Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~450 v.Chr.

Maleachi in de Bijbel

Maleachi (מַלְאָכִי, Hebreeuws) - “Mijn bode (mogelijk een titel)”

Wie was Maleachi?

Maleachi was de profeet van het laatste boek van het Oude Testament. Hij sprak waarschijnlijk rond 450 voor Christus tot de Joden in Jeruzalem na de ballingschap. Over zijn persoon is niets bekend. Hij kondigde de bode aan die de weg bereidt en de komst van de profeet Elia (Maleachi 4:5).

Maleachi is een profeet van wie wij alleen de woorden kennen. Het boek opent met één zin: "De last van het woord des HEEREN tot Israel, door den dienst van Maleachi" (Maleachi 1:1). Daarna zwijgt de tekst over hem. Wij weten niet wie zijn vader was, uit welke stam hij kwam, waar hij woonde of hoe God hem riep. Anders dan bij Jesaja, Jeremia of Amos is er geen roepingsverhaal en geen enkel levensbericht. Ook zijn naam roept vragen op. Maleachi betekent: mijn bode. Hetzelfde Hebreeuwse woord staat in Maleachi 3:1, waar God zegt: "Ziet, Ik zende Mijn engel". Sommige uitleggers denken daarom dat het opschrift geen eigennaam geeft maar een titel, ontleend aan die belofte. De oude Griekse vertaling las in Maleachi 1:1 geen naam, maar vertaalde: door de hand van Zijn bode. De Aramese vertaling (de Targum) voegt eraan toe dat dit Ezra de schriftgeleerde was. Dat laatste is een latere overlevering; de Bijbel zelf legt dat verband niet. Andere uitleggers houden het op een gewone eigennaam, mogelijk een verkorte vorm van een naam als bode van de HEERE. Zeker is alleen dat het boek hem zo noemt. Het boek Maleachi staat als laatste van de twaalf kleine profeten en sluit in de christelijke volgorde het Oude Testament af. In de Statenvertaling telt het vier hoofdstukken; in de Hebreeuwse Bijbel zijn het er drie, en daar is ons hoofdstuk 4 het slot van hoofdstuk 3. De vorm is opvallend. Maleachi spreekt in een reeks gesprekken waarin God iets zegt, het volk tegenwerpt en God antwoordt. Het eerste begint al zo: "Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad?" (Maleachi 1:2). Op die manier behandelt hij de liefde van God, de offers van de priesters, de trouw in het huwelijk, de vraag naar Gods recht, de tienden en de klacht dat God dienen tevergeefs is. Het boek eindigt met de belofte van de profeet Elia (Maleachi 4:5-6), die het Nieuwe Testament verbindt met Johannes de Doper.

