Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~2000 v.Chr.

Lot in de Bijbel

Lot (לוֹט, Hebreeuws) - “Waarschijnlijk omhulsel of sluier”

Wie was Lot?

Lot was de neef van Abraham, de zoon van diens broer Haran. Hij trok met Abram naar Kanaän, koos de vlakte van de Jordaan en woonde in Sodom. Bij het oordeel over de stad werd hij gered, maar zijn vrouw zag om en werd een zoutpilaar (Genesis 19:26).

Lot komt vooral voor in Genesis 11 tot en met 14 en in Genesis 19. Hij was de zoon van Haran, de broer van Abram (die vanaf Genesis 17:5 Abraham heet), en dus Abrams neef: "Haran gewon Lot" (Genesis 11:27). De Statenvertaling noemt hem ook "zijns broeders zoon" (Genesis 12:5), en Abram spreekt hem aan met de woorden "wij zijn mannen broeders" (Genesis 13:8). In die tijd kon "broeder" ook een naaste bloedverwant aanduiden. Zijn verhaal loopt lange tijd met dat van Abraham op. Lot trok met hem mee uit Haran, kwam met hem terug uit Egypte (Genesis 13:1) en deelde in zijn rijkdom aan vee. Toen het land hen samen niet kon dragen, kreeg Lot de eerste keus. Hij koos de vlakte van de Jordaan, die op dat moment "als de hof des HEEREN" was (Genesis 13:10). Daarmee begint een weg die hem van tenten bij de steden der vlakte naar een huis in Sodom brengt, en uiteindelijk naar een spelonk in het gebergte. Twee keer wordt Lot gered. De eerste keer bevrijdt Abram hem uit de handen van vier koningen (Genesis 14). De tweede keer leiden engelen hem uit Sodom vlak voordat God zwavel en vuur over de steden laat regenen (Genesis 19). Op die vlucht ziet zijn vrouw om, en zij wordt een zoutpilaar. Jezus verwijst naar haar in één korte zin: "Gedenkt aan de vrouw van Lot" (Lukas 17:32). Het Nieuwe Testament oordeelt opvallend mild over Lot zelf. Petrus noemt hem "den rechtvaardigen Lot" (2 Petrus 2:7). Het Oude Testament vertelt intussen eerlijk over zijn aarzeling en over het droevige slot in de spelonk, waar zijn dochters de moeders worden van Moab en Ammon. Over de steden Sodom en Gomorra zelf, hun ligging en hun ondergang, gaat de aparte pagina over Sodom en Gomorra; deze pagina volgt de man die er woonde.

Historische context

Lot hoort bij de tijd van de aartsvaders. Wie de getallen van Genesis volgt, komt voor Abraham en Lot ongeveer rond 2000 voor Christus uit, maar die datering is onzeker en uitleggers verschillen erover. Die tijd valt ruwweg in wat archeologen de late Vroege Bronstijd of de Midden-Bronstijd noemen. De familie kwam uit Ur der Chaldeeën in het zuiden van Mesopotamië. Lots vader Haran stierf daar, "voor het aangezicht zijns vaders Terah" (Genesis 11:28). Terah nam daarop zijn zoon Abram, zijn kleinzoon Lot en zijn schoondochter Sarai mee op weg naar Kanaän; zij bleven wonen in Haran, in het noorden. Tot dezelfde familie behoorde Nahor, Abrams andere broer, die trouwde met Milka, een dochter van Haran en daarmee waarschijnlijk een zus van Lot (Genesis 11:29). Uit die tak kwamen later Rebekka en Laban voort. Abram en Lot leefden als rondtrekkende veehouders met tenten, kudden en knechten. Bronnen voor water en weidegrond waren schaars, en twist tussen herders was een bekend probleem (Genesis 13:7). Daarbij woonden "de Kanaanieten en Ferezieten in dat land": er was geen leeg land om zomaar in te nemen. De "vlakte der Jordaan" waar Lot voor koos, was een vruchtbaar en goed bevloeid gebied in het Jordaandal en rond de Zoutzee, de huidige Dode Zee. Daar lagen de steden Sodom, Gomorra, Adama, Zeboim en Bela, dat is Zoar (Genesis 14:2). De precieze ligging is onder archeologen omstreden. Genesis 14:10 noemt het dal Siddim "vol lijmputten", putten met asfalt of bitumen, iets wat in de omgeving van de Dode Zee nog steeds voorkomt. Dat Lot "in de poort te Sodom" zat (Genesis 19:1), zegt iets over zijn plaats in de stad. De stadspoort was de plek waar handel werd gedreven en recht gesproken. De mannen van Sodom verwijten hem daarom: "zoude hij alleszins rechter zijn?" (Genesis 19:9). Gastvrijheid voor reizigers was een heilige plicht; daarom drong Lot erop aan dat de vreemdelingen niet op straat zouden overnachten. Lots nakomelingen, Moab en Ammon, woonden later ten oosten van de Dode Zee en de Jordaan. Israël mocht hun land niet aantasten, "dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb" (Deuteronomium 2:9; zie ook Deuteronomium 2:19). Psalm 83:9 noemt hen nog "kinderen van Lot".

