Ga naar hoofdinhoud
Lukas, MattheüsLukas 5:1-11; Mattheüs 4:18-22

De wonderbare visvangst

Jezus geeft een overvloedige vangst en roept vissers om Hem te volgen

Samenvatting

De wonderbare visvangst is de geschiedenis uit Lukas 5:1-11 waarin de Heere Jezus vanuit het schip van Simon de scharen leert en hem de netten laat uitwerpen. Na een nacht zonder vangst vangen zij zoveel vissen dat hun net scheurt. Petrus valt op zijn knieën en belijdt dat hij een zondig mens is. Jezus zegt dat hij voortaan mensen zal vangen. De vissers verlaten alles en volgen Hem.

Bijbelgedeelte

“En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.”
Lukas 5:5 (Statenvertaling)
“En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieen van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.”
Lukas 5:8 (Statenvertaling)
“En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.”
Lukas 5:10 (Statenvertaling)
“En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.”
Lukas 5:11 (Statenvertaling)
“En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.”
Mattheüs 4:19 (Statenvertaling)

Het verhaal

Lukas 5:1-11 vertelt hoe de Heere Jezus aan het meer Gennesaret een overvloedige vangst gaf en Simon Petrus en zijn medegenoten riep om Hem te volgen (zie de uitleg bij Lukas 5). Mattheüs 4:18-22 en Markus 1:16-20 vertellen ook hoe Jezus deze vissers riep. Het gebeurde in het begin van Jezus’ werk in Galilea.

Wat ging er aan de wonderbare visvangst vooraf?

Een grote schare drong op Jezus aan om het Woord van God te horen. Hij stond bij het meer Gennesaret, zoals Lukas het meer van Galilea noemt. Aan de oever lagen twee schepen. De vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Jezus ging in het schip van Simon en vroeg hem een eindje van het land af te steken. Daar ging Hij zitten en leerde Hij de scharen vanuit het schip (Lukas 5:1-3). Simon kende Jezus al. Kort tevoren had Jezus in het huis van Simon diens schoonmoeder van een grote koorts genezen (Lukas 4:38-39).

Wat gebeurde er bij de wonderbare visvangst?

Toen Jezus ophield met spreken, zei Hij tegen Simon: "Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen" (Lukas 5:4). Simon was visser en wist hoe de nacht verlopen was. Hij antwoordde: "Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen" (Lukas 5:5). Zijn ervaring zei dat het geen zin had. Toch wierp hij het net uit, omdat Jezus het zei.

Toen zij dat gedaan hadden, sloten zij een grote menigte vissen in, en hun net scheurde. Zij wenkten hun medegenoten in het andere schip om te komen helpen. Die kwamen, en samen vulden zij beide schepen, zo vol dat ze bijna zonken (Lukas 5:6-7).

Hoe reageerde Petrus op de wonderbare visvangst?

Toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer aan de knieën van Jezus en zei: "Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens" (Lukas 5:8). Lukas geeft de reden: verbaasdheid had hem bevangen, en allen die bij hem waren, over de vangst die zij gedaan hadden. Zo ging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die medegenoten van Simon waren (Lukas 5:9-10). Petrus vraagt niet om meer vis en roemt niet in de vangst. In het wonder ziet hij Wie er bij hem in het schip is, en daarbij ziet hij zichzelf als zondaar. Eerst noemde hij Jezus Meester; nu noemt hij Hem Heere.

Waarom verlieten de vissers alles om Jezus te volgen?

Jezus stuurde Petrus niet weg. Hij zei tegen hem: "Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen" (Lukas 5:10). Het werk dat Simon kende, wordt een beeld van het werk dat hij van Christus krijgt: mensen bijeenbrengen voor het Koninkrijk van God. Toen zij de schepen aan land gebracht hadden, "verlieten zij alles, en volgden Hem" (Lukas 5:11). Veel uitleggers wijzen erop dat daarbij ook de grote vangst van die dag hoorde.

Hoe vertellen Mattheüs en Markus de roeping van de discipelen?