Historische context

Het boek noemt geen koning en geen jaartal. De tijd valt af te leiden uit wat het beschrijft. De tempel staat weer en er wordt geofferd (Maleachi 1:7, Maleachi 1:10). Dat wijst op de tijd na de herbouw van de tempel, die volgens Ezra 6:15 klaar was in het zesde jaar van koning Darius, rond 516 voor Christus. Haggaï en Zacharia hadden het volk tot die herbouw aangespoord. Maleachi komt later: de eerste geestdrift is voorbij en de dienst is sleur geworden. Maleachi spreekt over "uw vorst" (Maleachi 1:8). Het Hebreeuwse woord is de titel van een Perzische landvoogd, dezelfde titel die Nehemia voor zichzelf gebruikt (Nehemia 5:14). Juda was in die tijd een kleine provincie van het Perzische rijk, met een landvoogd namens de koning. De misstanden die Maleachi noemt, lijken sterk op wat Nehemia aantrof. Nehemia vernam "dat der Levieten deel hun niet gegeven was" (Nehemia 13:10), zodat de Levieten naar hun akkers waren gevlucht; Maleachi spreekt over het achterhouden van de tienden (Maleachi 3:8-10). Nehemia zag Joden die vrouwen uit Asdod, Ammon en Moab hadden getrouwd (Nehemia 13:23); Maleachi zegt dat Juda "de dochters eens vreemden gods getrouwd" heeft (Maleachi 2:11). Nehemia klaagt dat het verbond van het priesterdom en de Levieten verontreinigd was (Nehemia 13:29); Maleachi zegt tot de priesters: "gij hebt het verbond met Levi verdorven" (Maleachi 2:8). Ook Ezra had met de gemengde huwelijken te maken (Ezra 9 en 10). Daarom plaatsen de meeste uitleggers Maleachi in de tijd van Ezra en Nehemia, ruwweg tussen 470 en 430 voor Christus, rond het midden van de vijfde eeuw. Of hij vóór de komst van Nehemia sprak of tussen diens twee verblijven in Jeruzalem, is niet met zekerheid te zeggen. Het eerste gesprek noemt Edom, het volk dat van Esau (in de Statenvertaling Ezau) afstamde. Maleachi zegt dat God "zijn bergen gesteld tot een verwoesting" heeft (Maleachi 1:3). Edom was dus in die tijd zelf getroffen; de tekst noemt niet door wie. Na Maleachi volgt in de Bijbel een lange periode zonder nieuw profetisch boek, ongeveer vier eeuwen, tot de komst van Johannes de Doper. Volgens de joodse overlevering hield de profetie na Haggaï, Zacharia en Maleachi op. De Bijbel noemt die tijd niet, maar het Nieuwe Testament opent met de vervulling van wat Maleachi aankondigde.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Spreekt onomwonden tegen de priesters van zijn tijd (Maleachi 1:6)
  • Begint niet met verwijt maar met Gods liefde (Maleachi 1:2)
  • Laat de tegenwerpingen van het volk hardop klinken en zet er Gods antwoord tegenover (Maleachi 1:2, Maleachi 1:6)
  • Heeft oog voor de dagloner, de weduwe, de wees en de vreemdeling (Maleachi 3:5)
  • Richt de blik vooruit op Gods komst en belofte (Maleachi 3:1)

Theologische betekenis

Het eerste wat God in Maleachi zegt, is geen verwijt maar een liefdesverklaring: "Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE" (Maleachi 1:2). Alle kritiek die volgt, op offers, trouwbreuk en tienden, staat in het licht van die liefde. Het volk twijfelde daaraan; God wijst op Zijn vrije keuze voor Jakob boven Esau. Paulus citeert die woorden in Romeinen 9:13 om te laten zien dat Gods verkiezing niet op werken rust. De pagina over Esau gaat daar uitvoeriger op in. Een tweede lijn is de eer van Gods Naam. God vraagt: "ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer?" (Maleachi 1:6). Tegenover de onverschilligheid in Jeruzalem zet Hij de belofte dat Zijn Naam groot zal zijn onder de heidenen, van de opgang der zon tot haar ondergang (Maleachi 1:11). Veel gereformeerde uitleggers zien daarin een vooruitblik op de aanbidding van God door de volken na Pinksteren. Het hart van het boek is Maleachi 3:1. Daar komen twee figuren voor: de bode die de weg bereidt, en "die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds", die tot Zijn tempel komt. Het Nieuwe Testament past het eerste deel toe op Johannes de Doper (Mattheüs 11:10, Markus 1:2, Lukas 7:27). In die aanhalingen staat: voor Uw aangezicht. Daarom lezen uitleggers de Heere die komt als de Messias zelf. Het slot van het boek noemt een naam, en veel uitleggers zien daarin dezelfde bode: "Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia" (Maleachi 4:5). De engel Gabriël zegt dat Johannes zal heengaan "in den geest en de kracht van Elias" (Lukas 1:17), en Jezus zegt over hem: "hij is Elias, die komen zou" (Mattheüs 11:14, vergelijk Mattheüs 17:10-13). Dat Johannes zelf zei "Ik ben die niet" (Johannes 1:21), hoeft daarmee niet te botsen: hij was niet de teruggekeerde Elia, maar vervulde de taak die aan Elia beloofd was. Daarnaast getuigt Maleachi van Gods onveranderlijkheid: "Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd" (Maleachi 3:6). Dat het volk niet vergaan is, ligt niet aan zijn trouw maar aan die van God. Jakobus spreekt later van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is (Jakobus 1:17). Ten slotte de Zon der gerechtigheid (Maleachi 4:2). De christelijke kerk heeft die beeldspraak vanouds op Christus betrokken, en veel uitleggers horen er een echo van in de lofzang van Zacharias over de Opgang uit de hoogte (Lukas 1:78). Zo eindigt het Oude Testament niet met een slotakkoord maar met een verwachting.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Maleachi (מַלְאָכִי, Hebreeuws)

Betekenis

Mijn bode (mogelijk een titel)

Betekenis van de naam Maleachi: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Gods liefde voor Jakob

De profetie begint met de woorden dat God Zijn volk heeft liefgehad. Het volk vraagt waarin dan, en God wijst op het verschil tussen Jakob en Esau en het lot van Edom.