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Ging met Abram mee op de weg die God Abram wees (Genesis 12:4)
  • Gastvrij en beschermend tegenover vreemdelingen (Genesis 19:1-3)
  • Leed onder het kwaad om hem heen (2 Petrus 2:7-8)
  • Waarschuwde zijn schoonzonen voor het komende oordeel (Genesis 19:14)

−Zwakke kanten

  • Koos op wat zijn ogen zagen, dicht bij een goddeloze stad (Genesis 13:10-12)
  • Bood in de nood zijn dochters aan de menigte aan (Genesis 19:8)
  • Aarzelde toen hij moest vluchten (Genesis 19:16)

Theologische betekenis

Het verhaal van Lot staat in Genesis naast dat van Abraham, en die plaatsing is veelzeggend. Abraham ontvangt de belofte van het land opnieuw, en ruimer, juist nadat Lot het mooiste deel heeft gekozen: "Hef uw ogen op, en zie" (Genesis 13:14). Lot kiest wat hij ziet; Abraham ontvangt wat hem beloofd wordt. Hebreeën 11:8-10 zegt van Abraham dat hij in tenten woonde omdat hij de stad verwachtte die God bouwt. Lot vestigde zich in een stad die God zou omkeren. Toch is de redding van Lot vooral een verhaal over Gods genade. Genesis zegt niet dat Lot gered werd omdat hij goed genoeg was. De engelen grepen zijn hand "om de verschoning des HEEREN over hem" (Genesis 19:16), en de verteller vat het samen met: "God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering" (Genesis 19:29). Veel uitleggers zien hierin het antwoord op Abrahams voorbede in Genesis 18. Abraham had voor de stad gebeden om der rechtvaardigen wil; er waren geen tien rechtvaardigen, maar God leidde Lot en zijn dochters uit de verwoesting. Petrus noemt Lot ook zonder schroom rechtvaardig (2 Petrus 2:7-8). Hij gebruikt hem als bewijs dat "de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen" weet (2 Petrus 2:9). Rechtvaardig betekent hier niet volmaakt. Lot was een gelovige die onder de goddeloosheid leed en toch te lang bleef. Veel uitleggers zien in hem een ware maar zwakke gelovige, die net als Abraham door het geloof rechtvaardig was (vergelijk Genesis 15:6); zijn verdriet om de zonde van Sodom was daarvan de vrucht. Jezus maakt van de dagen van Lot een beeld van Zijn wederkomst. De mensen aten, dronken, kochten, plantten en bouwden, tot op de dag dat Lot uit Sodom ging (Lukas 17:28-29). Het gewone leven ging door tot het oordeel kwam. De vrouw van Lot staat in die rede voor wie aan het oude vastzit: "Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen" (Lukas 17:33). Ten slotte is er een opvallende lijn in Lots nakomelingen. Moab en Ammon ontstonden in een donkere nacht, en Deuteronomium 23:3 sluit hen uit van de vergadering des HEEREN. Maar God gaf hun wel een eigen land (Deuteronomium 2:9 en Deuteronomium 2:19), en uit Moab kwam Ruth, de overgrootmoeder van David, die Mattheüs 1:5 noemt in het geslachtsregister van Christus. Ook Ammon komt daarin terug: de moeder van koning Rehabeam was "Naama, de Ammonietische" (1 Koningen 14:21), en Rehabeam staat als Roboam in Mattheüs 1:7.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Lot (לוֹט, Hebreeuws)

Betekenis

Waarschijnlijk omhulsel of sluier

Betekenis van de naam Lot: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Uit Ur naar Haran

Lots vader Haran sterft in Ur der Chaldeeën. Grootvader Terah neemt Lot, Abram en Sarai mee op weg naar Kanaän, maar zij blijven wonen in Haran.

