Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1900 v.Chr.

De twaalf zonen van Jakob in de Bijbel

Zonen van Israël (bene Jisraël, Hebreeuws) - “kinderen Israëls”

Wie waren de twaalf zonen van Jakob?

De twaalf zonen van Jakob waren Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon (zonen van Lea), Jozef en Benjamin (van Rachel), Dan en Naftali (van Bilha) en Gad en Aser (van Zilpa). Zij werden de stamvaders van de twaalf stammen van Israël (Genesis 35:23-26).

De twaalf zonen van Jakob staan aan het begin van het volk Israël. Jakob, die van God de naam Israël kreeg (Genesis 32:28), had zonen bij vier vrouwen: zijn vrouwen Lea en Rachel en hun dienstmaagden Zilpa en Bilha. Genesis vat het samen: "En de zonen van Jakob waren twaalf" (Genesis 35:22). De zonen van Lea waren Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon. De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. Bilha, de dienstmaagd van Rachel, baarde Dan en Naftali, en Zilpa, de dienstmaagd van Lea, baarde Gad en Aser (Genesis 35:23-26). Lea baarde daarnaast een dochter, Dina (Genesis 30:21). De Statenvertaling spelt Naftali als Nafthali. Hun verhaal staat vooral in Genesis 29 tot 50. De geboorten worden verteld in Genesis 29 en 30, met de geboorte van Benjamin in Genesis 35. Genesis 37 en 39 tot en met 50 vertellen de geschiedenis van Jozef en zijn broers: de verkoop, de hongersnood, de verzoening in Egypte en de laatste woorden van hun vader in Genesis 49. Ook Mozes zegende de stammen voor zijn dood (Deuteronomium 33). Uit de twaalf zonen kwamen de twaalf stammen van Israël voort. Bij de verdeling van het land telde de stam Levi niet mee, omdat hij geen eigen gebied kreeg, en Jozef werd twee stammen: Efraïm en Manasse, de zonen die Jakob als eigen zonen had aangenomen (Genesis 48:5, Jozua 14:4). Zo bleef het getal twaalf staan. Over Ruben, Levi, Juda, Jozef en Benjamin is meer te lezen op hun eigen persoonpagina. Hier staan alle twaalf bij elkaar, ieder met zijn moeder, de woorden van Jakob over hem en wat de Bijbel verder van zijn stam vertelt. Gad, de zoon van Jakob, is niet dezelfde als de profeet Gad, de ziener van David. En Simeon, de zoon van Jakob, is niet de oude Simeon die het Kind Jezus in de tempel in zijn armen nam (Lukas 2:25-28).