Maleachi 1:1-5

2

Verachting aan het altaar

De priesters brengen blinde, kreupele en zieke dieren en noemen de tafel des HEEREN verachtelijk. God vraagt of zij dat hun landvoogd zouden durven aanbieden, en zegt dat Zijn Naam groot zal zijn onder de heidenen.

Maleachi 1:6-14

3

Trouw tegenover de vrouw van de jeugd

Maleachi klaagt dat Juda vrouwen getrouwd heeft die vreemde goden dienen, en dat mannen trouweloos handelen tegenover de vrouw van hun jeugd. God is daarvan Getuige geweest.

Maleachi 2:10-16

4

De bode en de Heere die komt

Op de vraag waar de God des oordeels is, antwoordt God dat Hij Zijn bode zendt om de weg te bereiden. Daarna komt de Heere tot Zijn tempel, die de kinderen van Levi loutert als goud en zilver.

Maleachi 3:1-5

5

De tienden en het schathuis

God is niet veranderd en roept het volk om weder te keren. Het volk berooft Hem in de tienden en het hefoffer; het moet de tienden in het schathuis brengen en God daarin beproeven.

Maleachi 3:6-12

6

Het gedenkboek

Sommigen zeggen dat het tevergeefs is God te dienen. Wie de HEERE vrezen, spreken met elkaar, en God laat een gedenkboek voor hen schrijven.

Maleachi 3:13-18

7

De dag die brandt als een oven

De dag des HEEREN komt als een oven voor de hoogmoedigen. Voor wie Gods Naam vrezen, gaat de Zon der gerechtigheid op, met genezing onder Zijn vleugelen.

Maleachi 4:1-3

8

De wet van Mozes en de komst van Elia

Het boek sluit met de oproep de wet van Mozes te gedenken en met de belofte dat God de profeet Elia zendt, die het hart der vaderen en der kinderen tot elkaar zal wederbrengen.

Maleachi 4:4-6

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Maleachi beter te begrijpen.

Maleachi 1:1

“De last van het woord des HEEREN tot Israel, door den dienst van Maleachi.”

Het enige wat de Bijbel over de profeet zelf zegt. Het woord last staat bij de profeten vaker voor een zware, opgelegde boodschap.

Maleachi 1:11

“Maar van den opgang der zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de HEERE der heirscharen.”

Tegenover de onverschillige priesters in Jeruzalem kondigt God aan dat de volken Zijn Naam zullen eren.

Maleachi 3:1

“Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.”

Het woord voor engel is hier bode, hetzelfde woord als in de naam Maleachi. Het Nieuwe Testament past dit vers toe op Johannes de Doper.

Maleachi 3:6

“Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.”

Het voortbestaan van het volk berust op Gods trouw, niet op die van het volk.

Maleachi 3:10

“Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.”

De tienden waren bestemd voor de Levieten en de tempeldienst. Het schathuis was de voorraadkamer bij de tempel (vergelijk Nehemia 13:12).

Maleachi 3:16

“Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.”

In een tijd waarin velen zeiden dat God dienen geen zin had, bleef een kleine groep trouw. God vergeet hen niet.

Maleachi 4:2

“Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.”

De dag des HEEREN is oordeel voor de goddelozen, maar licht en genezing voor wie God vrezen. De kerk heeft de Zon der gerechtigheid op Christus betrokken.

Maleachi 4:5-6

“Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal. En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.”

De laatste woorden van het Oude Testament in de christelijke volgorde. Lukas 1:17 neemt ze op in de aankondiging van Johannes de Doper.

Mattheüs 11:10

“Want deze is het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.”

Jezus citeert Maleachi 3:1 en zegt dat het over Johannes de Doper gaat.

Tijdperiode

~450 v.Chr.

