijd van het Nieuwe Testament veel mannen zo. Ook de andere apostel Judas is iemand anders: Johannes 14:22 noemt hem "Judas, niet de Iskariot", en hij wordt doorgaans met Thaddeüs gelijkgesteld (Mattheüs 10:3). Daarnaast had Jezus een broeder Judas (Mattheüs 13:55).
Wat is het verschil tussen Juda en Judea?
Juda is een persoon, de zoon van Jakob. Zijn nakomelingen vormden de stam Juda, die het zuiden van Kanaän kreeg (Jozua 15:1). Na de scheuring van het rijk heette het zuidelijke koninkrijk ook Juda (1 Koningen 12:20). Judea is de latere naam van dat gebied, zoals die in de tijd van het Nieuwe Testament gebruikt werd. De namen Juda, Judea en Jood hangen dus samen, maar de persoon is de oorsprong.
Waarom verkocht Juda zijn broer Jozef?
De broers haatten Jozef, omdat Jakob hem voortrok en omdat hij over zijn dromen vertelde. Zij wilden hem doden, maar Ruben had al voorkomen dat zij hem direct ombrachten. Toen er een karavaan langskwam, zei Juda: "Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaelieten verkopen" (Genesis 37:26-27). Zo bleef Jozef in leven, maar werd hij voor twintig zilverlingen als slaaf verkocht.
Waarom erkende Juda dat Tamar rechtvaardiger was dan hij?
Tamar (in de Statenvertaling Thamar) was de weduwe van Juda’s oudste zoon Er. Volgens het gebruik had zij recht op Sela, de jongste zoon, maar Juda hield hem achter uit angst dat ook hij zou sterven (Genesis 38:11). Toen zij zich vermomde, hield Juda haar voor een hoer en ging tot haar in (Genesis 38:15-16). Later wilde hij haar om haar zwangerschap laten verbranden, tot zij zijn pand toonde. Toen zag hij zijn eigen schuld: "Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb" (Genesis 38:26).
Hoe werd Juda borg voor Benjamin?
Tijdens de hongersnood eiste de onderkoning van Egypte, die Jozef bleek te zijn, dat de broers Benjamin meebrachten. Jakob weigerde eerst. Juda zei toen tegen zijn vader: "Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen" (Genesis 43:9). Toen de zilveren beker in Benjamins zak werd gevonden, hield Juda woord. Hij bood aan zelf slaaf te blijven, "en laat den jongeling met zijn broederen optrekken" (Genesis 44:33).
Wat betekent "De schepter zal van Juda niet wijken"?
Met die woorden zegende Jakob zijn zoon: "De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn" (Genesis 49:10). De schepter is het teken van koninklijke macht. De belofte kreeg vorm toen David uit de stam Juda koning werd. Wie Silo is, wordt verschillend uitgelegd; de Statenvertalers en veel uitleggers zien er een aanduiding van de Messias in.
Waarom wordt Jezus de Leeuw uit de stam van Juda genoemd?
Jakob noemde Juda een leeuwenwelp: "Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van de roof opgeklommen, mijn zoon!" (Genesis 49:9). Jezus stamde via David af van Juda (Mattheüs 1:2-3, Lukas 3:33), en Hebreeën 7:14 noemt dat openbaar. In Openbaring 5:5 heet Hij daarom "de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids". Die titel zegt dat Hij de beloofde Koning uit Juda is, die overwonnen heeft.
Wie waren de broers en zonen van Juda?
Juda had elf broers. Uit zijn moeder Lea waren Ruben, Simeon, Levi, Issaschar en Zebulon geboren (Genesis 35:23); de andere zonen van Jakob waren Jozef, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser. Simeon werd later in Egypte gevangen gehouden (Genesis 42:24). Juda zelf had vijf zonen: Er, Onan en Sela bij de dochter van Sua, en de tweeling Perez en Zera bij Tamar (1 Kronieken 2:3-4). Via Perez loopt de lijn naar David.
Wat kunnen wij leren van Juda?
Juda laat zien dat een mens door Gods leiding kan veranderen. Hij begon als de broer die Jozef voor gewin verkocht en zijn schoondochter onrecht deed. Na zijn erkenning tegenover Tamar groeide hij uit tot de broer die zich borg stelde en zichzelf aanbood voor Benjamin. Wij leren van hem dat schuld belijden het begin van herstel is, dat beloften trouw verdienen en dat God Zijn plan doorzet met mensen die het niet verdienen.

Stel een vraag over Juda

Wilt u meer weten over Juda? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Juda

Bijbelverhalen rond Juda

Verdiep u verder