Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~590 v.Chr.

Ezechiël in de Bijbel

Jechezkel (יְחֶזְקֵאל, Hebreeuws) - “God sterkt, of God maakt sterk”

Wie was Ezechiël?

Ezechiël was een priester die in 597 voor Christus met koning Jojachin naar Babel werd weggevoerd. Bij de rivier Chebar zag hij de heerlijkheid des HEEREN en werd hij profeet (Ezechiël 1:1-3). Hij kondigde de val van Jeruzalem aan en daarna herstel: een nieuw hart en levend gemaakte dorre beenderen.

Ezechiël is de profeet van de ballingschap. Hij profeteerde niet in Jeruzalem, maar ver daarvandaan, "in het midden der weggevoerden" bij de rivier Chebar in Babel (Ezechiël 1:1). Het boek dat zijn naam draagt, telt 48 hoofdstukken en is grotendeels in de ik-vorm geschreven. Zijn naam zelf komt maar twee keer voor: in Ezechiël 1:3, waar hij "Ezechiel, den zoon van Buzi, den priester" heet, en in Ezechiël 24:24. De Statenvertaling schrijft Ezechiel, zonder trema. Het boek volgt een duidelijke lijn. De hoofdstukken 1 tot en met 24 gaan over het oordeel over Jeruzalem, dat nog overeind stond toen Ezechiël begon. Met visioenen en opvallende tekenhandelingen moest hij een volk dat op een snelle terugkeer hoopte, voorbereiden op de verwoesting van stad en tempel. De hoofdstukken 25 tot en met 32 bevatten profetieën tegen de omringende volken, onder meer Tyrus en Egypte. Vanaf hoofdstuk 33, als het bericht komt dat de stad gevallen is, gaat het over herstel: de goede Herder, het nieuwe hart, de dorre beenderen en ten slotte een groot visioen van een nieuwe tempel (hoofdstuk 40 tot en met 48). God spreekt Ezechiël steeds aan met "mensenkind", meer dan negentig keer. Dat woord benadrukt het verschil tussen de heilige God en de sterfelijke mens die Hij als bode gebruikt. "Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken" (Ezechiël 2:1) is het eerste wat hij hoort na het visioen van de troon. Ezechiël was een tijdgenoot van Jeremia, die in Jeruzalem bleef, en van Daniël, die aan het hof in Babel diende. Niet te verwarren met koning Hiskia (in de Statenvertaling Hizkia, in Mattheüs 1:9 Ezekias), die ruim een eeuw eerder leefde.

Historische context

Ezechiël leefde in de laatste jaren van het koninkrijk Juda en de eerste decennia van de ballingschap. Het Babylonische rijk was onder Nebukadnezar de grootmacht van het Nabije Oosten geworden. In 597 voor Christus, een jaartal dat ook buiten de Bijbel in de Babylonische kroniek vastligt, belegerde Nebukadnezar Jeruzalem; koning Jojachin gaf zich over en werd met zijn hof, de vorsten, de strijdbare mannen en de ambachtslieden weggevoerd (2 Koningen 24:10-16). Ezechiël behoorde tot die groep. Hij rekent zijn jaartallen vanaf die gebeurtenis: zijn roeping viel in "het vijfde jaar van de wegvoering van den koning Jojachin" (Ezechiël 1:2), rond 593 voor Christus. De laatste gedateerde profetie stamt uit het zevenentwintigste jaar (Ezechiël 29:17), ongeveer 571 voor Christus. In Jeruzalem regeerde intussen Zedekia, door Babel op de troon gezet. Hij kwam in opstand, en in 586 voor Christus (sommigen rekenen 587) werden de stad en de tempel verwoest (2 Koningen 25:8-9). Ezechiël had in een tekenhandeling voorzegd dat "de vorst" door de muur zou vluchten en in Babel zou sterven zonder het land te zien (Ezechiël 12:12-13). Het nieuws van de val bereikte de ballingen in het twaalfde jaar van hun wegvoering, toen een ontkomene zei: "De stad is geslagen" (Ezechiël 33:21). De ballingen woonden in eigen nederzettingen. Ezechiël woonde onder de weggevoerden te Tel-Abib (Ezechiël 3:15) en had een eigen huis, waar de oudsten van Juda voor zijn aangezicht zaten (Ezechiël 8:1). Later kwamen ook mannen uit de oudsten van Israël "om den HEERE te vragen" (Ezechiël 20:1). De rivier Chebar was waarschijnlijk een irrigatiekanaal; kleitabletten uit het archief van de familie Murasju bij Nippur, uit de vijfde eeuw voor Christus, noemen een kanaal met een verwante naam. Jeremia schreef in dezelfde jaren vanuit Jeruzalem een brief aan deze weggevoerden (Jeremia 29:1). Als priester kende Ezechiël de tempeldienst van binnenuit. Dat verklaart zijn aandacht voor rein en onrein, voor de heiligheid van Gods huis en voor de nauwkeurige maten van de nieuwe tempel. De uitdrukking "het dertigste jaar" in Ezechiël 1:1 wordt vaak opgevat als zijn leeftijd, omdat de Levieten volgens Numeri 4:3 vanaf hun dertigste jaar dienst deden in de tent der samenkomst. Zeker is dat niet; er zijn ook andere verklaringen. Over zijn dood zegt de Bijbel niets. Volgens een latere joodse overlevering ligt zijn graf bij Al-Kifl in het huidige Irak. De Talmud (Sjabbat 13b) vermeldt dat sommige rabbijnen aarzelden over het boek, omdat de voorschriften in de hoofdstukken 40 tot en met 48 niet overal met de wet van Mozes overeenkomen; het bleef toch in de canon.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Ontzag voor God: bij het zien van Zijn heerlijkheid viel hij op zijn aangezicht (Ezechiël 1:28)
  • Trouw als wachter, ook tegenover een wederspannig huis (Ezechiël 3:17)
  • Gehoorzaam tot in zijn persoonlijk verdriet (Ezechiël 24:18)
  • Bewogen met zijn volk: hij riep het uit toen Pelatja stierf (Ezechiël 11:13)
  • Standvastig doordat God hem sterk maakte: "Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots" (Ezechiël 3:9)