Maleachi leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Bijbelboeken over Maleachi

Lessen voor vandaag

Maleachi spreekt tot mensen die niet van God waren afgevallen, maar wie het geloof gewoon was geworden. Zij offerden nog, maar brachten wat ze zelf niet meer nodig hadden. Dat stelt ons een eerlijke vraag: krijgt God van ons het beste van onze tijd, aandacht en middelen, of wat er overblijft? Zijn verwijt is niet dat het volk niets deed, maar dat het Hem niet eerde. Opvallend is waar Maleachi begint: bij Gods liefde. Ook wanneer wij, zoals Israël toen, vragen waarin die liefde dan blijkt, houdt God vast aan wat Hij heeft gezegd. Wij mogen ons geloof daarom niet bouwen op ons gevoel van het moment, maar op de God die niet verandert (Maleachi 3:6). De vraag naar de tienden in Maleachi 3:10 hoort in de context van de tempeldienst en het onderhoud van de Levieten. Christenen denken verschillend over de vraag of de tiende nog een vaste maat is. Wat wel blijft, is dat geven een zaak van het hart is, want "God heeft een blijmoedigen gever lief" (2 Korinthe 9:7). Het vers is geen belofte van rijkdom aan wie veel geeft, maar een oproep om God te vertrouwen en Zijn huis niet te laten verkommeren. Wie zich afvraagt of het nog zin heeft om God te dienen, mag denken aan het gedenkboek (Maleachi 3:16). God ziet wie Hem in stilte trouw blijven, ook als de tijd tegenzit. En Maleachi leert ons te wachten: zijn boek eindigt met een belofte, die in de komst van Johannes de Doper en van Christus in vervulling ging, en die ons nog laat uitzien naar de dag des HEEREN.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Maleachi