Genesis 11:27-31

2

Met Abram naar Kanaän

Als Abram op het woord van de HEERE uit Haran vertrekt, gaat Lot met hem mee. Samen met Sarai en hun bezit komen zij in het land Kanaän.

Genesis 12:4-5

3

Twist tussen de herders

Na de terugkeer uit Egypte hebben Abram en Lot zoveel vee dat het land hen niet kan dragen. Abram wil geen twist tussen broeders en laat Lot kiezen.

Genesis 13:5-9

4

De keuze voor de vlakte

Lot slaat zijn ogen op en ziet de bevloeide vlakte van de Jordaan. Hij kiest haar, trekt oostwaarts en slaat zijn tenten op tot aan Sodom, waarvan de mannen grote zondaars waren.

Genesis 13:10-13

5

Gevangen en bevrijd door Abram

Bij een oorlog van vier koningen tegen vijf wordt Sodom geplunderd en Lot weggevoerd, "want hij woonde in Sodom". Abram achtervolgt de koningen met driehonderdachttien knechten en brengt Lot terug.

Genesis 14:12-16

6

Twee engelen in Sodom

Lot zit in de poort, ziet twee vreemdelingen en dringt erop aan dat zij bij hem overnachten. De mannen van de stad omsingelen het huis; de engelen trekken Lot naar binnen en slaan de menigte met blindheid.

Genesis 19:1-11

7

De vlucht en de vrouw van Lot

Zijn schoonzonen nemen de waarschuwing niet serieus. Bij de dageraad grijpen de engelen Lot, zijn vrouw en zijn dochters bij de hand. Lot vlucht naar Zoar; zijn vrouw ziet om en wordt een zoutpilaar.

Genesis 19:12-26

8

De spelonk: Moab en Ben-Ammi

Uit vrees verlaat Lot Zoar en woont met zijn twee dochters in een spelonk. Zijn dochters worden zwanger van hem; zij baren Moab en Ben-Ammi, de vaders van de Moabieten en de Ammonieten.

Genesis 19:30-38

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Lot beter te begrijpen.

Genesis 12:4

“En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.”

Lot begint op dezelfde weg als Abram. Hij is erbij wanneer de belofte van God het gezin in beweging zet.

Genesis 13:8

“En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.”

Abram kiest vrede boven zijn eigen recht als oudste en laat zijn neef de eerste keus.

Genesis 13:10

“En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.”

Lot kiest op wat hij ziet. De verteller voegt er meteen aan toe wat Lot niet zag: het komende oordeel.

Genesis 13:12-13

“Abram dan woonde in het land Kanaan; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE.”

De scheiding is ook een geestelijke scheiding: Abram in het beloofde land, Lot bij de steden der vlakte.

Genesis 19:16

“Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.”

Lot aarzelt, en de redding komt toch. De reden wordt uitdrukkelijk genoemd: de verschoning, dat is de ontferming, van de HEERE.

Genesis 19:26

“En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.”

Het enige vers in Genesis dat vertelt wat er met de vrouw van Lot gebeurde. Zij overtrad het gebod uit vers 17 om niet achterom te zien, dat voor het hele gezin gold.

Genesis 19:29

“En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.”

De verteller verbindt Lots redding met Abraham; uitleggers denken daarbij aan diens voorbede in Genesis 18.

Lukas 17:32

“Gedenkt aan de vrouw van Lot.”

Jezus gebruikt haar als waarschuwing voor de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt: wie op het dak of op de akker is, moet niet terugkeren naar wat achter is (Lukas 17:31).

2 Petrus 2:7-8

“En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijken mensen, daaruit verlost heeft; (Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken);”

Petrus laat zien hoe Lot van binnen leefde: hij woonde in Sodom, maar leed onder wat hij er zag en hoorde.

Tijdperiode

~2000 v.Chr.