Historische context

De zonen van Jakob leefden in de tijd van de aartsvaders. De Bijbel geeft geen jaartallen; met een ruime marge wordt hun generatie gewoonlijk rond 1900 voor Christus geplaatst, maar andere chronologieën komen later uit. Elf van hen werden geboren in Paddan-Aram, waar Jakob bij Laban in Haran woonde (Genesis 29:4). Hij bleef daar twintig jaar en zei later tegen zijn oom: "ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochteren, en zes jaren om uw kudde" (Genesis 31:41). Kort na de geboorte van Jozef vroeg Jakob om te mogen vertrekken (Genesis 30:25). Benjamin werd geboren in Kanaän, op de weg naar Efrath, dat is Bethlehem (Genesis 35:19). Dat een man kinderen kreeg bij de dienstmaagd van zijn vrouw, was in die wereld een bekend gebruik; Sara had hetzelfde gedaan met Hagar. Rachel zei over Bilha: "dat zij op mijn knieen bare, en ik ook uit haar gebouwd worde" (Genesis 30:3). De vrouw gaf zulke kinderen hun naam en rekende hen als haar eigen kinderen (Genesis 30:6). De namen die Lea en Rachel gaven, spreken van hun verdriet en wedijver. Hieronder volgen de twaalf zonen een voor een, in de volgorde van hun geboorte, elk met de woorden van zijn moeder en van Jakob (Genesis 49). Wij geven alleen de naamsverklaringen die Genesis zelf geeft. Ruben, de eerstgeborene van Lea, kreeg zijn naam omdat de HEERE haar verdrukking had aangezien (Genesis 29:32). Hij redde Jozef van de dood (Genesis 37:21-22), maar verloor zijn voorrang omdat hij bij Bilha had gelegen (Genesis 35:22, 1 Kronieken 5:1). Jakob zei: "Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn!" (Genesis 49:4). Zijn stam woonde ten oosten van de Jordaan. Simeon, de tweede zoon van Lea, kreeg zijn naam omdat de HEERE gehoord had dat zij gehaat was (Genesis 29:33). Met Levi nam hij wraak in Sichem (Genesis 34:25). In Egypte hield Jozef hem gevangen en bond hem voor de ogen van zijn broers (Genesis 42:24). Jakob noemt hem met Levi: "ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israel" (Genesis 49:7). Zijn stam kreeg zijn erfdeel "in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda" (Jozua 19:1). In de zegen van Mozes in Deuteronomium 33 komt Simeon niet voor. Levi, de derde zoon van Lea, kreeg zijn naam omdat Lea zei: "Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen" (Genesis 29:34). Hij deelde in de wraak van Simeon en in het oordeel over hun toorn (Genesis 49:5-7). Toch werden zijn nakomelingen de priesters en Levieten, met Mozes en Aaron, en kreeg zijn stam geen land, omdat de HEERE Zelf hun erfdeel was (Jozua 13:33). Juda, de vierde zoon, kreeg zijn naam bij Lea’s woord: "Ditmaal zal ik den HEERE loven" (Genesis 29:35). Hij stelde voor Jozef te verkopen (Genesis 37:26-27), maar stelde zich later borg voor Benjamin (Genesis 43:9) en bood aan zelf slaaf te blijven (Genesis 44:33). Jakob zei: "De schepter zal van Juda niet wijken" (Genesis 49:10). Uit Juda kwamen David en de Heere Jezus (Hebreeën 7:14). Dan, de eerste zoon van Bilha, kreeg zijn naam omdat Rachel zei: "God heeft mij gericht" (Genesis 30:6). Jakob zei: "Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels" (Genesis 49:16), en ook: "Dan zal een slang zijn aan den weg" (Genesis 49:17). Simson kwam uit deze stam (Richteren 13:2). De Danieten trokken later naar het noorden, noemden de stad Laïs naar hun vader Dan (Richteren 18:29) en richtten daar een gesneden beeld op (Richteren 18:30). Naftali, de tweede zoon van Bilha, kreeg zijn naam bij Rachels woord: "Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld" (Genesis 30:8). Jakob noemde hem "een losgelaten hinde" die "schone woorden" geeft (Genesis 49:21). Barak kwam van Kedes in Naftali (Richteren 4:6). Zijn gebied lag in Galilea, waar de Heere Jezus te Kapernaum kwam wonen, "in de landpale van Zebulon en Nafthali" (Mattheüs 4:13). Gad, de eerste zoon van Zilpa, kreeg zijn naam toen Lea zei: "Er komt een hoop!" (Genesis 30:11). Jakob zei: "een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde" (Genesis 49:19). De stam Gad had veel vee (Numeri 32:1-5) en kreeg met Ruben en de halve stam Manasse land ten oosten van de Jordaan (Numeri 32:33). Aser, de tweede zoon van Zilpa, dankt zijn naam aan Lea’s woord: "Tot mijn geluk!" (Genesis 30:13). Jakob zei: "zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren" (Genesis 49:20), en Mozes zegende hem: hij zou "zijn voet in olie" dopen (Deuteronomium 33:24). De profetes Anna, die het Kind Jezus in de tempel zag, was "uit den stam van Aser" (Lukas 2:36). Issaschar, de vijfde zoon van Lea, werd geboren na het verhaal van de dudaim; Lea zei: "God heeft mijn loon gegeven" (Genesis 30:18). Jakob noemde hem "een sterk gebeende ezel" die zijn schouder boog om te dragen (Genesis 49:14-15). In de tijd van David noemt Kronieken de hoofden van Issaschar mannen "die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest" (1 Kronieken 12:32). Zebulon, de zesde zoon van Lea, kreeg zijn naam omdat Lea hoopte: "ditmaal zal mijn man mij bijwonen" (Genesis 30:20). Jakob zei dat hij "aan de haven der zeeen" zou wonen (Genesis 49:13). Debora prees Zebulon als "een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood" (Richteren 5:18). Jozef, de eerste zoon van Rachel, kreeg zijn naam bij haar gebed: "De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe" (Genesis 30:24). Hij was de lievelingszoon van zijn vader, werd verkocht en werd onderkoning van Egypte. Jakob noemde hem "een vruchtbare tak" (Genesis 49:22). Zijn zonen Efraïm en Manasse werden twee stammen. Benjamin, de jongste, werd geboren toen Rachel stierf. Zij noemde hem Ben-oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin (Genesis 35:18). Jakob zei: "Benjamin zal als een wolf verscheuren" (Genesis 49:27). Uit zijn stam kwamen koning Saul (1 Samuël 9:1-2) en de apostel Paulus (Filippenzen 3:5).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Ruben en later Juda kwamen op voor hun jongere broers (Genesis 37:21-22, Genesis 44:33)
  • In Egypte erkenden de broers onder elkaar hun schuld aan Jozef (Genesis 42:21)
  • Zij zorgden in de hongersnood samen voor het huis van hun vader (Genesis 42:3)
  • Zij volbrachten de laatste wil van Jakob en begroeven hem in Kanaän (Genesis 50:12-13)