Mattheüs en Markus vertellen het korter en zonder visvangst. Jezus wandelde langs de zee van Galilea en zag Simon, gezegd Petrus, en zijn broer Andreas, die het net in de zee wierpen. Hij zei tegen hen: "Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken" (Mattheüs 4:19). Terstond verlieten zij de netten en volgden Hem. Even verder zag Hij Jakobus en Johannes met hun vader Zebedeüs in het schip, waar zij hun netten herstelden. Hij riep hen, en zij verlieten terstond het schip en hun vader (Mattheüs 4:21-22). Markus voegt toe dat Zebedeüs achterbleef met de huurlingen (Markus 1:20). Lukas noemt Andreas in deze geschiedenis niet bij naam; Mattheüs en Markus noemen hem samen met zijn broer Simon.

Achtergrond

Het meer heeft in de Bijbel verschillende namen. Lukas spreekt van het meer Gennesaret, Mattheüs en Markus van de zee van Galilea, en Johannes ook van de zee van Tiberias (Johannes 6:1). Aan de noordwestoever lag Kapernaüm, waar Jezus was komen wonen (Mattheüs 4:13) en waar Simon een huis had (Lukas 4:31-38). Waar aan het meer de visvangst plaatsvond, zegt Lukas niet.

Vissers op het meer werkten met netten vanuit kleine schepen, vaak ’s nachts. Ook na de opstanding gingen de discipelen ’s nachts vissen en vingen zij niets (Johannes 21:3). Na het werk werden de netten gespoeld en hersteld. Simon werkte samen met de zonen van Zebedeüs. Volgens Markus 1:20 had hun vader Zebedeüs huurlingen bij zich in het schip.

Simon had Jezus al eerder ontmoet. Volgens Johannes 1:41-43 bracht zijn broer Andreas hem bij Jezus met de woorden: "Wij hebben gevonden den Messias". Of Lukas 5 en Mattheüs 4 hetzelfde moment beschrijven, daarover denken uitleggers verschillend. Velen zien één roeping, die Lukas uitvoeriger vertelt; anderen zien twee momenten kort na elkaar. Een tweede wonderbare visvangst, na de opstanding, staat in Johannes 21:1-14.

Betekenis

In deze geschiedenis openbaart de Heere Jezus Wie Hij is. Hij spreekt, en de vissen van het meer gaan in het net. Waar ervaren vissers een hele nacht niets vingen, gaf Zijn woord in één keer zoveel dat twee schepen bijna zonken. Hij heeft gezag over de schepping, zoals de discipelen later na de storm op het meer zeiden: "Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt" (Lukas 8:25)? In de wonderen van Jezus is Gods eigen macht aan het werk.

De vangst ontdekt Petrus aan zichzelf. Zo ging het ook Jesaja toen hij de heerlijkheid van de HEERE zag: "Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben" (Jesaja 6:5). Wie de heilige God ontmoet, ziet zijn zonde. Maar Jezus antwoordt Petrus niet met afstand. Hij zegt: "Vrees niet". De zondaar die Hem vraagt weg te gaan, wordt door Hem dichtbij geroepen. Later in hetzelfde hoofdstuk zegt Jezus: "Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering" (Lukas 5:32).

Ook de roeping is Zijn werk. In Mattheüs zegt Jezus: "Ik zal u vissers der mensen maken" (Mattheüs 4:19). Hij maakt hen tot wat zij zullen zijn; zij hoeven het niet uit zichzelf te worden. Dat bleek op de Pinksterdag, toen na de prediking van Petrus omtrent drie duizend zielen aan de gemeente werden toegevoegd (Handelingen 2:41). De visser die niets ving tot Jezus sprak, bracht later mensen tot Christus door het woord dat hij verkondigde. Zo laat de wonderbare visvangst zien wat de roeping van een discipel is: genade die een zondaar in dienst neemt.

Lessen voor vandaag

Het woord van Christus is genoeg, ook als ervaring en verstand iets anders zeggen. Petrus had de hele nacht gewerkt zonder resultaat en zei toch: "op Uw woord zal ik het net uitwerpen" (Lukas 5:5). De Heere vraagt geen geloof dat eerst ziet, maar een geloof dat op Zijn woord handelt. Dat geldt ook voor ons, in werk, gezin en gemeente.

De nabijheid van Christus ontdekt aan zonde, en Hij Zelf geeft rust. Wie, zoals Petrus, merkt een zondig mens te zijn, hoeft niet bij Hem weg te blijven. Het woord "Vrees niet" komt van Hem Die gekomen is om zondaren te roepen. Het besef van zonde is geen reden om van Christus weg te gaan, maar om aan Zijn voeten te blijven.