Lot leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Lot leert ons dat keuzes zelden in één keer de verkeerde kant op gaan. Eerst koos hij een vruchtbaar gebied, toen sloeg hij zijn tenten op tot aan Sodom, daarna woonde hij in de stad en zat hij in de poort. Wie alleen kijkt naar wat er het beste uitziet, merkt vaak pas laat wat een keuze met het geloof en het gezin doet. Dat vraagt om eerlijkheid over ons werk, onze woonplaats en onze vrienden. Lots schoonzonen dachten dat hij grapte (Genesis 19:14). Wie lang in een omgeving meeleeft, verliest soms het gezag om te waarschuwen. Tegelijk laat Petrus zien dat Lot innerlijk leed onder het kwaad om hem heen. Het is goed om dat verdriet niet af te stompen, en ook om te vragen of wij ergens niet te lang blijven. Het vers "Gedenkt aan de vrouw van Lot" telt maar zes woorden. Jezus waarschuwt ermee voor een hart dat achterblijft bij wat God oordeelt. Het gaat niet om één blik, maar om de vraag waar ons hart werkelijk aan hangt. Wie Christus volgt, leert loslaten wat achter is. Het verhaal troost ook. Lot aarzelde, en toch grepen de engelen zijn hand. God dacht aan Abraham (Genesis 19:29), die voor Sodom gebeden had (Genesis 18:23-32). Voorbede voor familie en anderen is niet tevergeefs, en Gods ontferming is groter dan onze aarzeling.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Lot