−Zwakke kanten

  • Haat en nijd tegen Jozef, de lievelingszoon van hun vader (Genesis 37:4)
  • Bedrog en geweld in Sichem (Genesis 34:13)
  • Zij verkochten hun broer en misleidden hun vader met zijn bebloede rok (Genesis 37:31-33)

Theologische betekenis

De twaalf zonen van Jakob laten zien hoe God Zijn volk begint. Zij kwamen voort uit een huis waar liefde ongelijk verdeeld was, waar vrouwen met elkaar wedijverden en broers elkaar haatten. De Schrift verzwijgt dat niet. Stefanus vat het later samen: "En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef" (Handelingen 7:9). Toch zijn juist zij de stamvaders van Gods volk. Dat is genade, geen beloning. In de geschiedenis van de broers ligt ook een weg van schuld naar verzoening. In Egypte zeiden zij tegen elkaar: "Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder" (Genesis 42:21). Juda, die eerst voorstelde Jozef te verkopen, bood later zichzelf aan als slaaf in de plaats van Benjamin (Genesis 44:33). En Jozef kon zeggen dat God het kwade ten goede had gedacht, "om een groot volk in het leven te behouden" (Genesis 50:20). Gods voorzienigheid gaat door menselijke zonde heen zonder die goed te praten. Jakobs zegen in Genesis 49 is meer dan een afscheid. Hij spreekt over "hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal" (Genesis 49:1). Het zwaarste gewicht ligt op Juda: "De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt" (Genesis 49:10). De christelijke kerk heeft daarin van oudsher een belofte van de Messias gelezen. Het Nieuwe Testament noemt Christus "de Leeuw, Die uit den stam van Juda is" (Openbaring 5:5). Het getal twaalf blijft in de hele Bijbel het teken van het volk van God. De hogepriester droeg de twaalf namen op zijn borstschild voor het aangezicht van de HEERE (Exodus 28:21). Elia bouwde in de tijd van het verdeelde rijk een altaar van twaalf stenen, "naar het getal der stammen van de kinderen Jakobs" (1 Koningen 18:31). De Heere Jezus koos twaalf apostelen en beloofde dat zij zouden zitten op twaalf tronen, "oordelende de twaalf geslachten Israels" (Mattheüs 19:28). In het nieuwe Jeruzalem staan de namen van de twaalf geslachten op de poorten en die van de twaalf apostelen op de fundamenten (Openbaring 21:12-14). Zo verbindt de Schrift het oude en het nieuwe volk van God in één stad.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Zonen van Israël (bene Jisraël, Hebreeuws)

Betekenis

kinderen Israëls

Sleutelmomenten

1

Lea baart vier zonen

De HEERE zag dat Lea gehaat was en opende haar baarmoeder. Zij baarde Ruben, Simeon, Levi en Juda, en gaf hun namen die spreken van haar verlangen naar de liefde van Jakob en, bij Juda, van lof aan de HEERE.

Genesis 29:31-35

2

Zonen van Bilha, Zilpa, Lea en Rachel

Rachel gaf haar dienstmaagd Bilha aan Jakob, die Dan en Naftali baarde. Lea deed hetzelfde met Zilpa, die Gad en Aser baarde. Daarna baarde Lea nog Issaschar en Zebulon, en ten slotte gaf God Rachel een zoon, Jozef.

Genesis 30:1-24

3

Benjamin, de twaalfde

Op de weg naar Efrath stierf Rachel bij de geboorte van Benjamin. Genesis telt daarna de zonen van Jakob op: "En de zonen van Jakob waren twaalf" (Genesis 35:22).

Genesis 35:16-26

4

Jozef verkocht

Bij Dothan grepen de broers Jozef. Op voorstel van Juda verkochten zij hem voor twintig zilverlingen, en aan hun vader lieten zij zijn rok in bloed gedoopt zien (Genesis 37:31-33).

Genesis 37:26-28

5

Jozef maakt zich bekend

Na twee reizen naar Egypte en de proef met Benjamin maakte Jozef zich bekend: "Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt." Hij wees hen erop dat God hem vooruit had gezonden tot behoud van het leven.

Genesis 45:4-5

6

Naar Egypte

God beloofde Jakob dat Hij hem in Egypte tot een groot volk zou maken (Genesis 46:3). Met zijn zonen en kleinzonen trok hij erheen; het huis van Jakob telde zeventig zielen.

Genesis 46:8-27

7

Jakob zegent zijn zonen

Op zijn sterfbed riep Jakob zijn zonen bij elkaar en sprak over ieder een eigen woord, van Ruben tot Benjamin. "Al deze stammen van Israel zijn twaalf" (Genesis 49:28).

Genesis 49:1-28

8

Jakobs laatste opdracht

Jakob gebood zijn zonen hem te begraven in de spelonk van Machpela, bij Abraham, Izak en Lea. Daarna stierf hij. Zijn zonen deden wat hij hun geboden had (Genesis 50:12-13).

Genesis 49:29-33

9

De verzegelden uit de stammen

Johannes hoort dat er uit elk van de twaalf geslachten twaalfduizend verzegeld worden. In deze lijst staan Jozef en Manasse, en ontbreken Dan en Efraïm.

Openbaring 7:4-8

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de twaalf zonen van Jakob beter te begrijpen.

Genesis 35:23-26

“De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon. De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali. En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.”

De volledige lijst van de twaalf zonen, geordend naar hun moeders. Benjamin werd in Kanaän geboren, maar wordt in deze samenvatting meegeteld.

Genesis 42:21

“Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.”

In Egypte, tegenover de onderkoning die zij niet herkennen, erkennen de broers voor het eerst hun schuld aan Jozef.

Genesis 49:1

“Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.”

Het begin van Jakobs laatste woorden. Hij spreekt niet alleen over zijn zonen, maar over de toekomst van hun stammen.

Genesis 49:28

“Al deze stammen van Israel zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.”

Hier worden de zonen voor het eerst stammen genoemd. Ieder krijgt een eigen zegen.

Exodus 28:21

“En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen van Israel, met hun namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn.”

De hogepriester draagt de namen van de twaalf zonen op het borstschild, als hij voor de HEERE verschijnt.

Jozua 14:4

“Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraim; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.”

De verklaring waarom er bij de verdeling van het land toch twaalf stammen zijn: Jozef telt dubbel en Levi krijgt geen gebied.

Mattheüs 19:28

“En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.”

De Heere Jezus verbindt Zijn twaalf apostelen met de twaalf geslachten van Israël.

Openbaring 7:4

“En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels.”

Het begin van de lijst van de verzegelden, twaalfduizend uit elk van twaalf geslachten (Openbaring 7:5-8).

Openbaring 21:12

“En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israels.”

De namen van de twaalf zonen van Jakob staan op de poorten van het nieuwe Jeruzalem.

Tijdperiode

~1900 v.Chr.

De twaalf zonen van Jakob leefden in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