De Heere roept en maakt bruikbaar. Hij zei niet: probeer mensen te vangen, maar: "Ik zal u vissers der mensen maken" (Mattheüs 4:19). Het werk van zending en getuigen rust op Hem; Paulus schrijft dat God de wasdom geeft (1 Korinthe 3:6). Wie Hem volgt, laat iets achter, zoals deze vissers alles verlieten. Maar Hij Die roept, is meer waard dan de grootste vangst. De geschiedenis eindigt niet bij de volle schepen, maar bij mannen die Hem volgden (Lukas 5:11).

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 5 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

De Heere Jezus woonde in Kapernaüm. Dat was een stad aan een groot meer in Galilea. In dat meer zwommen veel vissen. Daarom woonden er ook veel vissers.

Op een dag stond de Heere Jezus aan de oever van het meer. Er kwamen heel veel mensen naar Hem toe. Ze drongen om Hem heen. Ze wilden het Woord van God horen.

Aan de kant lagen twee schepen. Het waren vissersboten. De vissers waren eruit gestapt. Ze spoelden hun netten schoon. Een van de schepen was van Simon. Simon was een visser. Hij werd ook Petrus genoemd.

De Heere Jezus stapte in het schip van Simon. Hij vroeg Simon om een klein stukje van het land af te varen. Toen ging de Heere Jezus zitten. Vanuit het schip leerde Hij de mensen op de kant.

Toen de Heere Jezus klaar was met spreken, zei Hij tegen Simon: "Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen". Dat betekent: vaar naar het diepe water en gooi je netten uit.

Simon wist hoe het die nacht gegaan was. Hij zei: "Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen". De hele nacht hadden ze gewerkt. Ze hadden niets gevangen, geen enkele vis. Maar Simon zou het net toch uitwerpen. Op Uw woord betekent: omdat U het zegt.

Ze voeren naar het diepe water en gooiden het net uit. Toen zat het net vol vissen. Het waren er zoveel, dat het net scheurde. Ze wenkten naar hun medegenoten in het andere schip: ze gaven met hun hand een teken. Dat waren de vissers met wie ze samenwerkten. Die moesten komen helpen. Ze kwamen, en samen vulden ze de schepen met vis. Beide schepen werden zo vol, dat ze bijna zonken.

Simon Petrus zag al die vissen. Hij was helemaal vol verbazing. Iedereen die bij hem was, was verbaasd. Toen viel Petrus op zijn knieën voor de Heere Jezus. Hij zei: "Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens". Een zondig mens is iemand die zondigt: hij doet wat God niet wil. Eerst had Petrus Jezus Meester genoemd. Nu noemde hij Hem Heere. Op het woord van de Heere Jezus zat het net vol. Alleen God kan zoiets doen.

Ook Jakobus en Johannes waren erg verbaasd. Zij waren broers, de zonen van Zebedeüs. Ze werkten samen met Simon.

Maar de Heere Jezus ging niet weg van Petrus. Hij zei tegen hem: "Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen". Vrees niet betekent: wees niet bang. Petrus had altijd vissen gevangen. Voortaan zou hij mensen vangen. Hij zou mensen bij de Heere Jezus brengen, zodat ze Hem leerden kennen.

In het evangelie van Mattheüs staat dat de Heere Jezus tegen Simon en zijn broer Andreas zei: "Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken". Dat konden ze niet zelf. De Heere Jezus zou het van hen maken.

De vissers brachten de schepen naar de kant. Daar lieten ze alles achter. Ze gingen met de Heere Jezus mee. Ze waren Zijn discipelen, Zijn leerlingen.

Zo riep de Heere Jezus vissers om Hem te volgen. Een beetje later zei Hij dat Hij gekomen was om zondaren te roepen. Daarom stuurde Hij Petrus niet weg. En nog altijd roept Hij mensen om Hem te volgen.