−Zwakke kanten

  • Kende innerlijke weerstand na zijn roeping: hij ging "bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestes" (Ezechiël 3:14)
  • Pleitte bij God toen hij zijn brood op onreine wijze moest bereiden; God kwam hem daarin tegemoet (Ezechiël 4:14-15)

Theologische betekenis

Het boek Ezechiël opent en sluit met de heerlijkheid des HEEREN. Bij de Chebar ziet de profeet Gods troon, met "een rad in het midden van een rad" (Ezechiël 1:16). Veel uitleggers lezen daarin dat de HEERE niet aan één plaats gebonden is en ook in het land van de ballingschap verschijnt. Daarna ziet hij hoe die heerlijkheid de tempel verlaat (Ezechiël 10:18-19, Ezechiël 11:22-23), en aan het slot hoe zij terugkeert in een nieuw huis (Ezechiël 43:1-5). Het boek eindigt met de naam van de stad: "De HEERE Is ALDAAR" (Ezechiël 48:35). Gods aanwezigheid bij Zijn volk is de rode draad. Gereformeerde uitleggers lezen het tempelvisioen meestal niet als bouwplan voor een latere tempel, maar als belofte dat God weer bij Zijn volk woont; het Nieuwe Testament spreekt van Christus als de tempel (Johannes 2:21) en van "de tabernakel Gods" bij de mensen (Openbaring 21:3). Bekend is Ezechiëls nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid. Tegen het spreekwoord dat de kinderen boeten voor de zonden van hun vaders, zegt God: "De ziel, die zondigt, die zal sterven" (Ezechiël 18:20). Dat is geen kil vonnis, want het hoofdstuk eindigt met een uitnodiging: "daarom bekeert u en leeft" (Ezechiël 18:32). God heeft geen lust aan de dood van de goddeloze (Ezechiël 33:11). De belofte van het nieuwe hart (Ezechiël 36:25-28) is een van de kernteksten over de vernieuwing door de Heilige Geest. God reinigt met rein water, neemt het stenen hart weg en geeft Zijn Geest, zodat Zijn volk in Zijn inzettingen wandelt. Het visioen van de dorre beenderen (Ezechiël 37:1-14) beeldt hetzelfde uit: God opent graven en geeft leven. Veel uitleggers zien in de woorden van Jezus over geboren worden "uit water en Geest" (Johannes 3:5) een echo van Ezechiël 36. Ezechiël 34 belooft dat God Zelf Zijn schapen zal zoeken en "een enigen Herder" zal verwekken, "Mijn knecht David" (Ezechiël 34:23). Die belofte wijst vooruit naar de Messias uit Davids huis. Jezus noemt Zichzelf "de goede Herder" (Johannes 10:11) en zegt dat Hij gekomen is "om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was" (Lukas 19:10); vergelijk "Het verlorene zal Ik zoeken" (Ezechiël 34:16). Ook Openbaring neemt beelden uit Ezechiël over: de vier dieren rond de troon (Openbaring 4:6-7), het boekje dat zoet is als honig (Openbaring 10:9-10), Gog en Magog (Openbaring 20:8) en de rivier van het water des levens (Openbaring 22:1-2). Bij Ezechiël stroomt die rivier uit het heiligdom en maakt zij de wateren van de zee gezond, meestal opgevat als de Dode Zee (Ezechiël 47:8-12).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Jechezkel (יְחֶזְקֵאל, Hebreeuws)