De twaalf zonen van Jakob waren geen helden. Wij lezen over jaloezie, geweld in Sichem, een broer die als slaaf verkocht werd en een vader die jaren werd misleid. Dat de Bijbel dit allemaal vertelt, is eerlijk en troostend tegelijk. God kiest Zijn volk niet omdat het beter is dan anderen. Ook vandaag bouwt Hij Zijn gemeente uit mensen die tekortschieten. Het verhaal laat zien hoe lang schuld kan blijven liggen. Pas na ruim twintig jaar, in de nood van Egypte, zeiden de broers: "Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder" (Genesis 42:21). God bracht hen daar stap voor stap, tot zij de waarheid onder ogen zagen. Wie iets verbergt wat hij een ander heeft aangedaan, mag weten dat erkenning de weg naar verzoening opent. Jakobs zegen was niet voor ieder hetzelfde. Juda kreeg de schepter, Jozef de vruchtbaarheid, Levi een oordeel over zijn toorn dat later een roeping werd, Issaschar een leven van dragen en dienen. Jakob "zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen" (Genesis 49:28). Wij hoeven ons niet aan elkaar te meten. God geeft ieder een eigen plaats in Zijn volk. De namen van deze twaalf lopen door tot de laatste bladzijden van de Bijbel. Zij staan op de poorten van het nieuwe Jeruzalem (Openbaring 21:12). Gods trouw aan Zijn volk houdt niet op bij één generatie. Wie door Christus bij dat volk hoort, gaat door die poorten de stad binnen.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over de twaalf zonen van Jakob