Om te onthouden
“En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.” (Mattheüs 4:19)

Tips voor de verteller

  • Kinderen vragen soms waarom Petrus wilde dat Jezus wegging. U kunt uitleggen dat Petrus zag hoe groot de Heere Jezus is, en daarbij merkte dat hij zelf een zondaar was. Laat de nadruk vallen op het antwoord van Jezus: Hij ging niet weg, maar zei dat Petrus niet bang hoefde te zijn. Wie zijn zonde ziet, mag juist bij Hem komen.
  • Leg de woorden diepte, medegenoten en discipel één keer kort uit, en ook dat vissers op het meer vaak ’s nachts werkten (Johannes 21:3). Vul niet in hoeveel vissen er waren, hoe het weer was of wat Petrus dacht; de Bijbel noemt dat niet. Lees Lukas 5:4-11 daarna hardop voor uit de Bijbel zelf.
  • Een kind kan vragen of de vissers hun familie zomaar in de steek lieten. Zeg eerlijk dat de Bijbel vertelt dat zij alles verlieten om Jezus te volgen, en dat Zebedeüs achterbleef met de huurlingen (Markus 1:20). Volgens Markus 1:29 was Jezus kort na de roeping in het huis van Simon en Andreas, en Paulus schrijft dat ook Cefas, dat is Petrus, een vrouw met zich meenam (1 Korinthe 9:5). Volgen betekent niet dat iemand niet meer van zijn familie houdt.
  • Kinderen merken soms dat Mattheüs het anders vertelt dan Lukas. U kunt zeggen dat de evangelisten niet altijd dezelfde dingen opschrijven: Lukas vertelt over de visvangst, Mattheüs alleen over de roeping. Wat zij samen zeggen, is duidelijk: de Heere Jezus riep deze vissers, en zij volgden Hem.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWat hadden de vissers de hele nacht gevangen?
  2. NavertellenWat gebeurde er met het net toen Simon het uitwierp?
  3. VerwonderenWie zorgde ervoor dat het net vol vissen zat?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenSimon noemde Jezus eerst Meester en daarna Heere. Wat had de Heere Jezus tussen die twee momenten gedaan?
  2. BetekenisWaarom viel Petrus op zijn knieën en zei hij dat hij een zondig mens was?
  3. VerbindingLees Johannes 21:3-6. Wat lijkt op de wonderbare visvangst uit Lukas 5, en wat is er anders?
  4. ToepassingPetrus deed wat Jezus zei, ook al leek het zinloos. Wanneer vind jij het moeilijk om te doen wat de Heere zegt?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Jesaja 6:1-8. Wat hebben Jesaja en Petrus gemeen als zij de heiligheid van God zien, en wat gebeurt er daarna met hen allebei?
  2. Wie is God?Jezus zegt: "Ik zal u vissers der mensen maken". Wat zegt het over Hem dat Hij belooft dit Zelf te doen?
  3. Moeilijke vraagPetrus vroeg Jezus weg te gaan, omdat hij een zondig mens was. Waarom wil een mens soms bij God vandaan als hij zijn zonde ziet, en waarom stuurt Jezus Petrus niet weg?
  4. PersoonlijkDe discipelen verlieten alles en volgden Hem. Wat betekent het voor jou om de Heere Jezus te volgen, en wat houdt je daarbij tegen?

Gebedspunt: Dank de Heere Jezus dat Hij zondaren niet wegstuurt, maar roept om Hem te volgen. Bid om een geloof dat op Zijn woord vertrouwt, ook als wij nog niets zien.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

de roeping van de discipelenop Zijn woordzonde en genadevissers van mensende macht van Christus

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over De wonderbare visvangst

Waar staat het verhaal van de wonderbare visvangst in de Bijbel?

Het verhaal van de wonderbare visvangst staat in Lukas 5:1-11. Alleen Lukas vertelt deze vangst bij de roeping van de eerste discipelen. Mattheüs 4:18-22 en Markus 1:16-20 vertellen de roeping van Simon, Andreas, Jakobus en Johannes korter, zonder visvangst. Daar zegt Jezus: "Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken" (Mattheüs 4:19). Een tweede wonderbare visvangst, na de opstanding, staat in Johannes 21:1-14.

Wat betekent vissers van mensen?

Met vissers der mensen bedoelt Jezus dat deze vissers voortaan mensen zouden bijeenbrengen voor het Koninkrijk van God, door het Evangelie te verkondigen. Tegen Simon zegt Hij: "van nu aan zult gij mensen vangen" (Lukas 5:10). Het beeld sluit aan bij hun eigen werk. Belangrijk is dat Jezus zegt: "Ik zal u vissers der mensen maken" (Mattheüs 4:19). Hij maakt hen daartoe. Op de Pinksterdag werden na de prediking van Petrus omtrent drie duizend zielen toegevoegd (Handelingen 2:41).

Waarom zei Petrus: Heere, ga uit van mij?