Betekenis

God sterkt, of God maakt sterk

Betekenis van de naam Ezechiël: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Visioen bij de Chebar

In het vijfde jaar van de wegvoering werden de hemelen geopend. Ezechiël zag vier dieren, raderen en een troon, en daarop "de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN".

Ezechiël 1:1-3

2

Wachter over Israël

Na zeven dagen, waarin hij verbaasd tussen de ballingen zat, stelde God hem tot wachter. Wie de goddeloze niet waarschuwde, zou voor diens bloed verantwoordelijk zijn.

Ezechiël 3:16-21

3

Het beleg uitgebeeld

Ezechiël tekende Jeruzalem op een tichelsteen en beeldde het beleg uit. Hij lag 390 dagen op zijn linkerzijde en 40 dagen op zijn rechterzijde, "elken dag voor elk jaar".

Ezechiël 4:1-6

4

De heerlijkheid verlaat de tempel

In een visioen werd hij naar Jeruzalem gebracht en zag hij de gruwelen in de tempel (Ezechiël 8:5-6). Daarna zag hij de heerlijkheid des HEEREN van de dorpel opgaan en bij de Oostpoort staan; later verliet zij de stad naar de berg in het oosten (Ezechiël 11:22-23).

Ezechiël 10:18-19

5

De dood van zijn vrouw

God kondigde aan dat Hij "den lust uwer ogen" zou wegnemen. Ezechiëls vrouw stierf in de avond, en hij hield geen dodenrouw, als teken voor het volk.

Ezechiël 24:15-18

6

De stad is geslagen

Een vluchteling uit Jeruzalem bracht het bericht van de val. De avond ervoor was Ezechiëls mond geopend, "en ik was niet meer stom".

Ezechiël 33:21-22

7

De dorre beenderen

In een vallei vol dorre beenderen moest hij profeteren. De beenderen kwamen samen, de geest kwam in hen, en zij stonden op als "een gans zeer groot heir".

Ezechiël 37:1-14

8

De heerlijkheid keert terug

In het visioen van een nieuwe tempel zag hij de heerlijkheid des HEEREN uit het oosten terugkomen: "de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld".

Ezechiël 43:1-5

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Ezechiël beter te begrijpen.

Ezechiël 1:28

“Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.”

Het slot van het roepingsvisioen. Ezechiël beschrijft voorzichtig: geen God Zelf, maar de gelijkenis van Zijn heerlijkheid.

Ezechiël 2:1

“En Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.”

Het eerste woord tot de profeet. "Mensenkind" wordt de vaste aanspraak in het hele boek.

Ezechiël 3:17

“Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.”

De opdracht van de wachter, herhaald in Ezechiël 33:7. Ezechiël spreekt niet uit zichzelf, maar geeft door wat hij hoort.

Ezechiël 18:32

“Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft.”

Het slot van het hoofdstuk over persoonlijke verantwoordelijkheid. Het oordeel staat in dienst van de oproep tot bekering.

Ezechiël 24:24

“Alzo zal ulieden Ezechiel tot een wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten, dat Ik de Heere HEERE ben.”

Een van de twee plaatsen waar zijn naam staat. Zijn verlies wordt een teken van wat het volk zal overkomen.

Ezechiël 34:23

“En Ik zal een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.”

Na de aanklacht tegen de herders die zichzelf weiden, belooft God één Herder uit het huis van David.

Ezechiël 36:26

“En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.”

De kern van de herstelbelofte. Het volk kan zichzelf niet vernieuwen; God doet het.

Ezechiël 37:3

“En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!”

Het begin van het visioen van de dorre beenderen. Ezechiël legt het antwoord bij God, Die alleen leven kan geven.

Ezechiël 48:35

“Rondom achttien duizend; en de naam der stad zal van dien dag af zijn: De HEERE Is ALDAAR.”

Het laatste vers van het boek. Wat begon met de heerlijkheid die de tempel verliet, eindigt met Gods blijvende aanwezigheid.

