Esau in de Bijbel
Esav (עֵשָׂו, Hebreeuws) - “Waarschijnlijk behaard”
Wie was Esau?
Esau (in de Statenvertaling Ezau) was de eerstgeboren tweelingzoon van Izak en Rebekka en de broer van Jakob. Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een maaltijd linzenmoes (Genesis 25:34), miste later de zegen van zijn vader en werd de stamvader van het volk Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee.
Esau is de oudste van de tweeling die Rebekka na twintig jaar wachten aan Izak baarde: Izak was veertig toen hij trouwde en zestig bij de geboorte (Genesis 25:20 en Genesis 25:26). Esau kwam als eerste ter wereld, roodachtig en behaard, en zijn broer Jakob volgde met de hand aan zijn hiel. De Statenvertaling schrijft zijn naam als Ezau; wij gebruiken de gangbare vorm Esau. Zijn tweede naam is Edom, dat rood betekent, naar het rode gerecht waarvoor hij zijn eerstgeboorte verkocht (Genesis 25:30). Zijn geschiedenis staat in Genesis 25 tot en met 36, steeds verweven met die van Jakob. Zij loopt van de geboorte en de verkoop van het eerstgeboorterecht, via zijn huwelijken met Hethitische vrouwen en het verlies van de vaderlijke zegen in Genesis 27, naar de ontmoeting met Jakob jaren later in Genesis 33. Genesis 36 sluit af met zijn geslachtsregister: "Dit nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom" (Genesis 36:1). Daarna verdwijnt Esau als persoon uit beeld, maar zijn naam blijft. De profeten spreken over "Ezau's gebergte" wanneer zij Edom bedoelen (Obadja 1:8). Maleachi en Paulus noemen hem bij de verkiezing van Jakob (Maleachi 1:2-3, Romeinen 9:13). En Hebreeën 12:16 houdt hem de gemeente voor als waarschuwing: een onheilige, "die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf". Het verhaal van de twee broers samen staat uitvoeriger bij het verhaal van Jakob en Esau. De Bijbel gebruikt de naam Esau vaak voor het volk dat uit hem voortkwam: "Ezau is Edom" (Genesis 36:8). Waar Obadja over Ezau spreekt, gaat het over dat volk; in Maleachi 1:2-3 begint het bij de broers zelf en loopt het door naar hun volken.
Historische context
Esau leefde in de tijd van de aartsvaders. Wie de getallen van de Bijbel volgt, komt voor de aartsvaders uit in de eerste eeuwen van het tweede millennium voor Christus. Rond 1900 voor Christus is een ronde aanduiding voor het leven van Esau en Jakob; afhankelijk van de chronologie kan het ook een eeuw eerder of later zijn. Izak woonde met zijn gezin in het zuiden van Kanaän, onder meer bij Berseba (Genesis 26:23), en stierf later in Mamre bij Hebron (Genesis 35:27-29). Twee gebruiken zijn nodig om het verhaal te volgen. Het eerstgeboorterecht gaf de oudste zoon een voorrangspositie in de familie en, volgens de latere wet, "het dubbele deel" van de erfenis (Deuteronomium 21:17). In de familie van Abraham hing er bovendien de belofte aan die God aan Abraham en Izak had gegeven. Daarnaast was er de vaderlijke zegen aan het eind van het leven, die als een onherroepelijk woord gold. Izak kon de zegen die hij Jakob had gegeven niet terugnemen: "ook zal hij gezegend wezen" (Genesis 27:33). Esau trouwde op veertigjarige leeftijd met twee Hethitische vrouwen, Judith en Basmath (Genesis 26:34). Zij waren voor Izak en Rebekka "een bitterheid des geestes" (Genesis 26:35). Later nam hij er Mahalath bij, een dochter van Ismaël (Genesis 28:9). Genesis 36:2-3 noemt zijn vrouwen anders: de dochter van Elon de Hethiet heet daar Ada, de dochter van Ismaël Basmath, en daarnaast staat Aholibama. Uitleggers verklaren dat meestal met tweede namen; de tekst zelf legt het verschil niet uit. Esau woonde uiteindelijk op het gebergte Seir, het bergland ten zuiden en zuidoosten van de Dode Zee (Genesis 36:8). Dat gebied werd naar hem Edom genoemd. God gaf het zijn nakomelingen als erfdeel, zodat Israël het bij de tocht door de woestijn niet mocht innemen: "want Ik heb Ezau het gebergte Seir ter erfenis gegeven" (Deuteronomium 2:5). Toch weigerde de koning van Edom Israël de doortocht (Numeri 20:14-21). De verhouding tussen beide volken bleef wisselend. De wet noemt de Edomiet "uw broeder" (Deuteronomium 23:7). Onder koning Joram schudden de Edomieten het gezag van Juda af (2 Koningen 8:20), wat veel uitleggers lezen als vervulling van Izaks woord over het juk (Genesis 27:40). Bij de val van Jeruzalem, rond 586 voor Christus, stonden zij aan de kant van de vijand (Psalm 137:7); veel uitleggers lezen Obadja 1:11 over dezelfde dag. In de tijd van het Nieuwe Testament woonden hun nakomelingen ten zuiden van Judea, in het gebied dat Idumea heette, de Griekse vorm van Edom (Markus 3:8). De Joodse geschiedschrijver Josephus vermeldt dat het geslacht van Herodes daar vandaan kwam.
