De Profetie tegen het Altaar van Bethel
1 Koningen 13 vertelt een krachtig verhaal over gehoorzaamheid aan Gods woord en de tragische gevolgen van misleiding. Het hoofdstuk begint wanneer een naamloze man van God uit Juda naar Bethel reist op Gods directe bevel. Koning Jerobeam stond bij het altaar dat hij had opgericht - een altaar dat in Gods ogen een gruwel was omdat het deel uitmaakte van de afvallige eredienst die Jerobeam had ingesteld.
De profetie die de man van God uitsprak was specifiek en dramatisch: "Altaar, altaar! Zo zegt de HEERE: Zie, aan het huis van David zal een zoon worden geboren, Josia genaamd, die op u de priesters van de hoogten zal offeren die op u roken, en mensenbeenderen zal men op u verbranden" (vers 2). Deze profetie ging letterlijk in vervulling meer dan 300 jaar later onder koning Josia.
Het Wonder en Jerobeams Reactie
Om de waarheid van zijn woorden te bevestigen, gaf de man van God een teken: het altaar zou scheuren en de as erop zou worden uitgestort. Dit gebeurde onmiddellijk. Toen koning Jerobeam zijn hand uitstak om de profeet te laten grijpen, verdorde zijn hand plotseling. Dit toont Gods macht en bescherming over Zijn dienaren.
Opvallend is dat Jerobeam daarna de man van God smeekte om voor hem te bidden voor genezing. De profeet deed dit, en Jerobeams hand werd hersteld. Dit toont zowel Gods genade als de kracht van gebed. Ondanks Jerobeams afgodendienst, toonde God nog steeds barmhartigheid.