Wie waren de twaalf zonen van Jakob in de Bijbel?
De twaalf zonen van Jakob waren Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon, die hij bij Lea kreeg; Jozef en Benjamin, de zonen van Rachel; Dan en Naftali, de zonen van Rachels dienstmaagd Bilha; en Gad en Aser, de zonen van Lea’s dienstmaagd Zilpa (Genesis 35:23-26). Elf werden geboren in Paddan-Aram, Benjamin in Kanaän. Uit hen kwamen de twaalf stammen van Israël voort.
Wat zijn de twaalf stammen van Israël?
De twaalf stammen van Israël zijn de nakomelingen van de twaalf zonen van Jakob. Jakob noemde hen op zijn sterfbed al stammen: "Al deze stammen van Israel zijn twaalf" (Genesis 49:28). Bij de verdeling van het land kreeg de stam Levi geen eigen gebied, maar steden verspreid over het land. Jozef werd twee stammen, Efraïm en Manasse (Jozua 14:4). Zo bleven er twaalf stammen met een eigen erfdeel: Ruben, Simeon, Juda, Issaschar, Zebulon, Dan, Naftali, Gad, Aser, Benjamin, Efraïm en Manasse.
Waar staan de twaalf zonen van Jakob in de Bijbel?
Hun geboorte staat in Genesis 29:31-35, Genesis 30:1-24 en Genesis 35:16-18, met een overzicht in Genesis 35:22-26. De geschiedenis van Jozef en zijn broers loopt van Genesis 37 tot en met 50, met de lijst van wie naar Egypte trok in Genesis 46. Jakobs zegen over ieder van hen staat in Genesis 49, de zegen van Mozes over de stammen in Deuteronomium 33. In het Nieuwe Testament worden de stammen genoemd in onder meer Mattheüs 19:28, Openbaring 7:4-8 en Openbaring 21:12.
In welke volgorde werden de zonen van Jakob geboren?
Volgens Genesis 29 en 30 werden eerst Ruben, Simeon, Levi en Juda geboren uit Lea. Daarna kreeg Bilha Dan en Naftali, en Zilpa Gad en Aser. Toen baarde Lea nog Issaschar en Zebulon, en daarna haar dochter Dina. Rachel baarde Jozef, en Benjamin werd als laatste geboren, op de weg naar Efrath (Genesis 35:16-18). Volgens de gangbare berekening werden elf kinderen binnen ongeveer zeven jaar geboren (Genesis 29:27-30, Genesis 30:25, Genesis 31:41), dus overlapten sommige geboorten waarschijnlijk.
Wat betekenen de namen van de zonen van Jakob?
Genesis verbindt elke naam met een uitroep van de moeder. Bij Ruben zei Lea dat de HEERE haar verdrukking had aangezien, bij Simeon dat Hij gehoord had, bij Levi dat haar man zich bij haar zou voegen, en bij Juda: "Ditmaal zal ik den HEERE loven" (Genesis 29:35). Rachel zei bij Dan "God heeft mij gericht" en bij Naftali dat zij geworsteld had. Lea zei bij Gad "Er komt een hoop!" en bij Aser "Tot mijn geluk!". Issaschar en Zebulon spreken van loon en bijwonen, Jozef van een gebed om nog een zoon (Genesis 30). Rachel noemde haar laatste zoon Ben-oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin (Genesis 35:18).
Waarom zijn Efraïm en Manasse stammen van Israël?
Efraïm en Manasse waren zonen van Jozef en zijn Egyptische vrouw Asnath. Jakob nam hen als eigen zonen aan: "Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon" (Genesis 48:5). Daardoor kreeg Jozef een dubbel erfdeel, en 1 Kronieken 5:1 zegt dat de eerstgeboorte van Ruben aan de kinderen van Jozef werd gegeven. Bij de verdeling van het land telden zij als twee stammen (Jozua 14:4), terwijl Levi geen gebied kreeg.
Waarom ontbreekt Dan in Openbaring 7?
In de lijst van verzegelden in Openbaring 7:5-8 ontbreken Dan en Efraïm, terwijl Levi, Jozef en Manasse wel genoemd worden. De tekst geeft geen reden. Wij doen er goed aan daar niet meer van te maken dan er staat. Andere lijsten zijn ook verschillend samengesteld: Deuteronomium 33 noemt Simeon niet, en Ezechiël 48:32 geeft Dan wel een poort in de stad.
Welke zegen gaf Jakob zijn zonen op zijn sterfbed?
Jakob riep zijn zonen bij elkaar om hun te zeggen wat hun "in de navolgende dagen wedervaren zal" (Genesis 49:1). Ruben verloor zijn voorrang, Simeon en Levi kregen een oordeel over hun toorn, en Juda kreeg de schepter "totdat Silo komt" (Genesis 49:10). Zebulon zou aan de zee wonen, Issaschar dragen en dienen, Dan zijn volk richten. Over Jozef sprak hij de rijkste zegen uit, en Benjamin noemde hij een wolf. Midden in zijn woorden bad hij: "Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!" (Genesis 49:18).
Is Gad de zoon van Jakob dezelfde als Gad de ziener?
Nee. Gad de zoon van Jakob was de eerste zoon van Zilpa, de dienstmaagd van Lea, en de stamvader van de stam Gad (Genesis 30:10-11). Gad de ziener leefde eeuwen later, in de tijd van David. De Bijbel noemt hem "den profeet Gad, Davids ziener" (2 Samuël 24:11). Hij raadde David aan naar het land van Juda te gaan (1 Samuël 22:5). Beide mannen dragen dezelfde naam, maar hebben niets met elkaar te maken.
Wat gebeurde er met de tien stammen van het noordrijk?
Na Salomo viel het rijk uiteen. Tien stammen vormden het noordrijk Israël, en Juda en Benjamin het zuidrijk. In het negende jaar van koning Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in "en voerde Israel weg in Assyrie" (2 Koningen 17:6). De Bijbel spreekt niet van verloren stammen. In de tijd van koning Hiskia kwamen mensen uit Aser, Manasse en Zebulon naar het Pascha in Jeruzalem (2 Kronieken 30:11), en de profetes Anna was "uit den stam van Aser" (Lukas 2:36).
Wat betekenen de twaalf stammen in het Nieuwe Testament?
De Heere Jezus koos twaalf apostelen en beloofde hun dat zij zouden zitten op twaalf tronen, "oordelende de twaalf geslachten Israels" (Mattheüs 19:28). Jakobus schrijft zijn brief "aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn" (Jakobus 1:1). In Openbaring 7 worden uit elk geslacht twaalfduizend verzegeld, en het nieuwe Jeruzalem heeft twaalf poorten met de namen van de geslachten en twaalf fundamenten met de namen van de apostelen (Openbaring 21:12-14).
Wat kunnen wij leren van de twaalf zonen van Jakob?
De twaalf zonen van Jakob leren ons dat God Zijn volk bouwt uit genade. Zij waren jaloers, logen tegen hun vader en verkochten hun broer, maar God bracht hen tot schuldbelijdenis en verzoening (Genesis 42:21, Genesis 45:4-5). Ieder kreeg van Jakob een eigen zegen (Genesis 49:28), zodat wij ons niet aan elkaar hoeven te meten. En hun namen op de poorten van het nieuwe Jeruzalem laten zien dat Gods trouw aan Zijn volk niet ophoudt.

Stel een vraag over de twaalf zonen van Jakob

Wilt u meer weten over de twaalf zonen van Jakob? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over de twaalf zonen van Jakob

Bijbelverhalen rond de twaalf zonen van Jakob

Verdiep u verder