Karaktereigenschappen
+Positieve eigenschappen
- Hartelijk bij het weerzien: hij loopt Jakob tegemoet, valt hem om de hals en kust hem (Genesis 33:4)
- Royaal: hij wil Jakobs geschenk eerst niet aannemen, omdat hij zelf veel heeft (Genesis 33:9)
- Toegewijd aan zijn vader: hij jaagt en kookt voor Izak (Genesis 27:31) en begraaft hem samen met Jakob (Genesis 35:29)
- Een bekwaam jager en veldman (Genesis 25:27)
−Zwakke kanten
- Leefde bij het ogenblik: hij verkocht zijn eerstgeboorte voor één maaltijd en verachtte die (Genesis 25:34)
- Trouwde met Hethitische vrouwen uit Kanaän, terwijl Abraham voor Izak juist geen vrouw uit de dochters van Kanaän wilde (Genesis 24:3), tot bitterheid van zijn ouders (Genesis 26:34-35)
- Wrok tot moordplannen toe na het verlies van de zegen (Genesis 27:41)
Theologische betekenis
In de geschiedenis van Esau komen twee lijnen samen die de Schrift beide laat staan: Gods vrije verkiezing en de verantwoordelijkheid van de mens. Nog voor de geboorte zegt de HEERE tegen Rebekka: "de meerdere zal den mindere dienen" (Genesis 25:23). Paulus gebruikt dat woord in Romeinen 9:11-13 om te laten zien dat Gods voornemen vaststaat "niet uit de werken, maar uit den Roepende", en citeert daarbij Maleachi 1:2-3: "Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat" (Romeinen 9:13). Het woord "gehaat" klinkt hard. Het Hebreeuws gebruikt het ook voor achterstellen bij een keuze: van Lea staat dat zij "gehaat was" (Genesis 29:31), terwijl Jakob haar wel tot vrouw had, en Jezus vraagt van wie Hem volgt dat hij zijn vader en moeder haat (Lukas 14:26). Maleachi begint bij de broers zelf, "Was niet Ezau Jakobs broeder?", en spreekt daarna over de bergen van Edom (Maleachi 1:2-3). Paulus past het woord toe op de tweeling, "als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden" (Romeinen 9:11). De gereformeerde kerken lezen dit, met de Dordtse Leerregels (hoofdstuk 1), als onderwijs over de persoonlijke, vrije verkiezing; anderen leggen de nadruk op de rol van de volken in de heilsgeschiedenis. Paulus neemt de zwaarte niet weg, maar vraagt zelf: "Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre" (Romeinen 9:14). Tegelijk is Esau geen speelbal. Genesis zegt zelf: "alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte" (Genesis 25:34), en Hebreeën 12:16 noemt hem "een onheilige". Hij gaf wat aan Gods belofte verbonden was weg voor wat hij direct kon proeven. Het vervolg in Hebreeën 12:17 is moeilijk: hij "vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht". Sommige uitleggers lezen dat als: hij kon zijn vader niet tot herroeping van de zegen brengen. Anderen lezen het als: zijn tranen golden het verloren voordeel en niet zijn zonde. In beide gevallen is het een waarschuwing aan de gemeente, "dat niet iemand verachtere van de genade Gods" (Hebreeën 12:15). Toch blijft Esau onder Gods zorg. Izak zegent hem "aangaande toekomende dingen" (Hebreeën 11:20), God geeft zijn nakomelingen het gebergte Seir (Deuteronomium 2:5) en Israël moet de Edomiet als broeder behandelen (Deuteronomium 23:7). Pas waar Edom zich tegen zijn broeder keert, klinkt het oordeel, het scherpst bij Obadja: "Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken" (Obadja 1:10). Dat boek eindigt niet bij Edom maar bij God: "en het koninkrijk zal des HEEREN zijn" (Obadja 1:21).