Tijdperiode

~590 v.Chr.

Ezechiël leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Bijbelboeken over Ezechiël

Lessen voor vandaag

Ezechiël leert ons dat God Zijn volk ook buiten de vertrouwde plaatsen opzoekt. De ballingen dachten dat zij met de tempel ook God kwijt waren, maar juist bij de Chebar werden de hemelen geopend. Wie zich ver van huis voelt, door verlies, ziekte of een kerkelijk leven dat uiteenvalt, mag weten dat de HEERE niet aan één plek gebonden is. Het beeld van de wachter vraagt om eerlijkheid. Wie Gods woord kent, mag het niet voor zich houden uit angst voor reacties. Tegelijk ligt de uitkomst niet bij ons: Ezechiël moest spreken, "hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen" (Ezechiël 2:7). Trouw weegt zwaarder dan succes. Ezechiël 33 waarschuwt ook de hoorders. Het volk kwam graag luisteren en vond de profeet "als een lied der minnen"; God zei erover: "daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet" (Ezechiël 33:32). Het is mogelijk om met plezier naar preken te luisteren zonder dat het leven verandert. En boven alles staat de belofte van het nieuwe hart. Bij de dorre beenderen vroeg God of zij levend konden worden, en Ezechiël antwoordde: "Heere HEERE, Gij weet het!" (Ezechiël 37:3). Wanneer wij bij onszelf of bij anderen geen leven meer zien, blijft het Gods werk om door Zijn Geest een stenen hart te vervangen door een hart van vlees.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Ezechiël