Wie was Maleachi in de Bijbel?
Maleachi was de profeet van het laatste boek van het Oude Testament. Hij sprak tot de Joden in Jeruzalem na de terugkeer uit de ballingschap, waarschijnlijk rond het midden van de vijfde eeuw voor Christus. Over zijn persoon zegt de Bijbel niets: geen vader, geen stam en geen roepingsverhaal. Hij hekelde onreine offers, trouwbreuk en het achterhouden van de tienden, en kondigde de bode aan die de weg zou bereiden en de komst van de profeet Elia (Maleachi 4:5).
Wat betekent de naam Maleachi?
Maleachi betekent in het Hebreeuws: mijn bode. Hetzelfde woord staat in Maleachi 3:1, waar God zegt: "Ziet, Ik zende Mijn engel". Daarom denken sommige uitleggers dat het opschrift geen eigennaam geeft maar een titel. Anderen zien er een gewone naam in, mogelijk een verkorte vorm van een naam als bode van de HEERE. De Bijbel geeft geen uitsluitsel; zeker is alleen dat het boek hem zo noemt (Maleachi 1:1).
Waar staat Maleachi in de Bijbel?
Maleachi wordt alleen genoemd in het opschrift van zijn eigen boek: "De last van het woord des HEEREN tot Israel, door den dienst van Maleachi" (Maleachi 1:1). Het boek staat als laatste van de twaalf kleine profeten, direct na Zacharia, en sluit in de christelijke volgorde het Oude Testament af. Zijn woorden worden in het Nieuwe Testament aangehaald in onder meer Mattheüs 11:10, Markus 1:2, Lukas 7:27 en Romeinen 9:13; Lukas 1:17 zinspeelt op Maleachi 4:6.
Wanneer leefde Maleachi?
Het boek noemt geen jaartal en geen koning. De tempel staat er weer en er wordt geofferd, dus het is later dan de herbouw rond 516 voor Christus (Ezra 6:15). De misstanden die Maleachi noemt, de tienden, de gemengde huwelijken en de priesters, lijken sterk op wat Nehemia aantrof (Nehemia 13). Daarom plaatsen de meeste uitleggers hem rond het midden van de vijfde eeuw voor Christus, ruwweg tussen 470 en 430.
Heeft het boek Maleachi drie of vier hoofdstukken?
Dat hangt af van de indeling. De Statenvertaling telt vier hoofdstukken, zoals de meeste christelijke vertalingen. In de Hebreeuwse Bijbel zijn het er drie: ons hoofdstuk 4 is daar het slot van hoofdstuk 3. De tekst is dezelfde, alleen de nummering verschilt. Daarom staat de belofte van Elia in de Statenvertaling in Maleachi 4:5, terwijl Hebreeuwse uitgaven dat vers bij hoofdstuk 3 rekenen.
Was Maleachi een andere naam voor Ezra?
Dat is een oude overlevering, geen gegeven uit de Bijbel. De Aramese vertaling van de profeten (de Targum) voegt in Maleachi 1:1 toe dat de bode Ezra de schriftgeleerde was. Ezra en Maleachi leefden ongeveer in dezelfde tijd en streden tegen dezelfde misstanden, zoals de gemengde huwelijken (Ezra 9 en Maleachi 2:11). Maar de Bijbel zelf legt geen verband tussen beide namen, en de meeste uitleggers houden hen voor twee verschillende mensen.
Waarom stelt het volk in Maleachi steeds vragen?
Maleachi schrijft in de vorm van gesprekken. God zegt iets, het volk werpt tegen en God antwoordt. Het eerste gesprek begint zo: "Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad?" (Maleachi 1:2). Dezelfde vorm keert terug bij de offers, bij de vraag naar Gods recht, bij de tienden en bij de klacht dat God dienen tevergeefs is (Maleachi 3:14). De tegenwerpingen laten zien hoe het volk zichzelf onschuldig vond.
Wat zegt Maleachi 3:10 over de tienden?
God roept op: "Brengt al de tienden in het schathuis" (Maleachi 3:10). De tienden waren onder de wet van Mozes bestemd voor de Levieten (Numeri 18:21), en het schathuis was de voorraadkamer bij de tempel. In de tijd van Nehemia waren de Levieten naar hun akkers gevlucht omdat hun deel uitbleef (Nehemia 13:10). Het vers is geen belofte van rijkdom aan wie veel geeft. Christenen verschillen over de vraag of de tiende nog een vaste maat is; dat geven van harte gebeurt, staat vast (2 Korinthe 9:7).
Wie is de bode uit Maleachi 3:1?
Maleachi 3:1 noemt twee figuren: de bode die de weg bereidt, en de Heere die daarna tot Zijn tempel komt. Het Nieuwe Testament zegt dat de bode Johannes de Doper is. Jezus zegt over Johannes: "Want deze is het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht" (Mattheüs 11:10). Ook Markus 1:2 en Lukas 7:27 halen het vers aan. De Heere die komt, lezen christelijke uitleggers als de Messias.
Wie is de Elia die volgens Maleachi zou komen?
Maleachi 4:5 belooft: "Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal." Het Nieuwe Testament past dat toe op Johannes de Doper. De engel zegt dat hij komt "in den geest en de kracht van Elias" (Lukas 1:17), en Jezus zegt: "hij is Elias, die komen zou" (Mattheüs 11:14). Johannes was niet de teruggekeerde Elia zelf, wat hij ook ontkende (Johannes 1:21), maar vervulde de taak die aan Elia beloofd was.
Is Maleachi het laatste boek van het Oude Testament?
In de christelijke volgorde, ook in de Statenvertaling, wel. In de Hebreeuwse Bijbel sluit Maleachi de twaalf kleine profeten af, maar daarna volgen nog de Geschriften, in de gangbare volgorde met Kronieken als laatste boek. Na Maleachi komt er ongeveer vier eeuwen geen nieuw profetisch boek. Volgens de joodse overlevering hield de profetie na Haggaï, Zacharia en Maleachi op. Het Nieuwe Testament opent met Johannes de Doper, de bode die Maleachi had aangekondigd.
Wat kunnen wij leren van Maleachi?
Maleachi laat zien dat geloof kan verslijten tot gewoonte, ook als de eredienst doorgaat. Hij vraagt ons God het beste te geven en niet wat wij overhouden. Tegelijk begint hij met Gods liefde (Maleachi 1:2) en wijst hij op de God die niet verandert (Maleachi 3:6). Wie twijfelt of God dienen zin heeft, mag weten dat God een gedenkboek heeft voor wie Hem vrezen (Maleachi 3:16). En zijn boek leert ons te wachten op Gods beloften.

Stel een vraag over Maleachi

Wilt u meer weten over Maleachi? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Maleachi

Verdiep u verder