Naamsbetekenis
Oorspronkelijke naam
Esav (עֵשָׂו, Hebreeuws)
Betekenis
Waarschijnlijk behaard
Betekenis van de naam Ezau (Esau): grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen
Sleutelmomenten
Geboorte van de tweeling
Na twintig jaar wordt Rebekka zwanger, en de HEERE zegt haar dat de meerdere de mindere zal dienen. Esau komt als eerste, roodachtig en behaard; Jakob volgt met de hand aan zijn hiel.
Genesis 25:21-26
Jager en veldman
Esau wordt een man die verstand heeft van de jacht, een veldman; Jakob blijft bij de tenten. Izak heeft Esau lief om het wildbraad, Rebekka heeft Jakob lief.
Genesis 25:27-28
Het eerstgeboorterecht verkocht
Moe uit het veld vraagt Esau om het rode gerecht van Jakob. Hij verkoopt onder ede zijn eerstgeboorte voor brood en linzenmoes. De tekst besluit dat Esau zo de eerstgeboorte verachtte.
Genesis 25:29-34
Twee Hethitische vrouwen
Op veertigjarige leeftijd trouwt Esau met Judith en Basmath, dochters van Hethieten. Voor zijn ouders zijn zij een bron van verdriet.
Genesis 26:34-35
De zegen gemist
Wanneer Esau met het wildbraad terugkomt, heeft Izak Jakob al gezegend. Esau schreeuwt bitter en smeekt om een zegen; Izak geeft hem een woord over een leven bij het zwaard en een juk dat eens afgerukt wordt.
Genesis 27:30-40
Haat en Jakobs vlucht
Esau haat Jakob om de zegen en neemt zich voor hem te doden na de rouw om zijn vader. Rebekka hoort ervan en stuurt Jakob naar haar broer Laban in Haran.
Genesis 27:41-45
Een dochter van Ismaël
Esau merkt dat de dochters van Kanaän zijn vader mishagen. Hij gaat naar Ismaël en neemt er Mahalath, een dochter van Ismaël, als vrouw bij.
Genesis 28:6-9
De ontmoeting met Jakob
Jakob keert na twintig jaar terug en vreest zijn broer, die hem met vierhonderd man tegemoet trekt. Esau loopt hem tegemoet, valt hem om de hals en kust hem, en zij wenen samen. Pas na aandringen neemt hij Jakobs geschenk aan.
Genesis 33:1-11
Vestiging op Seir
Esau woonde al in Seir toen Jakob terugkeerde (Genesis 32:3), en samen begroeven de broers later hun vader Izak (Genesis 35:29). Genesis 36 vertelt dat Esau met zijn hele huis en al zijn vee uit Kanaän wegtrok naar het gebergte Seir, omdat hun bezit te groot was om samen te wonen.
Genesis 36:6-8
Belangrijke bijbelteksten
De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Esau beter te begrijpen.
Genesis 25:23
“En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.”
Gods woord aan Rebekka voor de geboorte. Het gaat al over twee volken, niet alleen over twee jongens.
Genesis 25:25
“En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.”
De geboorte van Esau en de verklaring van zijn naam: hij was behaard als een haren kleed.
Genesis 25:30
“En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.”
De oorsprong van zijn tweede naam Edom (rood), die later de naam van zijn volk en land werd.
Genesis 25:34
“En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.”
Vier korte werkwoorden en een oordeel. De tekst laat geen spijt zien, alleen verachting.