Wie was Lot in de Bijbel?
Lot was de neef van Abraham, de zoon van diens broer Haran (Genesis 11:27). Hij trok met Abraham uit Haran naar Kanaän en werd rijk aan vee. Toen hun herders twistten, koos Lot de vlakte van de Jordaan en ging hij in Sodom wonen. Abraham bevrijdde hem uit krijgsgevangenschap, en later redden twee engelen hem uit Sodom vlak voor het oordeel. Zijn vrouw zag om en werd een zoutpilaar. Petrus noemt hem rechtvaardig (2 Petrus 2:7).
Wat betekent de naam Lot?
De naam Lot (Hebreeuws לוֹט) wordt meestal in verband gebracht met een woord voor bedekken of omhullen, en weergegeven als omhulsel of sluier. Die verklaring is waarschijnlijk, maar niet zeker. De Bijbel geeft zelf geen uitleg bij de naam. Met het Nederlandse woord lot, zoals bij loten of iemands levenslot, heeft de naam niets te maken.
Waar staat Lot in de Bijbel?
Het verhaal van Lot staat in Genesis 11 tot en met 14 en in Genesis 19. Daarna wordt hij genoemd als stamvader van Moab en Ammon: de Statenvertaling spreekt van "Lots kinderen" in Deuteronomium 2:9 en Deuteronomium 2:19 en van "kinderen van Lot" in Psalm 83:9. In het Nieuwe Testament noemt Jezus de dagen van Lot en de vrouw van Lot (Lukas 17:28-32), en Petrus schrijft over de rechtvaardige Lot (2 Petrus 2:7-8).
Wat was de familieband tussen Abraham en Lot?
Lot was een neef van Abraham. Zijn vader Haran was een broer van Abraham, die toen nog Abram heette, en Terah was hun beider vader (Genesis 11:27). De Statenvertaling noemt Lot "zijns broeders zoon" (Genesis 12:5), maar ook Abrams "broeder" (Genesis 14:14 en Genesis 14:16). Dat is geen tegenstrijdigheid: in het Hebreeuws kan "broeder" ook een naaste bloedverwant aanduiden. Na de dood van Haran trok Lot met zijn grootvader en zijn oom mee.
Waarom gingen Abraham en Lot uit elkaar?
Abraham en Lot hadden zoveel schapen, runderen en tenten dat het land hen samen niet kon dragen, en er ontstond twist tussen hun herders (Genesis 13:5-7). Abraham wilde geen ruzie, "want wij zijn mannen broeders" (Genesis 13:8), en liet Lot kiezen welke kant hij op ging. Lot koos de bevloeide vlakte van de Jordaan en trok naar het oosten. Abraham bleef in Kanaän, waar God hem daarna het hele land beloofde.
Wie was de vrouw van Lot?
De Bijbel noemt de naam van de vrouw van Lot niet. In het Oude Testament komt zij alleen voor in Genesis 19, waar de engelen haar met Lot en hun twee dochters uit Sodom leiden. Tegen het gebod in zag zij om, en zij werd een zoutpilaar (Genesis 19:26). Een latere joodse overlevering geeft haar de naam Edith (of Idit), maar dat staat niet in de Schrift. Jezus noemt haar in Lukas 17:32 als waarschuwing.
Waarom werd de vrouw van Lot een zoutpilaar?
Bij het uitleiden werd tot Lot gezegd: "zie niet achter u om" (Genesis 19:17); dat gebod gold het hele gezin. De vrouw van Lot "zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar" (Genesis 19:26). De tekst legt niet uit wat er in haar omging. Uitleggers zien in het omzien meer dan nieuwsgierigheid: een hart dat aan Sodom bleef hangen en zich niet los wilde maken van wat God oordeelde. Zo gebruikt Jezus het voorbeeld ook, als waarschuwing om niet terug te keren naar wat achter is (Lukas 17:31-32).
Wat bedoelt Jezus met "Gedenkt aan de vrouw van Lot"?
Jezus spreekt in Lukas 17 over de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt. Net als in de dagen van Lot gaat het gewone leven door tot het oordeel komt (Lukas 17:28-30). Wie op die dag op het dak of op de akker is, moet niet terugkeren naar wat achter is. Daarop volgt: "Gedenkt aan de vrouw van Lot" (Lukas 17:32). Zij was al buiten de stad en keek toch om. Jezus voegt eraan toe dat wie zijn leven wil behouden, het zal verliezen (Lukas 17:33).
Bestaat de zoutpilaar van de vrouw van Lot nog?
De Bijbel zegt daar niets over. De joodse geschiedschrijver Josephus schrijft in zijn Joodse oudheden dat hij de zoutpilaar zelf gezien heeft. Bij de zoutberg aan de zuidwestkant van de Dode Zee wijst men nog altijd een zoutrots aan die "de vrouw van Lot" genoemd wordt. Zulke rotsen ontstaan en verdwijnen door erosie, en geen ervan kan met de vrouw uit Genesis 19 worden verbonden. Het gaat om overlevering, niet om een bijbels gegeven.
Waarom noemt Petrus Lot rechtvaardig?
Petrus noemt hem "den rechtvaardigen Lot" (2 Petrus 2:7). Waaraan dat bleek, zegt hij erbij: Lot "heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken" (2 Petrus 2:8). Zijn verdriet maakte hem niet rechtvaardig, maar liet zien dat hij het was. Rechtvaardig betekent hier niet foutloos; Genesis vertelt ook over zijn aarzeling en zwakheid. Veel uitleggers zien hem als een ware gelovige, die net als Abraham door het geloof rechtvaardig was (Genesis 15:6), maar zwak in zijn keuzes. Petrus gebruikt hem als bewijs dat de Heere de godzaligen weet te verlossen (2 Petrus 2:9).
Wat gebeurde er met de dochters van Lot?
Na de vlucht durfde Lot niet in Zoar te blijven en woonde hij met zijn twee dochters in een spelonk in het gebergte (Genesis 19:30). De mannen met wie de dochters verloofd waren, waren in Sodom gebleven (Genesis 19:14). De oudste dochter zei tegen de jongste: "er is geen man in dit land" (Genesis 19:31). Daarop gaven zij hun vader wijn en werden zij zwanger van hem zonder dat hij het merkte (Genesis 19:32-36). De oudste baarde Moab, de jongste Ben-Ammi. Genesis vertelt het sober en zonder goedkeuring: het is het droevige slot van Lots weg.
Wat kunnen wij leren van Lot?
Lot leert ons dat keuzes die er verstandig uitzien ons geleidelijk kunnen wegvoeren van God: van tenten bij Sodom naar een huis in de stad. Hij leert ook dat een gelovige kan lijden onder het kwaad en toch te lang blijven. Tegelijk laat zijn redding Gods ontferming zien: de engelen grepen zijn hand toen hij aarzelde, en God dacht aan Abraham (Genesis 19:29). En Jezus roept ons met de vrouw van Lot op om niet om te zien.

Stel een vraag over Lot

Wilt u meer weten over Lot? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Lot

Bijbelverhalen rond Lot

Verdiep u verder