Wie was Ezechiël in de Bijbel?
Ezechiël was een priester, de zoon van Buzi, die in 597 voor Christus met koning Jojachin naar Babel werd weggevoerd. In het vijfde jaar van die wegvoering, rond 593 voor Christus, riep God hem bij de rivier Chebar tot profeet (Ezechiël 1:1-3). Hij profeteerde ruim twintig jaar onder de ballingen. Eerst kondigde hij de val van Jeruzalem aan, daarna het herstel van Gods volk: een nieuw hart, de ene Herder uit het huis van David en een nieuwe tempel.
Wat betekent de naam Ezechiël?
De Hebreeuwse naam Jechezkel betekent: God sterkt, of God maakt sterk. Die naam past bij zijn roeping. God zond hem naar een volk dat "stijf van voorhoofd, en hard van hart" was, en maakte de profeet daartegen bestand: "Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten" (Ezechiël 3:7-8). Het Hebreeuwse woord voor stijf of sterk in die verzen heeft dezelfde stam als zijn naam.
Waar staat Ezechiël in de Bijbel?
Het verhaal van Ezechiël staat in het bijbelboek Ezechiël, dat 48 hoofdstukken telt en grotendeels in de ik-vorm is geschreven. Zijn naam komt er maar twee keer in voor: in Ezechiël 1:3 en Ezechiël 24:24. Elders in de Bijbel wordt hij niet genoemd. De hoofdstukken 1 tot en met 24 gaan over het oordeel over Jeruzalem, 25 tot en met 32 over de volken rondom, en 33 tot en met 48 over het herstel en de nieuwe tempel.
Hoe schrijft u Ezechiël?
De gangbare Nederlandse spelling is Ezechiël, met een trema op de laatste e. De Statenvertaling schrijft Ezechiel zonder trema, zoals in Ezechiël 1:3: "Ezechiel, den zoon van Buzi, den priester". In het Engels heet hij Ezekiel, in het Hebreeuws Jechezkel. Ook Ezechiël 24:24 heeft de SV-vorm: "Alzo zal ulieden Ezechiel tot een wonderteken zijn".
Waren Ezechiël, Jeremia en Daniël tijdgenoten?
Ja. Alle drie leefden rond de Babylonische ballingschap. Jeremia profeteerde in Jeruzalem tot na de verwoesting van 586 voor Christus en schreef een brief aan de weggevoerden (Jeremia 29:1). Daniël was al eerder naar Babel gebracht en diende aan het hof. Ezechiël woonde tussen de ballingen bij de rivier Chebar. De Bijbel zegt niet dat zij elkaar ontmoetten, maar Ezechiël noemt Daniël wel, naast Noach en Job, als voorbeeld van gerechtigheid (Ezechiël 14:14), en in Ezechiël 28:3 als voorbeeld van wijsheid: "Zie, gij zijt wijzer dan Daniel".
Wat zag Ezechiël bij de rivier Chebar?
Ezechiël zag een stormwind en een wolk met vuur, en daarin vier dieren met elk vier aangezichten: van een mens, een leeuw, een os en een arend (Ezechiël 1:10). Naast hen waren raderen, "een rad in het midden van een rad" (Ezechiël 1:16). Boven hen stond een troon met de gelijkenis van een mens. Ezechiël noemt het geheel "de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN" (Ezechiël 1:28). In hoofdstuk 10 heten de dieren cherubs.
Wat betekent het dat Ezechiël een wachter was?
God zei: "Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels" (Ezechiël 3:17). Een wachter die het zwaard zag komen, moest met de bazuin het volk waarschuwen (Ezechiël 33:2-6). Ezechiël moest de goddeloze waarschuwen voor Gods oordeel. Deed hij dat niet, dan zou God het bloed van die mens van zijn hand eisen. Waarschuwde hij wel, dan had hij zijn ziel bevrijd, ook als de hoorder zich niet bekeerde.
Waarom mocht Ezechiël niet rouwen om zijn vrouw?
God kondigde aan dat Hij "den lust uwer ogen" zou wegnemen, en verbood Ezechiël om openlijk te rouwen (Ezechiël 24:16-17). Hij sprak in de morgen tot het volk, en in de avond stierf zijn vrouw (Ezechiël 24:18). Zijn zwijgen was een teken: zoals hij zijn vrouw verloor, zou het volk de tempel verliezen, "de begeerte uwer ogen" (Ezechiël 24:21). Dan zou er geen tijd zijn voor rouwgebruiken. "Alzo zal ulieden Ezechiel tot een wonderteken zijn" (Ezechiël 24:24).
Wat moest Ezechiël doen in de vallei van de dorre beenderen?
De HEERE voerde Ezechiël in den geest naar een vallei vol zeer dorre beenderen (Ezechiël 37:1-2). God vroeg hem of die beenderen levend konden worden, en Ezechiël legde het antwoord bij God: "Heere HEERE, Gij weet het!" (Ezechiël 37:3). Daarna moest hij profeteren: "Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord" (Ezechiël 37:4). Hij deed het, "gelijk mij bevolen was", en de beenderen naderden elkaar (Ezechiël 37:7). Op zijn tweede profetie kwam de geest in hen. God legde uit dat zij het huis Israëls waren, dat zei: "onze verwachting is verloren" (Ezechiël 37:11).
Waar komt Ezechiël terug in het Nieuwe Testament?
Ezechiël wordt in het Nieuwe Testament niet bij naam genoemd, maar zijn beelden keren vaak terug. Jezus noemt Zichzelf "de goede Herder" (Johannes 10:11), tegen de achtergrond van Ezechiël 34. Zijn woorden over geboren worden uit water en Geest worden vaak met Ezechiël 36 verbonden. Openbaring neemt de vier dieren rond de troon over (Openbaring 4:6-7), het boekje dat zoet is als honig (Openbaring 10:9-10), Gog en Magog en de rivier van het water des levens (Openbaring 22:1-2).
Is Ezechiël dezelfde als Hizkia of Ezekias?
Nee. Hiskia (in de Statenvertaling Hizkia) was een koning van Juda die rond 715 tot 686 voor Christus regeerde, ruim een eeuw vóór Ezechiël (2 Koningen 18:1). In het geslachtsregister van Jezus heet hij in de Statenvertaling Ezekias: "Achaz gewon Ezekias" (Mattheüs 1:9). Het zijn twee verschillende personen met verschillende namen. Dat de namen op elkaar lijken, komt doordat beide waarschijnlijk zijn gevormd met dezelfde Hebreeuwse stam voor sterk zijn: Hizkia betekent ongeveer de HEERE sterkt, Ezechiël God sterkt. Ezechiël was priester en profeet in de Babylonische ballingschap.
Wat kunnen wij leren van Ezechiël?
Ezechiël leert ons dat God Zijn volk ook in de ballingschap opzoekt en niet aan één plaats gebonden is. Hij laat zien dat trouw spreken belangrijker is dan gehoord worden: de wachter moet waarschuwen, de uitkomst ligt bij God. Hij waarschuwt voor luisteren zonder te doen (Ezechiël 33:32). En hij wijst op de belofte dat God een nieuw hart en Zijn Geest geeft, ook waar alles dor lijkt (Ezechiël 36:26).

Stel een vraag over Ezechiël

Wilt u meer weten over Ezechiël? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Ezechiël

Bijbelverhalen rond Ezechiël

Verdiep u verder