Genesis 27:34
“Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!”
Esau ontdekt dat de zegen al aan Jakob gegeven is. Wat hij eerder gering achtte, wil hij nu met kracht.
Genesis 27:41
“En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden.”
De wrok van Esau, de reden waarom Jakob naar Haran moest vluchten.
Genesis 33:4
“Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.”
Het weerzien na twintig jaar. Waar Jakob een aanval vreesde, kwam een omhelzing.
Romeinen 9:13
“Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.”
Paulus citeert Maleachi 1:2-3 om te laten zien dat Gods verkiezing niet op werken rust.
Hebreeën 12:16-17
“Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beerven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.”
Het Nieuwe Testament maakt van Esau een waarschuwing voor de gemeente: wie de genade veracht, kan het verlorene later niet terugkopen.
Tijdperiode
~1900 v.Chr.
Esau leefde in de tijd van het Oude Testament.
Gerelateerde personen
Lessen voor vandaag
Esau laat zien hoe gewoon het moment kan zijn waarop iets kostbaars verloren gaat. Er was geen opstand tegen God, alleen honger na een dag in het veld en de gedachte: "waartoe mij dan de eerstgeboorte?" (Genesis 25:32). Wij lopen hetzelfde gevaar wanneer wat direct voelbaar is zwaarder gaat wegen dan wat God belooft. Hebreeën 12 trekt die lijn zelf door naar de gemeente: wie de genade gering acht, ruilt het blijvende in voor één maaltijd. Tranen kunnen ook te laat komen. Esau schreeuwde "met een groten en bitteren schreeuw" (Genesis 27:34), maar de zegen was gegeven. Verdriet over een verloren voordeel is niet hetzelfde als berouw over de zonde. Dat vraagt van ons eerlijkheid: treuren wij om wat wij misten, of om Wie wij tekortdeden? Er is ook hoop. Dezelfde Esau die zijn broer wilde doden, liep hem jaren later tegemoet en kuste hem (Genesis 33:4). Veel uitleggers zien in die omslag Gods antwoord op het gebed van Jakob: "Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand" (Genesis 32:11). Wrok hoeft niet het laatste woord te hebben. Jakob zei dat hij het aangezicht van zijn broer zag als had hij Gods aangezicht gezien (Genesis 33:10). Verzoening tussen mensen is een gave die wij mogen zoeken, ook na jaren van verwijdering. De geschiedenis van Edom waarschuwt dat bitterheid erfelijk kan worden. Wat bij twee broers begon, werd eeuwen later leedvermaak over de ramp van Jeruzalem (Obadja 1:12). Hebreeën 12:15 spreekt over een "wortel der bitterheid" waardoor velen ontreinigd worden. Wat wij niet vergeven, geven wij soms door aan wie na ons komen.
Bijbelse plaatsen
Veelgestelde vragen over Esau
Wie was Esau in de Bijbel?
Wat betekent de naam Esau?
Is Esau dezelfde als Ezau?
Waar staat Esau in de Bijbel?
Waarom verkocht Esau zijn eerstgeboorterecht?
Hoe verloor Esau de zegen van Izak?
Hoe ontving Esau zijn broer na twintig jaar?
Wat betekent "Ezau heb Ik gehaat"?
Waarom vond Esau geen plaats van berouw?
Wie waren de nakomelingen van Esau?
Met wie trouwde Esau?
Wat kunnen wij leren van Esau?
Stel een vraag over Esau
Wilt u meer weten over Esau? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.
Stel een vraag over EsauBijbelverhalen rond Esau
Verdiep u verder
Bijbelse tijdlijn
Bekijk Esau in de context van de bijbelse geschiedenis.
Bijbelse onderwerpen
Ontdek thema's die verbonden zijn met het leven van Esau.
Lees de Bijbel
Lees het verhaal van Esau in de Bijbel.
Bijbeluitleg
Lees commentaar en uitleg bij de bijbelgedeelten over Esau.
AI BijbelAssistent
Stel uw vragen over Esau aan onze AI-assistent.
Woordstudie
Bestudeer de oorspronkelijke betekenis van bijbelse namen en begrippen.
Heidelbergse Catechismus
Ontdek de gereformeerde leer over bijbelse personen en thema's.