Petrus zag in de vangst de macht van Jezus en werd tegelijk ontdekt aan zijn eigen zonde. Lukas zegt dat verbaasdheid hem had bevangen (Lukas 5:9). Eerst noemde hij Jezus Meester (Lukas 5:5); nu viel hij neer en zei: "Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens" (Lukas 5:8). Zo reageerde ook Jesaja toen hij de heerlijkheid van de HEERE zag (Jesaja 6:5). Jezus ging niet weg, maar zei tegen Petrus dat hij niet hoefde te vrezen (Lukas 5:10).

Werden er bij de wonderbare visvangst 153 vissen gevangen?

Nee. Het getal van honderd drie en vijftig vissen hoort bij een andere geschiedenis: de visvangst na de opstanding, aan de zee van Tiberias (Johannes 21:11). Lukas 5 noemt geen aantal. Daar staat alleen dat de vissers een grote menigte vissen insloten, dat hun net scheurde en dat beide schepen zo vol werden dat zij bijna zonken (Lukas 5:6-7). De twee geschiedenissen lijken op elkaar, maar zijn niet hetzelfde. In Johannes 21 scheurde het net juist niet.

Zijn Lukas 5 en Mattheüs 4 dezelfde geschiedenis?

Daarover denken uitleggers verschillend. Velen zien in Lukas 5 en Mattheüs 4 dezelfde roeping: Lukas vertelt uitvoeriger en noemt de visvangst, Mattheüs en Markus vertellen kort. Anderen zien twee momenten na elkaar: eerst de roeping aan de oever, daarna de visvangst, waarna de vissers alles verlieten. Dat Simon Jezus al kende, blijkt uit Johannes 1:41-43 en uit Lukas 4:38, waar Jezus in het huis van Simon is. De tekst dwingt geen keuze af. De kern is in alle evangeliën gelijk: Jezus roept, en zij volgen Hem.

Welke discipelen werden bij de wonderbare visvangst geroepen?

Lukas noemt Simon Petrus en zijn medegenoten Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs (Lukas 5:10). Mattheüs en Markus noemen daarnaast Andreas, de broer van Simon (Mattheüs 4:18). Het gaat dus om twee paar broers, die als vissers op het meer werkten. Zij horen bij de eerste discipelen die Jezus riep. Petrus, Jakobus en Johannes waren later ook de drie die Jezus meenam bij de dochter van Jaïrus (Lukas 8:51), op de berg van de verheerlijking (Mattheüs 17:1) en in Gethsemane (Markus 14:33).

Waar gebeurde de wonderbare visvangst?

De wonderbare visvangst gebeurde bij het meer Gennesaret (Lukas 5:1), dat ook de zee van Galilea en de zee van Tiberias heet (Johannes 6:1). Het meer ligt in het noorden van het land Israël. Lukas noemt geen plaats aan de oever. Kort daarvoor was Jezus in Kapernaüm, waar Simon een huis had (Lukas 4:31-38). Daarom zoeken veel uitleggers de plaats in de buurt van Kapernaüm, maar zeker is dat niet. Johannes noemt Bethsaïda de stad van Andreas en Petrus (Johannes 1:45).

Wat leert de wonderbare visvangst ons?

De wonderbare visvangst leert eerst Wie Jezus is: Zijn woord heeft macht over de schepping, en Zijn nabijheid ontdekt een mens aan zijn zonde. Ze leert ook dat Hij zondaren niet wegstuurt, maar hen in Zijn dienst roept. Petrus wierp het net uit "op Uw woord" (Lukas 5:5), en zo vraagt de Heere ook nu een geloof dat op Zijn woord handelt. Ten slotte leert ze dat Christus Zelf vissers van mensen maakt: het werk van Zijn Koninkrijk rust op Hem. De geschiedenis eindigt bij mannen die alles verlieten en Hem volgden.

Hoe vertelt u de wonderbare visvangst aan kinderen?

Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 6 jaar. De geschiedenis is goed te volgen: een nacht zonder vis, het woord van Jezus, het volle net, Petrus op zijn knieën en de roeping. Geef de meeste ruimte aan wat Jezus doet en zegt, en aan Zijn antwoord aan Petrus. Leg woorden als medegenoten en discipel kort uit en vul geen aantallen, gesprekken of gedachten in. De verteltips helpen bij vragen over zonde en over het achterlaten van familie; de gespreksvragen zijn ingedeeld voor 4-7, 8-12 en 12-16 jaar.

Stel een vraag over De wonderbare visvangst

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder